Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT6388

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
30-05-2005
Zaaknummer
04 / 949 WW K1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2006:AV4198
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blijvend gehele weigering van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) [...]

Verweerder heeft verwijtbare werkloosheid in voormelde zin aanwezig geacht, kort weergegeven, omdat uit onderzoek bij de werkgeefster is gebleken dat de enige reden om ontslag op staande voet te geven en, na intrekking daarvan, ontbinding te vragen was gelegen in het -ondanks herhaalde waarschuwingen- regelmatig te laat dan wel zonder bericht in het geheel niet op het werk verschijnen van eiser.

Deze uitspraak heeft twee van belang zijnde aspecten:

1) zie r.o. 5.6 en 5.7 ivm overwegingen mbt de dringende reden als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW

2) zie r.o. 6.2 t/m 6.3 mbt proceskosten in bezwaar

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/271 met annotatie van A. Damsteegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 949 WW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 28 juni 2004,

kenmerk: B&B/EB/9.641.301052.00 zaaknr.48047.

Datum van behandeling ter zitting: 18 maart 2005

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 juni 2004 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 1 december 2003 ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft mr. N.B.P. Arets, advocaat te Roermond, namens eiser op daartoe aangevoerde gronden bij deze rechtbank beroep ingesteld met het verzoek om verweerder te veroordelen in de kosten van het bezwaar en beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift en de door verweerder ingezonden op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Van de kant van eiser zijn op 7 maart 2005 nog stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 maart 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Arets, voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

De feiten

1.1. Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Eiser, geboren op [...] 1952, is vanaf 1 mei 1968 werkzaam geweest als pluimvleeslachter bij […] B.V. te [plaats] (werkgeefster). Daarnaast heeft hij in de vorm van een eenmanszaak zonder personeel een café geëxploiteerd. In verband met door eiser gaandeweg ondervonden problemen om tijdig op het werk te verschijnen, is in overleg tussen eiser en de werkgeefster het dagelijkse aanvangstijdstip van het werk met een half uur verlaat en is overeengekomen om niet meer te werken op vrijdag. Bij brief van 19 februari 2002 is eiser door de directeur van zijn werkgeefster gewaarschuwd omdat hij in de voorafgaande maanden veelvuldig te laat op het werk was gekomen en zelfs zonder het te melden een week helemaal niet was verschenen. Onder verwijzing naar eerdere mondelinge waarschuwingen is eiser in die brief aangezegd dat in geval van herhaling ontslag op staande voet kan volgen. Bij brief van 21 juli 2003 van genoemde directeur is aan eiser meegedeeld dat hij per die datum op staande voet ontslagen is omdat hij, ondanks opnieuw herhaaldelijk mondeling te zijn gewaarschuwd, wederom enkele dagen zonder bericht niet op zijn werk is verschenen.

1.3. Nadat namens eiser de nietigheid van het ontslag op staande voet was ingeroepen en hij de werkgeefster in kort geding had doen dagvaarden met vordering om hem tot het werk toe te laten en loon te betalen, heeft de werkgeefster op 23 september 2003 een verzoekschrift tot ontbinding bij de kantonrechter te Roermond ingediend. Na verweer van eiser heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2003 -zonder toekenning van een vergoeding- ontbonden op de grond dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord, waarvan eiser volgens de kantonrechter geen verwijt is te maken.

Het bestreden besluit

2.1. Bij het bestreden besluit is verweerder, na in bezwaar aanvullend onderzoek te hebben laten verrichten, gebleven bij de in het primaire besluit van 1 december 2003 opgelegde maatregel van blijvend gehele weigering van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ingaande 1 oktober 2003. Verweerder heeft die maatregel gebaseerd op artikel 24, eerste lid, aanhef onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef onder a, van de WW, inhoudende dat de werknemer verplicht is om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, waarvan sprake is als hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

2.2. Verweerder heeft verwijtbare werkloosheid in voormelde zin aanwezig geacht, kort weergegeven, omdat uit onderzoek bij de werkgeefster is gebleken dat de enige reden om ontslag op staande voet te geven en, na intrekking daarvan, ontbinding te vragen was gelegen in het -ondanks herhaalde waarschuwingen- regelmatig te laat dan wel zonder bericht in het geheel niet op het werk verschijnen van eiser.

Gelet op de tegemoetkoming van de werkgeefster door de arbeidstijden van eiser per 1 januari 2002 aan te passen en de herhaalde waarschuwingen, waaronder de brief van 19 februari 2002 waarin met ontslag op staande voet is gedreigd, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het eiser duidelijk moet zijn geweest dat bij opnieuw te laat komen ontslag zou kunnen volgen. Verweerder heeft noch in het langdurige dienstverband noch in de wijze van functioneren of leeftijd van eiser reden gezien om diens gedragingen niet dan wel verminderd verwijtbaar te achten, zodat ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel is geweigerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts nog aangegeven dat hij geen sprake acht van dringende redenen in de zin van artikel 27, zesde lid, van de WW van een maatregel af te zien.

