Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT6117

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
66190 / FA RK 05 - 226
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op artikel 21 Kinderontvoeringsverdrag. Verzoek tot nakoming, wijziging c.q. uitbreiding van bestaande internationale omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/99 met annotatie van A.E. Oderkerk onder «JPF» 2005/59
JIN 2005/270
RFR 2005, 101

Uitspraak

Zaaknummer : 66190/FA RK 05-226, sector civielrecht.

Uitspraak : 25 mei 2005.

B E S C H I K K I N G

van de rechtbank Roermond

op het op 23 februari 2005 binnengekomen verzoekschrift van

De centrale autoriteit,

gevestigd te 2511 EX 's-Gravenhage, Schedeldoekshaven 100 ,

hierna te noemen de centrale autoriteit,

mede namens:

[de vader],

wonende te [woonplaats], [adres], Duitsland,

hierna te noemen de vader.

Als belanghebbende merkt de rechtbank aan:

[de moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. A.S. Sanders-Sijbom,

procureur: mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

De rechtbank merkt tevens als belanghebbende aan de minderjarige:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Het verloop van de procedure:

Dit blijkt uit het navolgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 23 februari 2005;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 26 april 2005;

- de mondelinge behandeling welke heeft plaatsgevonden op 27 april 2005 en waarvan de griffier aantekening heeft gehouden.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

- de centrale autoriteit, vertegenwoordigd door mevrouw mr. S.A.M. Oostvogels;

- de vader;

- mevrouw [achternaam], tolk in de Duitse taal die, na de belofte te hebben afgelegd, al hetgeen ter terechtzitting is besproken of voorgehouden ten behoeve van de vader heeft vertaald;

- de moeder, bijgestaan door mevrouw mr. A.S. Sanders-Sijbom;

- mevrouw [achternaam], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

De vertegenwoordiger van de centrale autoriteit heeft ter terechtzitting een pleitnota overgelegd.

Vaststaande feiten:

Vader en moeder hebben een affectieve relatie gehad, waaruit op [geboortedatum] [de minderjarige] is geboren. Omstreeks juli 2000 heeft moeder de vader verlaten en is samen met [de minderjarige] naar Nederland teruggekeerd. Bij uitspraak van het Amtsgericht Neuwied van 21 augustus 2001 is de moeder alleen met het gezag over [de minderjarige] belast en is er een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld in die zin, dat de vader een keer per veertien dagen van vrijdag 15.00 uur tot de daaropvolgende zondag 18.00 uur [de minderjarige] bij zich mag nemen. Bedoelde uitspraak is in hoger beroep bekrachtigd door het Oberlandesgericht Koblenz bij uitspraak van 19 december 2001. Ten behoeve van de uitvoering van de vastgestelde omgangsregeling is zowel de vader als de moeder verhuisd naar een plaats aan zijn of haar kant van de Duits-Nederlandse grens, die zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de ander is gelegen.

Het verzoek:

De centrale autoriteit verzoekt de rechtbank díe aanpak voor de behandeling van dit verzoek te kiezen en díe beslissing op het verzoek te nemen, die zij meent dat het meest in het belang van [de minderjarige] is.

De centrale autoriteit heeft ter toelichting het volgende gesteld:

Het verzoek is gebaseerd op het (Haags) Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: het Verdrag), dat tot doel heeft de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van minderjarigen die ongeoorloofd zijn overgebracht van de ene naar de andere verdragsstaat. Ter voorkoming van een dergelijke internationale ontvoering opent artikel 21 van het Verdrag de mogelijkheid voor verzoeken betreffende een internationale omgangsregeling. Zowel Nederland als Duitsland zijn partij bij het Verdrag.

