Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT5625

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
04/060766-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen, welke voorbereidingshandelingen uiteindelijk dienden te leiden tot het in brand steken van de moskee te Venray. Een en ander vond plaats, enkele dagen nadat Theo van Gogh gewelddadig om het leven was gebracht en zeer kort nadat in het Haagse Laakkwartier door de politie enkele personen waren gearresteerd die verdacht werden van terroristische activiteiten. In de dagen voorafgaand aan de door verdachte en haar mededaders gepleegde strafbare feiten hebben voorts meerdere pogingen tot brandstichtingen van islamitische gebedshuizen en instellingen plaatsgevonden en ook werden meerdere malen bedreigingen geuit aan het adres van dergelijke instellingen. In de Nederlandse samenleving leefden alom gevoelens van onrust en onveiligheid. De activiteiten van verdachte en zijn mededaders vinden hun grondslag in de zojuist genoemde gebeurtenissen, en hadden naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend tot doel om een (negatieve) bijdrage te leveren aan de reeds ontstane onrust en deze aldus te vergroten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/060766-04

: 04/860082-05 (ttz.gev.)

Uitspraak d.d. : 9 mei 2005

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 te Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 maart 2005, 22 maart 2005 en 25 april 2005.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na nadere omschrijving van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

In de zaak met parketnummer 060766-04:

hij op of omstreeks 11 november 2004, in elk geval in of omstreeks de maand november 2004, in de gemeente Venray, in elk geval in het arrondissement Roermond,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/aan een (op of aan de Kiosk te Venray gelegen) moskee, althans gebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was,

met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- tien, in elk geval een of meer, zogenaamde "molotovcocktails", bestaande (elk) uit een met motorbenzine en een olie- of vetachtige substantie gevulde fles, voorzien van een lapje textiel dienende als lont, met behulp van een trechter, heeft vervaardigd en/althans (vervolgens)

-zich met vier, in elk geval een of meer, zogenaamde "molotovcocktails", bestaande (elk) uit een met motorbenzine en een olie- of vetachtige substantie gevulde fles, voorzien van een lapje textiel dienende als lont, en een aansteker in een (personen)auto naar die moskee, althans dat gebouw, heeft begeven en/althans op de weg, de Kiosk, - in de (directe) nabijheid van die moskee althans dat gebouw - heeft bevonden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 157 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 november 2004, in elk geval in of omstreeks de maand november 2004, in de gemeente(n) Meerlo-Wanssum, Horst en Venray, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke brandstichting in/aan een (op of aan de Kiosk te Venray gelegen) moskee, althans gebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, opzettelijk (een) voorwerp(en) en/of stof(fen) kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad,

hierin bestaande, dat hij, verdachte, en/althans zijn mededader(s) opzettelijk:

- een hoeveelheid motorbenzine en/of een olie- of vetachtige substantie, een of meer fles(sen), een of meer lapje(s) textiel, een of meer trechter(s) en een aansteker, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, hebben/heeft verworven en/of voorhanden hebben/heeft gehad, en/althans

- tien, in elk geval een of meer, zogenaamde "molotovcocktails", bestaande (elk) uit een met motorbenzine en een olie- of vetachtige substantie gevulde fles, voorzien van een lapje textiel dienende als lont, gevuld met behulp van een trechter, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, hebben/heeft vervaardigd en/althans (vervolgens)

- vier, in elk geval een of meer, zogenaamde "molotovcocktails", bestaande (elk) uit een met motorbenzine en een olie- of vetachtig substantie gevulde fles, voorzien van een lapje textiel dienende als lont, en een aansteker in een (personen)auto op de weg, de Kiosk, - in de (directe) nabijheid van die moskee althans dat gebouw -, een en ander kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben/heeft gehad;

(art. 46 juncto art. 157 van het Wetboek van Strafrecht)

De rechtbank is van oordeel dat de formulering in het subsidiair, onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde, taalkundig niet correct is weergegeven, maar dat wel volstrekt duidelijk is wat de steller van de tenlastelegging heeft bedoeld uit te drukken, zodat de rechtbank de tenlastelegging zal lezen als hierboven weergegeven.

De rechtbank corrigeert een en ander als kennelijke misslag.

De rechtbank voegt in het subsidiair gedeelte van de tenlastelegging, achter de woorden “arrondissement Roermond”, de woorden: “ tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen”, toe.

De rechtbank ziet het weglaten van deze bewoordingen als een kennelijk misslag, gelet op de daaronder weergegeven verfeitelijking, in welke verfeitelijking gesproken wordt over “mededader(s)” en het feit dat onder het primaire deze woorden uitdrukkelijk wel in de tenlastelegging zijn opgenomen.

