Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AS9064

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
15-03-2005
Zaaknummer
04 / 821 CSV K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VAR heeft geen zelfstandige betekenis voor de duiding van de (arbeids)relatie.

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen verweerders besluiten van 30 januari 2004, zijnde de correctienota’s over de jaren 2001 en 2002, en 9 februari 2004, zijnde de boetenota’s over de jaren 2001 en 2002, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0553 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 821 CSV K1

Inzake : [eiseres] BV, gevestigd te [plaats], eiseres.

tegen : De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Amsterdam), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 26 mei 2004,

kenmerk: BBK/MVE P397.022/023.55 021-147.221.25.

Datum van behandeling ter zitting: 9 december 2004

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen verweerders besluiten van 30 januari 2004, zijnde de correctienota’s over de jaren 2001 en 2002, en 9 februari 2004, zijnde de boetenota’s over de jaren 2001 en 2002, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 9 december 2004, waar eiseres en haar gemachtigde, zoals tevoren aangekondigd, niet zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.J. Beelen.

II. OVERWEGINGEN

2.1. Eiseres exploiteert een wegtransportbedrijf en maakt gebruik van zogenaamde eigenrijders als chauffeurs. Een van hen is [naam] (R.), welke over een vrachtauto beschikt, maar niet over een NIWO-vergunning.

Chauffeurs zonder vergunning zijn volgens verweerder in dienst van het transportbedrijf, waarvoor zij vracht vervoeren.

Sinds 1 januari 2002 beschikt R. over een door de belastingdienst ingevolge artikel 3:156 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) afgegeven V(erklaring) A(rbeids) R(elatie), waarin hij als zelfstandig ondernemer wordt aangemerkt.

Verweerder is van oordeel, dat R. bij eiseres werkzaam is in een arbeidsverhouding die is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking welke op grond van artikel 3 van de WW, ZW en WAO tot verplichte verzekering leidt. Immers,

- R. ontvangt loon in de zin van artikel 4 van de Coördinatie wet Sociale Verzekering (CSV) in de vorm van een bedrag per gereden km, hetgeen kan worden aangemerkt als een contraprestatie voor de door R. persoonlijk verrichte werkzaamheden;

- R. staat onder gezag van eiseres, nu de chauffeurswerkzaamheden een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van eiseres, aan R. door eiseres dezelfde instructies worden verstrekt als aan de eigen chauffeurs, door eiseres op de door R. vastgelegde ritgegevens controle kan worden uitgeoefend en tenslotte, dat R. niet in bezit is van een vervoersvergunning.

Verweerder benadrukt, dat belastingdienst en UWV ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben.

De boete over 2001 is berekend met toepassing van artikel 12 lid 2 CSV, de artikelen 4 en 5 van het Boetebesluit en artikel 17 van het Toepassingsbesluit en leidt tot een boete van 25% van de verschuldigde premie.

Wat 2002 betreft is op 1 april 2002 een nieuw Toepassingsbesluit in werking getreden (Stcrt. 2002, 35), voor de periode tussen 1 januari 2002 en 1 april 2002 geldt het oude Toepassingsbesluit, tenzij het Toepassingsbesluit 2002 leidt tot een lagere boete. De boete is vastgesteld op 25%, nu beide Toepassingsbesluiten leiden tot een boete van 25%. Met toepassing van de artikelen 12 en 15 van het Toepassingsbesluit 2002 is de boete voor het overblijvende deel eveneens vastgesteld op 25% van de verschuldigde premie.

2.2. Eiseres is van mening, dat afgifte van een VAR tot gevolg heeft, dat zij in alle arbeidsrelaties automatisch als zelfstandige dient te worden beschouwd en wijst daartoe op de Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking, laatstelijk gewijzigd 14 juli 2003, onderdeel 4 van bijlage 1,(Stcrt. 2003, nr. 138/pag. 13) ingevolge welke de standpunten van de belastingdienst en het UWV op elkaar dienen te worden afgestemd. Door de VAR naast zich neer te leggen heeft verweerder gehandeld in strijd met de Beleidsregels, zie Rechtbank Arnhem 7 mei 2004, LJN: AP0138.

2.3. Als grief tegen beide correctienota’s voert eiseres uitsluitend aan, dat beide niet onderbouwd zijn. Tegen de beide boetenota’s worden geen grieven aangevoerd.

HET OORDEEL VAN DE RECHTBANK

2.4. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.5. De kernvragen in dit geschil luiden: hoe dient de arbeidsrelatie tussen eiseres en R. in 2001 en 2002 te worden gekwalificeerd en welke rol speelt de VAR hierbij ten aanzien van 2002?

2.6. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie onder andere de uitspraak van 15 juli 1992, gepubliceerd in RSV 1993/197) dient de vraag of iemand werkzaam is in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf of beroep te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden, waaronder de werkzaamheden in feite worden verricht, in dier voege dat deze omstandigheden de conclusie moeten wettigen dat de positie van de betrokkene duidelijk en overtuigend kenmerken van zelfstandige bedrijfs- of beroepsuitoefening draagt.