De gronden van het beroep

3.1. In beroep is namens eiser in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder niet binnen de -verlengde- termijn van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het bezwaarschrift heeft beslist, waardoor eiser in zijn belangen is geschaad. Voorts is betoogd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid en dat hij in dat verband te veel waarde heeft gehecht aan de brief van 19 februari 2002, waaraan de werkgeefster wegens het tijdsverloop geen aanspraak zou kunnen ontlenen en waarvan eiser zich in elk geval niet bewust zou zijn. Anderzijds zou verweerder juist te weinig gewicht hebben toegekend aan de omstandigheid dat er een zeer langdurig dienstverband was en dat de arbeidsverhouding vrijwel altijd goed is geweest. Eiser heeft wel erkend dat hij een aantal malen te laat op zijn werk is verschenen, maar de gemachtigde van eiser heeft als zijn visie te kennen gegeven dat eiser, gelet op genoemde factoren alsmede op de omstandigheid dat de directie van zijn werkgeefster wist dat de werksfeer in de laatste jaren van het dienstverband aanzienlijk was verslechterd maar daar geen maatregelen tegen heeft genomen, er geen rekening mee had hoeven te houden dat deze het dreigement van ontslag zou uitvoeren.

3.2. Voorts is namens eiser naar voren gebracht dat de oorzaak van het te laat op het werk verschijnen met name zou zijn gelegen in het feit dat hij aan een ernstige vorm van diabetes lijdt waardoor hij vaak verward is. Daartoe is onder meer een beroep gedaan op een tweetal brieven van zijn behandelend internist J.C. van der Loo, die beschrijft dat eiser begin mei 2004 met spoed is opgenomen nadat hij thuis was aangetroffen in een vrijwel volledige coma, en dat toen ernstige vaatproblemen, een status na alcoholabusus en een forse ontregelde diabetes mellitus zijn geconstateerd. De internist heeft aannemelijk geacht dat eiser al enkele jaren aan diabetes leed, maar dat dit niet eerder was vastgesteld omdat eiser zich nooit eerder tot een arts heeft gewend. Eiser zou in het verleden diverse keren van zijn fiets zijn gevallen, maar adviezen om naar de dokter te gaan hebben afgewimpeld, hetgeen ook verband zou houden met het feit dat hij alleenstaand is. Verder heeft de gemachtigde verwezen naar informatie van een medewerker van een belastingadvieskantoor waarin wordt beschreven dat eiser kort na het eindigen van zijn dienstbetrekking ook al in een verwarde toestand verkeerde.

3.3. Voor zover er toch sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid, is de gemachtigde van eiser van mening dat dit eiser niet in overwegende mate is te verwijten, zodat er grond zou zijn om de matigingsmogelijkheid van artikel 27, eerste lid, tweede volzin, van de WW te benutten. Zijn nalatigheid jegens de werkgeefster zou eiser in verband met zijn verwardheid namelijk slechts ten dele zijn aan te rekenen en bovendien zou de werkgeefster vanwege haar passieve opstelling in deze ook verwijt treffen. Zijn collega’s zouden zich de laatste periode van het dienstverband namelijk in toenemende mate denigrerend over hem zijn gaan uitlaten, maar de directie van zijn werkgeefster zou geen actie hebben ondernomen om daaraan een eind te maken.

3.4. Verder heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen dringende redenen om van de maatregel af te zien aanwezig heeft geacht. De maatregel zou namelijk onaanvaardbare financiële consequenties hebben, nu hij in verband met de eigendom van (uitsluitend) een huis geen enkele aanspraak op een andere uitkering heeft en hij inmiddels blijkens overgelegde bankafschriften begin februari 2005 € 37.700,-- en begin maart 2005 al meer dan € 39.400,-- rood stond. Ook zou de maatregel onaanvaardbare immateriële gevolgen hebben in verband met het feit dat eiser in mei 2004 na te zijn gevallen in verwarde toestand is opgenomen op de afdeling interne geneeskunde van het ziekenhuis in Weert en vervolgens in een verpleeghuis, en omdat het voor eiser geestelijk niet zou zijn te verwerken dat hij na 35 jaar werken zonder enig inkomen is komen te zitten.