Ten behoeve van de leesbaarheid van het subsidiair gedeelte van de tenlastelegging voegt de rechtbank enkele komma’s toe:

- eerste gedachtestreepje, achter “aansteker” en “misdrijf”;

- tweede gedachtestreepje, achter “misdrijf”;

- derde gedachtestreepje, achter “gebouw – “en “misdrijf”;

In de zaak met parketnummer 860082-05

1. hij op of omstreeks 12 september 2004 te Meterik, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuin (van een op of aan de Past. Notermansstraat gelegen woning) heeft weggenomen twee althans een betonnen siergan(s)(zen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s);

(art. 311 van het Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 11 november 2004 te Tienray, in elk geval in de gemeente Meerlo-Wanssum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 369 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 3 van de Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 april 2005 gevorderd dat in de zaak met parketnummer 04/060766-04 het primair tenlastegelegde, en het in de zaak met parketnummer 04/860082-05 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, de in de zaak met parketnummer 04/060766-04 primair tenlastegelegde, poging niet bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 04/060766-04 primair is ten laste gelegd.

In het bijzonder acht de rechtbank het onderdeel poging niet bewezen.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04/060766-04 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 04/860082-05 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 04/070766-04:

hij op of omstreeks 11 november 2004, in de gemeenten Horst en Venray, tezamen en in vereniging met anderen,

ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke brandstichting in/aan een op of aan de Kiosk te Venray gelegen moskee, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, opzettelijk voorwerpen en stoffen kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad,

hierin bestaande, dat hij, verdachte, en zijn mededaders opzettelijk:

- een hoeveelheid motorbenzine en/of een olie- of vetachtige substantie, flessen, lapjes textiel, een trechter en een aansteker, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben gehad, en

- tien zogenaamde "molotovcocktails", bestaande elk uit een met motorbenzine en een olie- of vetachtige substantie gevulde fles, voorzien van een lapje textiel dienende als lont, gevuld met behulp van een trechter, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, hebben vervaardigd en vervolgens

- vier zogenaamde "molotovcocktails", bestaande elk uit een met motorbenzine en een olie- of vetachtig substantie gevulde fles, voorzien van een lapje textiel dienende als lont, en een aansteker in een personenauto op de weg, de Kiosk, - in de directe nabijheid van die moskee -, een en ander kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben gehad;

In de zaak met parketnummer: 860082-05:

1. hij op 12 september 2004 te Meterik, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuin van een op of aan de Past. Notermansstraat gelegen woning heeft weggenomen twee betonnen sierganzen, toebehorende aan [benadeelde];

2. hij op 11 november 2004 te Tienray, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 369 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

8.2 Bijzondere overweging en omtrent het bewijs

De raadsvrouw is van oordeel dat er van een poging tot brandstichting geen sprake is. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat, wanneer iemand het voornemen heeft opgevat om een moskee in brand te steken, hij in zijn auto naar die moskee rijdt en daar door de politie wordt aangehouden, niet kan worden gezegd dat hij door deze handeling een begin van uitvoering heeft gegeven aan die brandstichting. Deze handeling kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.

De raadsvrouw verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 september 1987, vindplaats NJ1988/612.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte, samen met één van zijn medeverdachten, met een auto naar de moskee in Venray is gereden. Kort tevoren hadden verdachte en de betreffende medeverdachte afgesproken dat zij bij de moskee zouden kijken of er iemand (in de buurt) aanwezig zou zijn, en dat, indien dit niet het geval zou zijn, zij de meegebrachte molotovcocktails naar de moskee zouden gooien. Toen zij bij de moskee aankwamen zagen zij een opvallende politieauto nabij de moskee staan, waarop verdachte en zijn medeverdachte zijn doorgereden. Korte tijd later werden zij door de politie aangehouden.

De handelingen die verdachte en zijn medeverdachte hebben verricht kunnen naar het oordeel van de rechtbank, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, niet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

Het onderdeel “poging” in de tenlastelegging kan dan ook niet worden bewezen.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het primair tenlastegelegde.

9.1. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van parketnummer 04/060766-04 subsidiair:

Medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 157 juncto 46 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860082-05 feit 1:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/860082-05 feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat -blijkens rapportage van drs. F. van Nunen, klinisch psycholoog, d.d. 18 februari 2005- bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis (nao) met onder meer afhankelijke en theatrale kenmerken. Verder is er sprake van afhankelijkheid van verschillende middelen. Verdachte moet voor het aan hem tenlastegelegde als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

11. De straffen en/of maatregelen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 25 april 2005 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van medeplegen van poging tot brandstichting zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouw heeft primair geconcludeerd tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 04/060766-04 primair tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan een gedeelte voorwaardelijk, passend is. De raadsvrouw heeft zich daarbij gebaseerd op uitspraken van de rechtbank Leeuwarden d.d. 8 maart 2005 waarin een verdachte is veroordeeld ter zake van poging tot brandstichting van een moskee tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk en van de rechtbank te Breda waarin een verdachte is veroordeeld ter zake van poging tot brandstichting van een moskee tot 1 jaar gevangenisstraf waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

