Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT7268

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
04 / 1220 AW K1
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim, door in strijd te handelen met hetgeen een goed ambtenaar betaamt.

(uitkomst) belangenafweging.

Uitspraak in hoger beroep bij voorlopige voorziening geschortst: LJN AU1155.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 1220 AW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : De Korpsbeheerder van de politieregio [regio], verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 1 september 2004,

kenmerk: 04u10.0031.

Datum van behandeling ter zitting: 7 april 2005.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 1 september 2004 heeft verweerder het namens eiser gemaakte bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2004 (hierna ook te noemen: het primaire besluit) ongegrond verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar van 1 september 2004 (verder ook te noemen: het bestreden besluit) is door de gemachtigde van eiser mr. A.F.Th.M. Heutink, advocaat te Gennep, bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 april 2005, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. C.L.J.A. Spiertz, kantoorgenoot van mr. Heutink voornoemd als zijn raadsman. Voor verweerder is ter zitting verschenen mr. M.T.J. Berns, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie (CAPRA) te 's-Hertogenbosch en mr. […], medewerker juridische zaken bij politie [regio].

II. OVERWEGINGEN

De feiten

Eiser, geboren […] 1964, is vanaf 27 september 1987 tot 7 juni 2004 (aldus gedurende 14 jaren) werkzaam geweest bij de politie, eerst bij het Korps Rijkspolitie District […] en later bij de Regiopolitie [regio], laatstelijk in de functie van hoofdagent.

Bij brief van 15 januari 2004 heeft verweerder eiser medegedeeld dat jegens hem een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek gestart zou worden, daar hij verdacht werd van het plegen van een strafbaar feit. Tevens heeft verweerder eiser buiten functie gesteld, hem de toegang tot de gebouwen en terreinen van het korps ontzegd en het voornemen kenbaar gemaakt van schorsing in het belang van de dienst van eiser in diens ambt. Bij brief van 18 maart 2004 heeft verweerder het voornemen uitgesproken onder toepassing van artikel 77, eerste lid, sub j, van het Besluit algemene rechtspositie (Barp), de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen, daar hem uit de onderzoeken, verkort weergegeven, van de volgende drie gedragingen is gebleken.

1. Eiser heeft tijdens een dienst zonder toestemming van het bevoegd gezag velgen en banden van een op de binnenplaats van het politiebureau geparkeerd staande auto verwijderd en deze verwisseld met zijn eigen velgen en banden, nadat hij bij raadpleging van het politieinformatiesysteem had geconstateerd dat de eigenaar afstand van die auto had gedaan en nadat hij de betreffende sloper had bezocht, waar de auto volgens een collega naartoe zou worden gebracht.

Dit gebeuren heeft plaatsgehad op 25 december 2003, zijnde eerste kerstdag.

2. Eiser is tijdens een dienst met een jonge collega, vermoedelijk omstreeks eind november 2003, met een dienstauto en in uniform naar een vakantiepark gegaan, kennelijk niet in verband met een dienstopdracht. Ter plaatse heeft eiser koffie gedronken bij het beveiligingspersoneel, waaronder een vrouw die eiser redelijk goed leek te kennen, en na openlijk geflirt met haar heeft eiser haar bij het weggaan op intieme wijze gezoend.

3. Eiser heeft tijdens een dienst met dezelfde jonge collega omstreeks begin januari 2004 met de dienstauto en in uniform buiten de regio -en daarmee buiten de noodhulpcirkel- een privé-bezoek gebracht aan een vrouw met wie eiser stelde toekomstplannen te hebben. Op enig moment heeft eiser zich met haar teruggetrokken in de keuken, alwaar hij haar heeft gezoend.