Het hoofdargument van eiseres is, dat de werkzaamheden door R. worden verricht in de zelfstandige uitoefening van zijn bedrijf. Daarom beschikt R. ook over een VAR. De rechtbank stelt echter met verweerder vast, dat het feit dat R. een eigen bedrijf exploiteert er niet aan in de weg staat dat de onderhavige werkzaamheden in dienstbetrekking kunnen worden verricht. Of iemand in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf werkzaamheden verricht of werkzaam is in dienstbetrekking wordt bepaald door de omstandigheden waaronder dat werk feitelijk gedaan wordt. De feitelijke omstandigheden in een concrete arbeidssituatie moeten de conclusie wettigen, dat de betreffende arbeidskracht in een positie werkzaam is welke naar buiten toe duidelijk en overtuigend de kenmerken van een bedrijfsuitoefening door een zelfstandig ondernemer heeft, dan wel in een positie werkzaam is waarin gesproken moet worden van gezag, persoonlijke arbeid en loon. Ter beoordeling van de vraag van welke arbeidssituatie sprake is, geldt bij de zelfstandige beroepsuitoefening als uitgangspunt, dat er een zodanig samenwerkingsverband moet zijn dat gesproken moet worden van een gelijkwaardigheid tussen beide (contracts?)partijen en economische zelfstandigheid van elk der partijen.

Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is sprake, indien R. gehouden is tot het persoonlijk verrichten van arbeid, eiseres gehouden is het loon te betalen en tussen eiseres en R. een gezagsverhouding bestaat.

2.7. Bij de beoordeling van de arbeidsrelatie tussen eiseres als opdrachtgever en R. als opdrachtnemer spelen de volgende elementen een rol.

1. Onbetwist staat vast, dat R. de werkzaamheden steeds zelf heeft verricht en dat van vervanging geen sprake is geweest. Als de opdrachtnemer feitelijk steeds zelf de arbeid verricht, dan wordt in principe aangenomen, dat hij daartoe verplicht is. Overigens betekent een incidentele vervanging met toestemming van eiseres niet, dat het aannemen van de plicht tot het persoonlijk verrichten van de arbeid niet meer is toegelaten.

2. Op basis van gespecificeerde rittenstaten ontving R. een bedrag per gereden km. Deze betalingen dienen, naar het oordeel van de rechtbank, te worden aangemerkt als een reële tegenprestatie voor de door R. persoonlijk verrichte chauffeurswerkzaamheden en zijn loon in de zin van artikel 4 CSV.

3. Wat het werkgeversgezag betreft verdient aandacht, dat de werkzaamheden van R. als chauffeur een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van eiseres en worden ingepast binnen het organisatorisch verband daarvan. R. krijgt dezelfde instructies inzake een transport als de eigen chauffeurs van eiseres. Verder kan op basis van de gegevens die van een uitgevoerde rit worden vastgelegd, achteraf controle worden uitgeoefend.

Tenslotte toont vaste jurisprudentie van de CRvB (zie o.a. LJN: AL1417) aan, dat het niet hebben van een eigen vervoersvergunning, zoals bij R. het geval is, een sterke aanwijzing vormt voor het bestaan van een gezagsverhouding.

De rechtbank komt tot de slotsom, dat R. werkzaam is onder gezag van eiseres.

De hiervoor als eerste opgeworpen kernvraag dient te worden beantwoord met: privaatrechtelijke dienstbetrekking ofwel de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.8. Welke rol speelt de VAR, welke aan R. is uitgereikt door de Belastingdienst en geldig is voor 2002 en 2003? Voor verweerder betekent het hebben van de VAR geen verandering ten opzichte van 2001, omdat verweerder zich op het standpunt stelt, dat allereerst de soort arbeidsrelatie getoetst dient te worden aan artikel 3 van de sociale verzekeringswetten. De zelfstandigheid speelt bij deze toets geen rol. Als die toets leidt tot de conclusie: dienstbetrekking, staat dat daarmee voor verweerder vast. Opmerking daarbij verdient, dat ook een zelfstandig ondernemer in een bepaalde arbeidsverhouding werkzaam kan zijn in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waarbij het loon binnen zijn eigen onderneming voor de Wet IB 2001 winst kan vormen. Deze stellingname wordt door de rechtbank onderschreven.

Indien de Belastingdienst een VAR afgeeft, heeft dat slechts betrekking op zelfstandigheid en zegt dat niets over de eventuele aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De functie van de Beleidsregels is het verschaffen aan UWV en Belastingdienst van een beoordelingskader voor de beoordeling van de privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het is een hulpmiddel bij de beoordeling van arbeidsrelaties. De Beleidsregels beogen geen materiële wijziging te brengen in de criteria voor de beoordeling van een dienstbetrekking. Die beoordeling vindt in eerste instantie door de opdrachtgever zelf plaats. Als vervolgens UWV en Belastingdienst over de aard van de arbeidsrelatie een verschillend standpunt blijken in te nemen, dan kan een opdrachtgever of opdrachtnemer deze instanties verzoeken om een gezamenlijk en eensluidend standpunt. Een dergelijk verzoek dient expliciet te geschieden. Dat is hier niet gebeurd. Het bezwaarschrift in deze zaak bevat evenmin een dergelijk verzoek.

2.9. De grief, dat de correctienota’s niet onderbouwd zijn, faalt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de mutatie-overzichten in het looncontrolerapport, het aanvullend rapport van 8 december 2003, de besluiten van 30 januari 2004 en het thans bestreden besluit van 26 mei 2004. Hetgeen daar ter zake de hoogte van de correctienota’s is opgemerkt, onderschrijft de rechtbank en beschouwt dat als hier herhaald en ingelast.

De boetenota’s zal de rechtbank onbesproken laten, nu daartegen in beroep geen grieven zijn aangevoerd. De verwijzing door eiseres in beroep naar haar bezwaarschrift kan haar niet baten, want in het bezwaarschrift worden geen inhoudelijke grieven tegen de boetenota’s aangevoerd.

De slotsom luidt, dat het beroep gereed ligt voor ongegrond verklaring.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans, in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Speekenbrink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 januari 2005.

KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.