Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AT4380

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
64200 / HA ZA 04 - 920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing onteigening ivm ontbreken dringende behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 13 april 2005

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres:

GEMEENTE VENRAY,

zetelende te Venray,

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen;

tegen:

gedaagden:

De erven van [overledene],

te Venray,

procureur: mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

Het verloop van de procedure:

Eiseres (verder: de gemeente) heeft op 18 juni 2004 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd de onteigeningsstukken als bedoeld in artikel 89 van de Onteigeningswet.

Bij beschikking van 15 september 2004 van deze rechtbank is mr. Chr.H. Noordhuis, advocaat en procureur te Roermond, benoemd tot derde als bedoeld in de zin van artikel 20 van de Onteigeningswet voor de op [datum van overlijden] te [plaats van overlijden] overleden [overledene].

Bij exploot van 15 oktober 2004 heeft de gemeente mr. Noordhuis qq voor deze rechtbank gedagvaard.

Op 21 oktober 2004 heeft de gemeente de aan mr. Noordhuis qq uitgebrachte dagvaarding betekend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jansen Bouwontwikkeling BV te Wijchen onder de mededeling dat deze in haar hoedanigheid van hypotheekhoudster in de onteigeningsprocedure kan tussenkomen.

Bij akte van 27 oktober 2004 hebben gedaagden (verder: de erven [gedaagden]) verklaard dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 20, tweede lid, van de Onteigeningswet, zodat de dagvaarding als aan hen geschied wordt beschouwd en het geding tegen hen wordt gevoerd

De erven [gedaagden] hebben voor antwoord geconcludeerd.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 25 februari 2005, waartoe producties en pleitaantekeningen in het geding zijn gebracht.

Het geschil en de beoordeling:

De gemeente vraagt de rechtbank vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de gemeente en ten algemenen nutte van:

1. een gedeelte ter grootte van 00.09.03 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [sectie] nummer [nummer], groot 00.24.95 ha;

2. het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [sectie] nummer [nummer], groot 00.71.30 ha;

3. een gedeelte ter grootte van 00.34.78 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [sectie] nummer [nummer], groot 01.13.25 ha;

4. het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [sectie] nummer [nummer], groot 01.06.40 ha.

De gemeente heeft aan de erven [gedaagden] voor de ontneming van het te onteigenen aangeboden een schadeloosstelling van € 634.152,50.

De erven [gedaagden] hebben verweer gevoerd tegen de gevorderde onteigening. De erven [gedaagden] hebben gesteld dat de gemeente niet tot onteigening had mogen besluiten en de Kroon het besluit niet had mogen goedkeuren en zij hebben een beroep gedaan op artikel 6 EVRM en artikel 1 van protocol 1 bij het EVRM. De centrale vraag die de erven [gedaagden] aan de orde stellen is of particulier opdrachtgeverschap, gepresenteerd als een door de gemeente in het publieke belang noodzakelijk geachte vorm van planuitvoering, het zelfrealiseringsrecht van de erven [gedaagden] (die in dit kader samenwerken met Jansen Bouwontwikkeling BV te Wijchen) opzij zet. Indien dat het geval is, stellen de erven [gedaagden] subsidiair aan de orde de vraag of hen niet een gedeeltelijke zelfrealisering moet worden toegestaan, namelijk de grondexploitatie.

De gemeente heeft aangevoerd dat er geen sprake is van zelfrealisering, nu de erven [gedaagden] met de projectontwikkelaar geen samenwerkings- of ontwikkelings-overeenkomst maar een verkoopovereenkomst terzake de grond hebben gesloten en de erven [gedaagden] derhalve geen risico-dragend zelfrealisator zijn. Verder is gesteld dat de taak van de onteigeningsrechter met betrekking tot het onteigeningsbesluit slechts een marginale is, dat in het kader van het publiek belang is gekozen voor particulier opdrachtgeverschap als vorm van planuitvoering en dat de erven [gedaagden] bekend waren met deze vorm.