Ter onderbouwing van zijn voornemen heeft verweerder, kort gezegd, het volgende overwogen. Los van de civielrechtelijke eigendomsverhouding heeft eiser heeft zich met de banden- en velgenkwestie schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, daar het algemeen belang van de politie eist dat zorgvuldig wordt omgegaan met goederen die onder haar verantwoordelijkheid vallen, zoals het beheer van een auto waarvan afstand is gedaan. Dit betekent dat een politieambtenaar, die slechts vanuit een publiekrechtelijke verantwoordelijkheid over een goed beschikt, zich niet zomaar dat goed of onderdelen kan en mag toe-eigenen. Verder heeft eiser de fatsoensregels overschreden door het tijdstip waarop de sloper is benaderd en door het feit dat eiser in diensttijd de banden en velgen heeft verwisseld. Eiser heeft nagelaten het bevoegd gezag te informeren dan wel om toestemming te vragen en eiser heeft zich niet laten weerhouden door waarschuwingen van twee collega's. Gelet hierop en gezien eisers leeftijd en ervaring als politieambtenaar kon en moest hij weten dat hij in strijd handelde met hetgeen een goed ambtenaar betaamt. Deze handelwijze is volstrekt onaanvaardbaar en in strijd met hetgeen van een politieambtenaar mag en moet worden verwacht waar het de integriteit van die ambtenaar zelf alsmede die van het korps betreft. Ook met de overige twee gedragingen heeft eiser zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, door in strijd te handelen met hetgeen een goed ambtenaar betaamt. Zowel jegens een jonge collega als jegens de buitenwereld heeft eiser met deze gedragingen blijk gegeven van weinig integer gedrag en bovendien is hiermee de integriteit en het aanzien van het korps in gevaar gebracht. In het bijzonder is eiser kwalijk genomen dat hij een jonge collega ernstig in verlegenheid heeft gebracht en tot bijzonder slecht voorbeeld heeft gediend. Deze drie gedragingen heeft verweerder eiser volledig toegerekend.

Tot slot heeft verweerder overwogen dat een ambtenaar die dergelijk gedrag vertoont op geen enkele wijze is te handhaven binnen de organisatie, nu daarmee de integriteit en betrouwbaarheid van een politiefunctionaris waaraan zeer hoge eisen worden gesteld, alsmede het aanzien van het ambt en de organisatie, in ernstige mate in het gedrang komen.

Alvorens verweerder tot ontslag is overgegaan, is eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen daartoe. Eiser heeft zich vervolgens zowel schriftelijk als mondeling verantwoord. De zienswijze van eiser heeft het voornemen van verweerder niet doen wijzigen. Bij primair besluit van 2 juni 2004 heeft verweerder dan ook uitvoering gegeven aan dat voornemen en is eiser op voormelde gronden met ingang van vijf dagen na genoemde datum de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd.

In het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de bezwarenadviescommissie en onder verwijzing naar dat advies het primaire besluit van 2 juni 2002 in stand gelaten.

In beroep heeft eiser op na te melden gronden geconcludeerd tot vernietiging van het besluit van 1 september 2004:

a. er is geen sprake van (grove) plichtsverzuim;

b. indien en voor zover sprake zou zijn van plichtsverzuim (quod non) levert de gedraging van eiser niet zodanig ernstig plichtsverzuim op dat dit de straf tot ontslag rechtvaardigt;

c. er is onvoldoende rekening gehouden met onder andere het feit dat eiser door de aanwijzingen en mededelingen van zijn directe collega's oprecht meende te handelen en oprecht handelde;

d. indien en voor zover er sprake zou zijn van plichtsverzuim is (zijn) het (de) vergrijp(en) te kenmerken als éénmalige ontsporingen en kunnen deze niet los worden gezien van de werkomstandigheden en de persoonlijke verhoudingen/omstandigheden;

e. het strafontslag van eiser is onevenredig, nu hij niet wist en ook niet behoefde te beseffen dat -gelet op hetgeen ten tijde van de gebeurtenissen met de collega's werd besproken en de toestemming van de sloper- een en ander ontoelaatbaar werd geacht;

f. onvoorwaardelijk strafontslag is te zwaar;

g. het strafontslag is onevenredig, nu eiser verdacht werd van een strafbaar feit hetgeen niet bewezen kon worden;

h. het strafontslag is onevenredig, nu verduistering niet vastgesteld kon worden;

i. onvoldoende aannemelijk is dat eiser de strafbare feiten heeft gepleegd.