Omdat zich tussen de ouders problemen rond de omgangsregeling zouden voordoen heeft de vader door tussenkomst van de Duitse centrale autoriteit op 29 november 2002 een beroep gedaan op het Verdrag. De (Nederlandse) centrale autoriteit heeft hierop ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet behorende bij het (Haags) Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: Uitvoeringswet) bij brief van 3 januari 2003 de moeder verzocht om vrijwillig aan de wensen van de vader te voldoen. De moeder heeft hierop in haar reactie van 18 februari 2003 gemotiveerd laten weten, dat volgens haar de door de Duitse kinderrechter bestaande omgangsregeling ruim voldoende was en dat zij de door de vader gewenste uitbreiding niet realiseerbaar achtte. De centrale autoriteit heeft vervolgens het door de vader gewenste “Zwei Zuhause-Modell” op 14 maart 2003 voorgelegd aan de raad voor de kinderbescherming te Roermond, met het verzoek aan te geven wat dit Modell inhield en met het verzoek om antwoord te geven op de vraag of invoering daarvan in het belang van [de minderjarige] was of kon zijn. De raad voor de kinderbescherming heeft hierop bij briefrapport van 20 juni 2003 bericht dat het “Zwei Zuhause-Modell” – in Nederland bekend als co-ouderschap – een goede verstandhouding en voldoende communicatie tussen ouders vereist en dat nu juist die communicatie hier te wensen overlaat, hetgeen door beide ouders wordt erkend. De raad voor de kinderbescherming heeft vervolgens geconcludeerd, dat een vorm van co-ouderschap niet in het belang van [de minderjarige] geacht moet worden, omdat de noodzakelijke voorwaarden daarvoor ontbreken.

Om verbetering in die situatie te bewerkstelligen is vader in augustus 2003 voorgesteld om zich voor mediation aan te melden bij de Stichting Wel.kom te Venlo. De moeder was daar als cliënte al bekend. Naar aanleiding van het briefrapport van de raad voor de kinderbescherming heeft vader door tussenkomst van de Duitse centrale autoriteit bij brief van 10 februari 2004 het door hem gewenste “Zwei Zuhause-Modell” laten varen, maar heeft hij zijn verzoek tot aanvulling en uitbreiding van de bestaande omgangsregeling gehandhaafd. Hierop is de vader in augustus 2004 opnieuw in overweging gegeven zich tot de Stichting Wel.kom te wenden. Toen bleek, dat dit niet het gewenste resultaat opleverde, besloot de centrale autoriteit de zaak ter beslissing aan de rechtbank voor te leggen.

Het verweer van moeder tevens houdende zelfstandig verzoek:

De moeder verzoekt de rechtbank de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek af te wijzen en om met ingang van 1 januari 2001 of met ingang van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum de vader te veroordelen tot het betalen van een kinderbijdrage van € 750,-- per maand of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

Volgens de moeder moet de centrale autoriteit niet-ontvankelijk verklaard worden in haar verzoek tot uitbreiding c.q. vaststelling van een omgangsreling tussen de vader en [de minderjarige], omdat de aard van het Verdrag zich daartegen verzet. Volgens de moeder heeft het Verdrag tot doel in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren en om procedures vast te stellen, die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar de Staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft. Het Verdrag heeft tevens tot doel het omgangsrecht te verzekeren. Nu er geen sprake is van kinderontvoering noch van ongeoorloofd overbrengen van [de minderjarige], is de hiervoor genoemde eerste doelstelling niet van toepassing. De tweede doelstelling is volgens de moeder evenmin van toepassing aangezien er door de Duitse rechter al een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] is vastgesteld en deze regeling in de praktijk wordt nagekomen.

De hiervoor door de moeder verzochte kinderbijdrage is gebaseerd op artikel 5 lid 2 van het EEX-verdrag. Sinds de moeder in juli 2000 met [de minderjarige] naar Nederland is vertrokken, heeft zij alle kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zelf betaald. Hoewel zij de financiële situatie van de vader niet kent, is zij van mening, dat hij de door haar verzochte kinderbijdrage van € 750,-- kan betalen. Naar huidige maatstaven bedroeg volgens de moeder tijdens de samenleving het besteedbaar gezinsinkomen € 4.000,--.

Standpunten ter terechtzitting:

5.1 De vertegenwoordiger van de centrale autoriteit heeft ter terechtzitting volhard bij de inhoud van het ingediende verzoekschrift. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger het standpunt van de centrale autoriteit toegelicht aan de hand van een ter terechtzitting overgelegde pleitnota, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden

beschouwd. Volgens de pleitnota verzoekt de centrale autoriteit thans de rechtbank om de raad voor de kinderbescherming een “pilot-onderzoek” te vragen, of iedere andere vorm van onderzoek die zij voor meer geschikt houdt, in het kader waarvan wordt bezien wat in het belang van [de minderjarige] het beste is en of als middel tot het doel een mediation zou kunnen worden beproefd en/of een aanvullende omgangsregeling moet worden vastgesteld.

Omdat het verweerschrift van de moeder eerst de dag voor de mondelinge behandeling door de centrale autoriteit is ontvangen, zijn de reacties op de door de moeder in haar verweerschrift aangevoerde formele bezwaren niet in de pleitnota verwerkt.