De rechtbank zal hierna, voor zoveel nodig, ingaan op hetgeen door partijen voor het overige over en weer is aangevoerd.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de Onteigeningswet is, dat alleen onteigend mag worden indien daartoe noodzaak bestaat.

Zoals uit het Koninklijk Besluit van 6 mei 2004 blijkt, betekent dit dat in het kader van een voorgenomen onteigening zal moeten worden aangetoond, dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken is. Hierbij is van belang dat, indien een grondeigenaar bereid en in staat is zelf de op zijn grond berustende bestemming(en) te verwezenlijken, onteigening voor dat doel in beginsel niet noodzakelijk is. Dit beginsel kan uitzondering lijden, indien door de gemeente ter verwezenlijking van de betrokken bestemming(en) een andere vorm van planuitvoering wordt gewenst dan de eigenaar voor ogen staat. In een dergelijk geval is onteigening echter slechts dan gerechtvaardigd, indien is aangetoond, dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publieke belang dringend behoefte bestaat. De vorm van planuitvoering welke in het publiek belang geboden is, staat overigens in eerste aanleg ter beoordeling van het gemeentebestuur. Of de betrokken grondeigenaren zelf daadwerkelijk tot planuitvoering zullen (kunnen) overgaan, hangt dan ook in hoofdzaak af van de vorm van planuitvoering. De potentiële uitvoerders van het bestemmingsplan zullen met het oog daarop inzicht moeten verkrijgen in de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering, hetgeen doorgaans voor een belangrijk deel blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan of uit de bij dat plan behorende voorschriften (al dan niet met de beschrijving in hoofdlijnen).

De gemeente wil de gronden verwerven teneinde te kunnen overgaan tot realisering van een gedeelte van het bestemmingsplan, te weten het deelgebied Laagheide 1. Dit gebied zal omvatten een woonwijk met bijbehorende ontsluitingsweg en andere voorzieningen. Voor dit deelgebied is in de bij het bestemmingsplan behorende toelichting overwogen dat gestreefd wordt naar een ruime verkaveling die voornamelijk is gericht op zogenaamde “eigenbouwers”. Dit beleid is nader geconcretiseerd in het Stedenbouwkundig plan “Deelgebied 1: Laagheide”, alsmede in het Stedenbouwkundig en Beeldkwaliteitsplan “Laagheide” en de Beeldrichtlijnen “Laagheide, tweede uitgifte”. Het beeldkwaliteitsplan maakt onderdeel uit van een bindend programma van eisen ten behoeve van betrokkenen die bouw- en inrichtingsplannen ontwikkelen. Zoals ook aangegeven in de bij het onteigeningsplan behorende zakelijke beschrijving, is de buurt bedoeld voor individuele vrijstaande woningen in die zin, dat de individuele voorkeur van iedere bewoner herkenbaar moet zijn binnen het algemene beeld van Laagheide. Het is, zo is door de gemeente uitdrukkelijk gesteld, de bedoeling dat de woonbestemming in dit plandeel wordt ontwikkeld door de individuele kopers, die op de kavels in samenwerking met door hen zelf uit te kiezen architecten en aannemers een woning zullen realiseren. De achterliggende gedachte is om vrijheid van vormgeving te waarborgen teneinde de gewenste diversiteit in het plangebied tot stand te laten komen.

De erven [gedaagden] hebben uitdrukkelijk aangegeven dat zij tot realisering van de door de gemeente gewenste planuitvoering kunnen overgaan. Zoals ook door de Kroon overwogen opteren de erven [gedaagden] niet voor een projectmatige aanpak van de door hen gewenste zelfrealisering, maar onderschrijven zij de achterliggende gedachte van de gemeente zoals hiervoor omschreven en is door hen uitdrukkelijk aangegeven dat beeldkwaliteit en wensen van de uiteindelijke bewoners voor hen een vast uitgangspunt zijn. De erven [gedaagden] staan om die reden, zoals door hen bij de Kroon is aangevoerd, de totstandbrenging van diversiteit voor door met de toekomstige eigenaren een maatwerktransactie aan te gaan waarbij de basis wordt gevormd door een bouwplan dat past binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan.