Hetgeen zijdens eiser overigens in beroep is aangevoerd zal hierna bij de beoordeling worden betrokken.

Overwegingen over het geschil

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De eerste vraag die voorligt, is of de eiser verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim. Bij een bevestigende beantwoording liggen vervolgens de vragen voor of eiser het plichtsverzuim te verwijten is en of het plichtsverzuim eiser ook kan worden toegerekend. Zo die vragen bevestigend dienen te worden beantwoord, komt tot slot aan de orde of er tussen de zwaarte van de opgelegde straf en de ernst van de gepleegde overtreding geen onevenredigheid bestaat.

Artikel 76, eerste lid, van het Barp bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of die zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Het tweede artikellid geeft aan dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift omvat als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gedragingen die aan het strafontslag ten grondslag zijn gelegd, feitelijk daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Eiser stelt zich evenwel primair op het standpunt dat de gedragingen hem niet als (grof) plichtsverzuim kunnen worden verweten en subsidiair dat de getroffen maatregel onevenredig jegens hem is.

Kort gezegd berust het bestreden strafontslag zoals hiervoor reeds overwogen op de navolgende gedragingen:

- het ten eigen voordele verwijderen van onderdelen van een auto waarvan door de eigenaar ten overstaan van de politie afstand was gedaan, waartoe eiser eerst de politie-informatiesystemen had geraadpleegd teneinde de herkomst van de betreffende auto na te gaan;

- het onder werktijd bezoeken van een vakantiepark en op intieme wijze omgaan met een vrouwelijke beveiligingsbeambte;

- het onder diensttijd afleggen van privé-bezoek met de dienstauto buiten het dienstgebied.

Uit de gedingstukken blijkt dat eiser bij -onherroepelijk- strafvonnis is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Het strafrechtelijk en disciplinair traject moeten echter los van elkaar worden gezien, daar bij de beoordeling van de vraag of sprake is van plichtsverzuim als hier aan de orde niet relevant is of de verweten gedragingen ook daadwerkelijk leiden (of reeds hebben geleid) tot een strafrechtelijke veroordeling.

Op grond van de voorhanden gegevens heeft verweerder naar dezerzijds oordeel de banden- en velgenkwestie terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Los van de vraag wie civielrechtelijk als eigenaar van de betreffende auto moest worden aangemerkt, staat vast dat deze auto, waarvan de voormalige eigenaar vrijwillig afstand had gedaan, zich ten tijde van het toe-eigenen in beheer van de politie bevond en derhalve niet aan eiser (als persoon) toebehoorde. De stelling van eiser dat hij de eigendom heeft verkregen door het in bezit nemen van een roerende zaak die aan niemand toebehoort, kan dan ook als niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. Het beheer van de auto door de politie brengt met zich mee dat de auto ook als publieke taak onder de verantwoordelijkheid van de politie viel. De samenleving moet en mag er op kunnen vertrouwen dat de politie haar publieke taak op integere wijze vervult, hetgeen met eisers gedraging als vermeld niet is geschied. Eiser heeft ten behoeve van zichzelf het politiële informatiesysteem geraadpleegd en heeft, na geconstateerd te hebben dat afstand van de auto was gedaan, zonder toestemming te hebben gevraagd aan, noch te hebben verkregen van het bevoegd gezag de banden en velgen van de auto verwijderd en deze verwisseld met zijn eigen banden en velgen. Dat eiser niet gericht naar informatie in het systeem zou hebben gezocht, zoals ter zitting is betoogd, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu eiser tijdens zijn verhoor heeft verklaard in het bedrijfsprocessen-systeem (BPS) te hebben gecontroleerd of van de auto afstand was gedaan. Dat er collega's waren die zijn handelwijze niet afkeurden of zelfs daarmee instemden, laat onverlet dat op eiser als politiefunctionaris een zelfstandige verantwoordelijkheid rust voor zijn gedrag, zeker bij gebreke van toestemming voor zijn handelen van het bevoegd gezag. Bovendien heeft eiser erkend dat ten minste één collega hem heeft ontraden de banden en velgen te verwisselen, doch hij heeft deze raad niet opgevolgd. Eiser heeft zelfstandig een keuze gemaakt en daarvoor kan en moet hij verantwoordelijk worden gehouden, nu hij zich heeft gedragen zoals een ambtenaar in gelijke omstandigheden had behoren na te laten.