Gelet daarop heeft de vertegenwoordiger van de centrale autoriteit als aanvulling op de pleitnota ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, verklaard:

“De centrale autoriteit betwist, dat zij de doelstelling van het Verdrag heeft overschreden. Op grond van artikel 21 van het Verdrag is de centrale autoriteit bevoegd om de onderhavige kwestie namens de vader aan de rechter voor te leggen. Volgens de centrale autoriteit moet artikel 21 van het Verdrag niet restrictief worden uitgelegd. Volgens de centrale autoriteit vallen onder de werking van artikel 21 van het Verdrag zowel de vaststelling van een nieuwe omgangsregeling, als een uitbreiding en de nakoming van een bestaande omgangsregeling. Het onderhavige verzoek is erop gericht om tot een aanvulling op dan wel uitbreiding van een bestaande omgangsregeling te komen. Gelet daarop is de centrale autoriteit van mening, dat zij ontvangen kan worden in haar verzoek. Volgens de centrale autoriteit is de door haar gekozen werkwijze niet in strijd met een eerlijke procesgang als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er behoeft niet altijd sprake te zijn van een internationale ontvoering om een beroep te kunnen doen op het Verdrag. Artikel 21 biedt een ouder de mogelijkheid om in kwesties als de onderhavige in persoon of door tussenkomst van de centrale autoriteit in zijn land van herkomst de centrale autoriteit van een andere Verdragsluidende Staat te benaderen. Een beroep op artikel 21 van het Verdrag wordt uit preventief oogpunt gedaan. Het is erop gericht om een ontvoering te voorkomen. Ten aanzien van het verwijt van de moeder, dat de centrale autoriteit eenzijdig de raad voor de kinderbescherming heeft benaderd, is de centrale autoriteit van mening, dat zij daartoe op grond van de bepalingen in de Uitvoeringswet gerechtigd is. Ten aanzien van de door de moeder gemaakte opmerking over de gratis rechtshulp van de vader, is de centrale autoriteit van mening dat ook voor de moeder de mogelijkheid bestaat om een beroep te doen op rechtsbijstand op basis van een toevoeging. De centrale autoriteit heeft een uitvoerig verzoekschrift ingediend om de moeder niet voor verrassingen te plaatsen en om haar zo volledig mogelijk te informeren. De centrale autoriteit is in haar verzoekschrift uitvoerig ingegaan op de mogelijkheid van mediation tussen de ouders, omdat de centrale autoriteit daar een voorstander van is en zij op grond van artikel 7 van het Verdrag daartoe gehouden is. Ten aanzien van de door de moeder verzochte kinderbijdrage is de centrale autoriteit niet bevoegd namens de vader op te treden.”

5.2 De vader heeft ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, verklaard:

“In 2001 is er door de Duitse rechter een omgangsregeling vastgesteld, die inhoudt dat ik iedere veertien dagen gedurende een weekend omgang met [de minderjarige] mag hebben. Bedoelde regeling loopt goed, maar ik ben van mening dat de omgangsregeling niet meer voldoet. De oude regeling dateert van bijna vier jaar geleden toen [de minderjarige] nog geen twee jaar was. Voor de gronden van mijn verzoek verwijs ik naar de inhoud mijn brieven, die door de centrale autoriteit als producties bij haar verzoekschrift zijn gevoegd. Het klopt, dat ik buiten de bestaande omgangsregeling om met de moeder incidenteel afspraken heb gemaakt. Het klopt, dat ik drie keer per week [de minderjarige] opbel.”