11.1 De algemene overwegingen van de rechtbank

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straffen en maatregel behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen, welke voorbereidingshandelingen uiteindelijk dienden te leiden tot het in brand steken van de moskee te Venray. Een en ander vond plaats, enkele dagen nadat Theo van Gogh gewelddadig om het leven was gebracht en zeer kort nadat in het Haagse Laakkwartier door de politie enkele personen waren gearresteerd die verdacht werden van terroristische activiteiten. In de dagen voorafgaand aan de door verdachte en haar mededaders gepleegde strafbare feiten hebben voorts meerdere pogingen tot brandstichtingen van islamitische gebedshuizen en instellingen plaatsgevonden en ook werden meerdere malen bedreigingen geuit aan het adres van dergelijke instellingen. In de Nederlandse samenleving leefden alom gevoelens van onrust en onveiligheid. De activiteiten van verdachte en zijn mededaders vinden hun grondslag in de zojuist genoemde gebeurtenissen, en hadden naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend tot doel om een (negatieve) bijdrage te leveren aan de reeds ontstane onrust en deze aldus te vergroten. De rechtbank rekent dit verdachte en zijn medeverdachten zwaar aan.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de hiervoor onder 10. aangeduide rapportage d.d. 18 februari 2005 van de klinisch psycholoog drs. F. van Nunen.

De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn vermeld in het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de GGZ-groep Noord- en Midden-Limburg, Justitiële Verslavingszorg Limburg d.d. 1 maart 2005 en het daarin vermelde advies, en zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. In het advies van de GGZ-groep wordt geadviseerd om een gedeeltelijk voorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden, dat verdachte zich zal houden aan de richtlijnen van de Justitiële Verslavingszorg;

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd en een hogere straf dan door de verdediging is bepleit, nu de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op de persoon van verdachte, de hierna te melden straf meer passend acht.

Met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

11.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met behulp van die voorwerpen het feit is voorbereid.

In de zaak met parketnummer 04/060766-04:

04-006613 1 1.00 STK Brief Kl:wit, met kruizen en recept voor het maken v.e. brandbom

04-006613 2 1.00 STK Kleding Kl:grijs, trui, waarvan een stuk stof afgescheurd is

04-006613 3 1.00 STK Olie, leeg flesje lampenolie

04-006613 4 1.00 FLS Fles, leeg flesje wasbenzine

04-006613 5 1.00 STK Verf Kl:rood, potje verg bordeaux rood

04-006613 6 1.00 STK Hout Kl:bruin, houten roerstokje

04-006613 7 1.00 STK Trechter Kl:oranje

04-006613 10 1.00 STK Trechter Kl:grijs, plastic

04-006613 11 1.00 FLS Fles Kl:blauw, spiritus

04-006613 12 1.00 STK Kan Kl:blauw, motorolie

11.4 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het navolgende inbeslaggenomene dient te worden onttrokken aan het verkeer:

In de zaak met parketnummer 04/060766-04:

04-006613 13 4.00 FLS Fles Kl:Bruin, GROLSCH BEUGELFLES, incl. brandbare vloeistof en lont;

In de zaak met parketnummer 04/860082-05:

7 1.00 STK Gasaansteker, kleur grijs, gelijkend op een Smith & Wesson 16 K-32

8 1.00 STK wapen, wurgstokken

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien die voorwerpen tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd, terwijl die voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 46, 47, 57, 91, 310, 311

Opiumwet art. 3, 11

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04/060766-04 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaken met parketnummer 04/060766-04 subsidiair en parketnummer 04/850082-04 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 1 jaar niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de GGZ Groep Noord- en Midden-Limburg, Justitiële Verslavingszorg Limburg, -ook als dat inhoudt een ambulante behandeling door een door de Justitiële Verslavingszorg Limburg aan te wijzen instelling gedurende de maximale periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars-, zolang deze instelling dat noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

verklaart verbeurd:

In de zaak met parketnummer 04/060766-04

04-006613 1 1.00 STK Brief Kl:wit, met kruizen en recept voor het maken v.e. brandbom

04-006613 2 1.00 STK Kleding Kl:grijs, trui, waarvan een stuk stof afgescheurd is

04-006613 3 1.00 STK Olie, leeg flesje lampenolie

04-006613 4 1.00 FLS Fles, leeg flesje wasbenzine

04-006613 5 1.00 STK Verf Kl:rood, potje verg bordeaux rood

04-006613 6 1.00 STK Hout Kl:bruin, houten roerstokje

04-006613 7 1.00 STK Trechter Kl:oranje

04-006613 10 1.00 STK Trechter Kl:grijs, plastic

04-006613 11 1.00 FLS Fles Kl:blauw, spiritus

04-006613 12 1.00 STK Kan Kl:blauw, motorolie

verklaart onttrokken aan het verkeer:

In de zaak met parketnummer 04/060766-04:

04-006613 13 4.00 FLS Fles Kl:Bruin, GROLSCH BEUGELFLES, incl. brandbare vloeistof en lont;

In de zaak met parketnummer 04/860082-05:

9 1.00 STK Gasaansteker, kleur grijs, gelijkend op een Smith & Wesson 16 K-32

10 1.00 STK wapen, wurgstokken

Vonnis gewezen door mrs. W.P.C.M. Bruinsma, E.P.J. Rutten en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. W.P.C.M. Bruinsma voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 9 mei 2005.