Ook het onder diensttijd afleggen van bezoeken, zonder dienstopdracht daartoe, zelfs buiten het dienstgebied, en het zich schuldig maken aan intimiteiten, betreffen gedragingen die een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden had behoren na te laten. Van eiser mag als politiefunctionaris worden verlangd dat hij zich onder diensttijd in uniform met een opvallende dienstauto in gezelschap van een jonge collega van dergelijke private intimiteiten als zoenen van niet nader relationeel met hem verbonden derden onthoudt. Hoe de intimiteiten door eiser zijn gekwalificeerd, acht de rechtbank niet relevant, nu eiser in beide gevallen heeft erkend dat hij de vrouwen heeft gezoend.

Zijdens eiser is aangevoerd dat hem de velgen- en bandenkwestie niet valt te verwijten, omdat hij de onjuistheid van zijn normschendend gedrag op het moment dat de handelingen werden verricht, niet zou hebben gekend. Eiser heeft overal geïnformeerd of de anderen het wisten. Uiteindelijk is hem geadviseerd: "Ik zou het op die manier doen. Vraag maar aan de sloper om toestemming.".

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel op eiser als politiefunctionaris een zelfstandige verantwoordelijkheid rust voor het maken van keuzes en daarbij het onderscheid te kunnen maken tussen hetgeen wel en hetgeen niet is toegestaan, is hier sprake van een situatie waarin niet specifiek voorschriften en/of richtlijnen bestaan met betrekking tot hoe om te gaan met auto's waarvan afstand is gedaan. Dat anderen hem hebben geadviseerd te handelen zoals hem nadien is verweten, geeft weliswaar geen rechtvaardiging voor zijn handelen, doch schetst een beeld dat bij de basiseenheid [standplaats] klaarblijkelijk een cultuur heerste waarin dergelijk verwijtbaar gedrag tot op zekere hoogte werd getolereerd. Dit beeld wordt versterkt door de saillante voorbeelden die eiser ter zitting ter sprake heeft gebracht, daargelaten of (al) deze voorbeelden op waarheid berusten. Gelet op het vorenoverwogene verdient de mate van verwijtbaarheid enige relativering, doch deze kan niet dienen als een rechtvaardiging voor de verweten gedraging. Immers, vast staat dat eiser geen toestemming heeft gevraagd aan het bevoegd gezag én het voorgenomen handelen hem ook is ontraden, zodat moet worden geconcludeerd dat eiser zelfstandig heeft gekozen voor de hem verweten gedragingen.

De drie eiser verweten gedragingen zijn eiser ook terecht toegerekend, nu de gedingstukken voldoende aanwijzingen bieden dat eiser bewust en weloverwogen tot de hem verweten gedragingen is gekomen. Van enige grond dat eiser deze gedragingen niet kunnen worden toegerekend, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf en heeft daaraan gevolg gegeven met de maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag.

Een zo zware straf kan alleen worden gerechtvaardigd door een (zeer) ernstig plichtsverzuim en/of door een (zeer) groot belang dat ermee is gemoeid voor verweerder.