Het verweer

4. In reactie op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd en overgelegd heeft verweerder een rapportage van de bezwaarverzekeringarts (bva) G.J.A. van Kasteren-van Delden van 2 september 2004 ingezonden. Daarin is aangegeven dat het feit dat eiser reeds jaren aan diabetes lijdt niet impliceert dat hij al die tijd ook verward is geweest. Nu eiser niet eerder medische hulp heeft ingeroepen, acht de bva niet aannemelijk dat de verwardheid van eiser al bestond gedurende de laatste periode van het dienstverband en acht zij daarin derhalve geen verontschuldiging gelegen voor het te laat op zijn werk verschijnen.

Het oordeel van de rechtbank

5.1. Op grond van de voorhanden gegevens merkt de rechtbank als vaststaand aan dat eiser gedurende enkele jaren vele keren te laat op zijn werk is verschenen en ook een aantal malen zonder enig bericht in het geheel niet is verschenen. Verder staat vast dat eiser er door de werkgeefster eenmaal schriftelijk en in niet mis te verstane bewoordingen op is gewezen dat in geval van herhaling ontslag op staande voet zou volgen. Ook ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de directeur van de werkgeefster, die zich in het dossier bevindt, dat ook in de periode kort voor het ontslag op staande voet nog mondelinge waarschuwingen zijn gegeven. Onder die omstandigheden moet een werknemer zich er, normaal gesproken, van bewust zijn dat het opnieuw te laat komen of helemaal niet verschijnen tot het eindigen van de dienstbetrekking zou kunnen leiden, waaraan een eventuele slechte verhouding met collega’s niet afdoet.

Te meer is er voor een werknemer reden om met bedoelde consequentie rekening te houden als, zoals zich in de zaak voordoet, juist met het oog op het voorkomen van te laat op het werk komen de werktijden zijn aangepast.

5.2. Minder duidelijk is voor de rechtbank in hoeverre het niet nakomen van de verplichting aan eiser is toe te rekenen. Aannemelijk is wel dat eiser reeds veel eerder aanzienlijke klachten als gevolg van diabetes en andere aandoeningen had, welke wellicht ook samenhingen met alcoholabusus. Ook is niet uitgesloten dat de door de behandelend internist geconstateerde verwardheid van eiser zich reeds ten tijde van het dienstverband voordeed. Het is dus niet onmogelijk dat het verzuim van eiser in feite het gevolg van ziekte was en dat hij te verward was, dan wel onvoldoende ziekte-inzicht had, om zich onder behandeling van een arts te laten stellen. De rechtbank hecht in zoverre waarde aan de rapportage van de bva dat er op grond daarvan van moet worden uitgegaan dat diabetes niet noodzakelijk verwardheid met zich meebrengt, maar zij acht dat rapport, dat slechts berust op lezing van het (beperkte) dossier, niet doorslaggevend voor de conclusie dat in dit concrete geval, waarin zich een al lang bestaande ernstig ontregelde diabetes voordoet, niet van een relevante mate van verminderde toerekenbaarheid sprake is.

5.3. Voor zover er al sprake is van toerekenbaarheid moet voorts worden beoordeeld of er grond is om het niet nakomen van de verplichting niet in overwegende mate verwijtbaar te achten. Daarbij speelt onder meer een rol of de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking (mede) op het conto van de werkgeefster moeten worden geschreven. Uit het onderzoek dat in de bezwaarfase bij de werkgeefster is ingesteld komt naar voren dat deze zeker niet onverhoeds, maar pas na diverse waarschuwingen tot ontslag is overgegaan, en dat deze ook bereid is geweest is om de werktijden van eiser aan te passen aan diens problemen.

Desalniettemin is de rechtbank er, bij gebreke van nadere gegevens, niet van overtuigd dat de werkgeefster bij nakoming van haar verplichtingen ingevolge de Arbeidsomstandighedenwet en de arbeidsovereenkomst niet had kunnen bewerkstelligen dat er verbetering was gekomen in het verzuimgedrag van eiser. Het is de rechtbank met name niet kunnen blijken of de werkgeefster haar Arbo-dienst heeft ingeschakeld om eiser te begeleiden bij diens problemen met het tijdig op het werk verschijnen.

5.4. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2000, USZ 2000/166), inhoudende dat het verplichte karakter en de verregaande consequenties van de maatregel die is verbonden aan verwijtbare werkloosheid, te meer nopen tot deugdelijk en zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden, brengt het voorgaande de rechtbank tot het oordeel dat verweerder nader onderzoek zal moeten doen zowel naar de mate waarin eiser het niet nakomen van de verplichting is toe te rekenen als naar de rol van de werkgeefster bij de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking. Het bestreden besluit dient dan ook wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5.5. Met het oog op het door verweerder te nemen nadere besluit overweegt de rechtbank nog het volgende betreffende de grief van eiser dat verweerder ten onrechte geen sprake heeft geacht van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW.