Door de Kroon is geoordeeld dat de erven [gedaagden] de woonbestemming op het plandeel niet kunnen uitvoeren in de door de gemeente gewenste vorm zoals hiervoor omschreven, omdat met de tussenkomst van de erven [gedaagden] en hun beroep op zelfrealisering de individuele kopers niet zelf hun architect en aannemer kunnen kiezen. De Kroon heeft op grond daarvan het besluit van de gemeente tot onteigening goedgekeurd.

De eerste vraag die aan de rechtbank voorligt is of de Kroon in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen. Die vraag dient naar het oordeel van de rechtbank

- marginaal toetsend - ontkennend beantwoord te worden. Blijkens de overwegingen in het Koninklijk Besluit heeft de Kroon uitsluitend geoordeeld dat de gemeente een andere vorm van planuitvoering wenst (vrije architecten- en aannemerkeuze) dan de erven [gedaagden] voor ogen staat; op grond van de hierboven omschreven criteria is onteigening in beginsel dan ook mogelijk. De Kroon heeft echter niet geoordeeld over de (door de erven [gedaagden] reeds toen opgeworpen) vraag of is aangetoond dat aan de door de gemeente gekozen vorm van planuitvoering in het publiek belang een zodanig dringende behoefte bestaat dat daartoe het middel van onteigening terecht kan worden ingeroepen en dat het om die reden redelijk is dat het persoonlijke belang van de erven [gedaagden] dient te wijken voor het publieke belang.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond (en is door de Kroon ook niet overwogen) dat en waarom het door de gemeente gewenste vrije opdrachtgever-schap als vorm van planuitvoering tot een zodanig substantieel ander resultaat zou leiden dan de door de erven [gedaagden] voorgestane wijze van zelfrealisering en dat aan dat vermeende substantiële verschil in uitvoering in het publiek belang een zodanig dringende behoefte bestaat dat de gemeente op die grond terecht het middel van onteigening kan aanwenden. Daarenboven is naar het oordeel van de rechtbank door de gemeente niet duidelijk gemaakt (en is door de Kroon evenmin overwogen) dat en waarom het door de gemeente gewenste doel - een bepaalde mate van diversiteit in de bebouwing in die zin, dat de individuele voorkeur van iedere bewoner herkenbaar moet zijn - uitsluitend op de door haar voorgestane wijze zou kunnen worden gerealiseerd.

Het vorenstaande klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer wanneer in aanmerking wordt genomen dat - zoals hiervoor overwogen - door de gemeente een bindend programma van eisen is opgesteld ten behoeve van betrokkenen die bouw- en inrichtingsplannen ontwikkelen, welk programma zodanig stringente en nauwgezette eisen stelt aan de te realiseren woningen, dat de gewenste diversiteit en variatie in de woningbouw naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan een beperkte kan zijn. De door de gemeente getoonde foto’s van woningen in een wijk waarin eenzelfde methode is gehanteerd doen aan het vorenstaande niets af en leiden de rechtbank dan ook niet tot een ander standpunt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gemeente in haar vordering tot onteigening niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De overige stellingen van partijen behoeven derhalve geen bespreking.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

verklaart de gemeente Venray niet ontvankelijk in haar vordering tot onteigening;

veroordeelt de gemeente Venray in de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van de erven [gedaagden] worden begroot op een bedrag van:

€ 241,= aan griffierechten en

€ 4.263,= aan procureurskosten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R. Kluin, A.H.M.J.F. Piëtte en I.R.A. Timmermans-Vermeer, en ter openbare terechtzitting van 13 april 2005 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: mva