Ten aanzien van de ernst van het verweten plichtsverzuim wordt als volgt overwogen. De banden- en velgenkwestie heeft verweerder terecht gekwalificeerd als zeer ernstig plichtsverzuim. Echter, de gedragingen bestaande uit het onder diensttijd afleggen van bezoeken als voormeld en het zich schuldig maken aan intimiteiten als voormeld, heeft verweerder ten onrechte aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Naar dezerzijds oordeel kunnen deze laatste gedragingen elk op zichzelf weliswaar worden gekwalificeerd als plichtsverzuim, doch zijn ze van een minder ernstig karakter.

Ten aanzien van de belangenafweging wordt het volgende overwogen. Eiser had moeten en kunnen beseffen dat in de mate van zelfstandigheid waarmee hij zijn werkzaamheden verrichtte een grote mate van vertrouwen ligt opgesloten en dat schending van dat vertrouwen op de wijze waarop dat in casu is geschied, hem ernstig moet worden aangerekend. Onkreukbaarheid en nauwgezetheid zijn eigenschappen die van elke ambtenaar mogen worden verlangd, maar voor eiser gold dat, gelet op zijn functie en positie als politiefunctionaris, wel in bijzondere mate. De gedragingen vonden plaats binnen de kring van werkzaamheden van eiser als politieambtenaar en in dat verband had hij gezien zijn functie en positie extra voorzichtigheid en zorgvuldigheid moeten betrachten. Door de gedragingen van eiser is niet alleen zijn betrouwbaarheid en plichtsbetrachting als werknemer twijfelachtig geworden, maar daardoor zijn ook de onkreukbaarheid en betrouwbaarheid van verweerders ambtenarenapparaat naar buiten in diskrediet geraakt. Het dossier biedt evenwel ook aanknopingspunten voor de conclusie dat het hier, zij het zeer ongelukkige, incidenten betrof. Buiten deze drie gedragingen, waarbij de rechtbank zoals voormeld het meeste gewicht toekent aan de banden- en velgenkwestie, is niet gebleken van eerder plichtsverzuim of gebrek aan integriteit in de 14 jaar durende staat van dienst van eiser bij de politie. Voorts acht de rechtbank van belang, dat ten tijde van de banden- en velgenkwestie -kerstmis 2003- geen (duidelijk) bevoegd gezag ter plaatse aanwezig was. De rechtbank is overigens overtuigd van de oprechtheid van eisers poging om door het vragen aan die collega's, die klaarblijkelijk ook niet precies wisten hoe hier correct te handelen, de rechtens juiste weg te volgen teneinde de eigendom van de banden en velgen te verkrijgen. Dat hij geen toestemming heeft gevraagd aan het bevoegd gezag, doet daar niet aan af.

Al het vorenstaande in ogenschouw nemende, lettende op de gevolgen van ontslag die voor eiser zeer ernstig zijn, daar de ontslaggrond het vinden van nieuw werk zeer moeilijk -om niet te zeggen vrijwel onmogelijk- maakt, en mede rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van eiser als toegelicht, acht de rechtbank de eiser verweten gedragingen niet zodanig ernstig dat daarop slechts de als ultimum remedium bedoelde straf van onvoorwaardelijk ontslag zou passen. Een straf waarbij eiser in zijn eigen functie, zoals het geval zou zijn bij een voorwaardelijk ontslag, dan wel in enige andere functie, waarbij verweerder overige maatregelen ten dienste staan, binnen de politieorganisatie zou worden gehandhaafd, acht de rechtbank hier meer op zijn plaats.

Op grond van alle voorgaande overwegingen moet het beroep van eiser voor gegrond worden gehouden. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met wegingsfactor 1 (zijnde € 322,00). Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Regiopolitie [regio];

bepaalt dat de Regiopolitie [regio] aan eiseres het door haar gestorte griffierecht van € 136,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), L.M.J.A. Dassen en M.M.Th. Coenegracht, in tegenwoordigheid van mr. N.I.B.M. Buljevic als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 26 mei 2005.

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.