5.6. Volgens vaste jurisprudentie kunnen, gelet op de wetsgeschiedenis, dringende redenen als zojuist bedoeld slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel voor een verzekerde heeft. Eiser heeft aangegeven dat hij als gevolg van de maatregel van blijvend gehele weigering in grote financiële problemen is gekomen, hetgeen blijkt uit een debetsaldo op zijn bankrekening van bijna € 40.000,-- in maart 2005, terwijl hij niet voor enige uitkering in aanmerking komt. Eiser zou geen recht op bijstand hebben vanwege een te hoog eigen vermogen, uitsluitend bestaande in een eigen woning annex (kennelijk) klein café aan huis. De rechtbank concludeert dan ook dat er inderdaad sprake is van een ernstige financiële problematiek. Eisers leeftijd, aard en duur van zijn arbeidsverleden en de staat van zijn gezondheid duiden er voorts op dat hij een zeer zwakke positie op de arbeidsmarkt heeft, waardoor de kans groot is dat zijn werkloosheid geruime tijd zal duren. Voor het geval dat de blijvend gehele weigering in het nog te nemen nadere besluit wordt gehandhaafd, houdt de rechtbank het er daarom op basis van de thans beschikbare gegevens voor dat die maatregel tot onaanvaardbare gevolgen leidt. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat de (eventuele) mogelijkheid om door tegeldemaking of (verdere) bezwaring van de woning alsnog recht op bijstand te krijgen niet zonder meer de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van de maatregel wegneemt. Ook het feit dat eiser (nog steeds) een café drijft maakt het oordeel over de aanwezigheid van dringende redenen niet anders, nu uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat dit bedrijf in 2003 en 2004 een zeer beperkte omzet heeft gehad en geen reëel inkomen voor eiser heeft gegenereerd en niets erop wijst dat hij dit kan uitbouwen tot een zelfstandige bestaansvoorziening.

5.7. Voor het geval dat de uitkomst van de nieuwe heroverweging in bezwaar is dat, wegens niet in overwegende mate verwijtbaar zijn, de maatregel van verlaging van het uitkeringspercentage van 70 naar 35 gedurende een half jaar wordt opgelegd, komt het de rechtbank evenwel voor dat daaraan niet de eerderbedoelde dringende redenen zijn verbonden, nu de gevolgen van die maatregel immers veel minder verstrekkend zijn.

5.8. Nu uit het voorgaande reeds volgt dat het bestreden besluit in rechte geen standhoudt, behoeft de grief van eiser die erop is gericht dat genoemd besluit wordt vernietigd wegens het niet tijdig besluiten op het bezwaar geen bespreking meer.

De proceskosten

6.1. Naar aanleiding van het verzoek van eiser om verweerder alsnog te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure overweegt de rechtbank als volgt.

6.2. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Blijkens artikel 7:15, derde lid, van de Awb moet het verzoek worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Voorts is de rechtbank ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb zijn daarbij van toepassing verklaard en tevens is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop een kostenveroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6.3. Voormeld stelsel betreffende de proceskosten in de bezwaarfase impliceert dat indien in een besluit op bezwaar de gevraagde vergoeding niet is toegekend omdat het bezwaar ongegrond is verklaard, maar dat besluit in beroep door de rechtbank wordt vernietigd, de rechtbank slechts tot veroordeling in de proceskosten van de bezwaarprocedure kan overgegaan indien zich een situatie voordoet die is te kwalificeren als het herroepen van het in bezwaar bestreden besluit (het besluit in primo) wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van zodanige situatie is in elk geval (nog) geen sprake indien de uitspraak van de rechtbank ruimte laat voor het bestuursorgaan om na de vernietiging een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij het besluit in primo wordt gehandhaafd en dus niet wordt herroepen.

6.4. Weliswaar is in dit geval, gelet op het overwogene onder 5.2. tot en met 5.7, de kans dat de maatregel van blijvend gehele weigering wordt gehandhaafd niet groot, maar zulks is toch niet geheel uitgesloten. Derhalve gaat de rechtbank in deze uitspraak niet tot veroordeling van vergoeding van de proceskosten in bezwaar over. Verweerder zal in het te nemen besluit op bezwaar alsnog op het in het oorspronkelijke bezwaarschrift gedane verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure moeten beslissen.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder wel op grond van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden begroot op € 644,--.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiser neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank tot een bedrag van € 644,-- (betreffende de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden aan eiser door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van D.F.M. Crombach als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 3 mei 2005.

KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.