5.3 De moeder heeft ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, verklaard:

“Ik volhard bij de inhoud van het ingediende verweerschrift. Volgens mij heeft de vader zijn oorspronkelijk beoogde co-ouderschap nog steeds niet laten varen. Wel heeft hij in het kader van de onderhavige procedure zijn oorspronkelijke verzoek afgezwakt. Naar aanleiding van een bemiddelingspoging in Duitsland heeft de mediator uiteindelijk geconcludeerd, dat de vader en ik niet te bemiddelen zijn. Ik ben geschrokken van het door de centrale autoriteit ingediende verzoekschrift, omdat niet alleen de door de Duitse rechter vastgestelde omgangsregeling wordt nagekomen, maar [de minderjarige] de afgelopen jaren meermaals buiten de bestaande regeling om bij haar vader is geweest. Op mijn initiatief zijn er met de vader afspraken gemaakt over de omgang tussen [de minderjarige] en haar vader tijdens de vakanties. Per vakantie worden er afzonderlijke afspraken gemaakt. Daarnaast heeft de vader drie keer per week telefonisch contact met [de minderjarige]. Ten aanzien van de bestaande omgangsregeling kan ik nog opmerken, dat [de minderjarige] om 18.30 uur wordt teruggebracht in plaats van om 18.00 uur. Dit gebeurt zo omdat de vader [de minderjarige] pas op vrijdag na schooltijd om 15.30 uur kan meenemen. Volgens mij heeft de centrale autoriteit zich door de vader laten gebruiken. Ik weet dat [de minderjarige] gek is op haar vader en ik wil [de minderjarige] haar vader ook niet onthouden. Ik wil echter dat er een einde komt aan de sinds de geboorte van [de minderjarige] gevoerde procedures. Ik wil benadrukken dat ik niet begrijp wat er thans in strijd met het belang van [de minderjarige] gebeurt.”

5.4 De vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming heeft ter terechtzitting verklaard, dat er in de onderhavige procedure geen rol voor de raad is weggelegd. Volgens de raad schort de uitvoering van de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] slechts aan kleine details die gemakkelijk tussen de ouders opgelost hadden kunnen worden. Volgens de raad zou er een bemiddelingstraject kunnen worden gevolgd, waarbij aandacht wordt geschonken aan de wijze van communiceren tussen ouders en de verwachtingspatronen van de ouders. De raad voor de kinderbescherming kan zelf geen langdurig bemiddelingstraject aanbieden.

Het oordeel van de rechtbank

6.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel Nederland als Duitsland partij zijn bij het

Verdrag.

6.2 Gelet op het bepaalde in artikel 1 heeft het Verdrag tot doel:

a. de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat;

b. het in een Verdragsluitende Staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere Verdragsluitende Staten te doen eerbiedigen.

Volgens de toelichting op bedoeld artikel dient de eerbiediging van het gezags- en omgangsrecht bezien te worden in samenhang met de onmiddellijke terugkeer van het ontvoerde kind. Het heeft in zekere zin een preventief karakter: een juiste naleving van het gezagsrecht en in het bijzonder van het omgangsrecht vermindert de kans op ontvoering.

6.3 Op grond van het bepaalde in artikel 21 lid 1 van het Verdrag kan een verzoek dat de regeling of de bescherming van de feitelijke uitoefening van het bezoekrecht beoogt, op dezelfde wijze als een verzoek dat de terugkeer van het kind beoogt, aan de centrale autoriteit van een Verdragsluitende Staat worden gericht.

6.4 De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geciteerde wetsartikelen uit het Verdrag

van toepassing zijn op de door de centrale autoriteit aan de rechtbank voorgelegde casus. Kort samengevat betreft de casus een verzoek tot uitbreiding van een door de Duitse rechter tot in hoger beroep vastgestelde omgangsregeling tussen [de minderjarige] en haar vader. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en op grond van de inhoud van de overgelegde stukken, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden geconcludeerd, dat de bestaande omgangsregeling in de praktijk – ruimhartig – wordt nageleefd. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank artikel 21 van het Verdrag niet restrictief bedoeld is, dient het door de centrale autoriteit ingediende verzoek evenwel te worden gekwalificeerd als een te extensieve interpretatie van bedoeld artikel. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de door de centrale autoriteit beoogde uitbreiding van de bestaande omgangsregeling de grenzen van de met artikel 1 juncto 21 van het Verdrag beoogde doelstelling te buiten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel, dat de centrale autoriteit niet ontvangen kan worden in haar verzoek.

6.5 Nu de centrale autoriteit niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar verzoek, dient naar het oordeel van de rechtbank het door de moeder ingediende zelfstandige verzoek dit lot te delen. Gelet hierop zal de rechtbank beslissen als hierna te melden.

B e s l i s s i n g

De rechtbank:

verklaart de centrale autoriteit niet-ontvankelijk in haar verzoek;

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar bij verweerschrift gedaan zelfstandig verzoek.

Deze uitspraak is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, kinderrechter, A.M.G. Smit en A.H.M.J.F. Piëtte en ter openbare civiele terechtzitting van 25 mei 2005 uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

type: JvdK

coll:

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch binnen twee weken na de dag van deze uitspraak.