Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AS8827

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-02-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
04 / 999 WET K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van de gegevens verkregen via de belastingdienst heeft verweerder eisers recht op huursubsidie over het subsidiejaar 1 juli 2002 – 1 juli 2003 gewijzigd vastgesteld op € 0,00 en de teveel ontvangen huursubsidie ad € 1.717,68 van eiser teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 999 WET K1

Inzake : [eiser], wonende te [plaats], eiser

tegen : De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: de secretaris-generaal, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 13 juli 2004,

kenmerk: Boba Ink_43/U2/639.

Datum van behandeling ter zitting: 8 december 2004

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 27 januari 2004, waarin verweerder eisers recht op huursubsidie over het subsidiejaar 2002/3003 gewijzigd heeft vastgesteld op € 0,00 en de ontvangen huursubsidie ad € 1.717,68 van eiser heeft teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 december 2004, waar eiser is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.C. A. Stevens, advocaat te ‘s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Op basis van de gegevens verkregen via de belastingdienst heeft verweerder bij besluit van 27 januari 2004 eisers recht op huursubsidie over het subsidiejaar 1 juli 2002 – 1 juli 2003 gewijzigd vastgesteld op € 0,00 en de teveel ontvangen huursubsidie ad € 1.717,68 van eiser teruggevorderd.

Bij dat besluit is verweerder zowel bij eiser, als bij diens echtgenote uitgegaan van een gecorrigeerd verzamelinkomen over het peiljaar 2001 ad € 99.000,00. Omdat het rekeninkomen van het huishouden, waartoe eiser behoort, de grens die in de normhuurtabel B wordt gesteld, overschrijdt, heeft eiser geen recht op huursubsidie.

Eiser heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Op 12 juli 2004 heeft eiser het bezwaar mondeling toegelicht. In bezwaar is onder meer het volgende aangevoerd: “De champignonkwekerij heeft hij (eiser) door financiële omstandigheden gedwongen moeten beëindigen. Hij heeft toen een beroep gedaan op de wettelijke schuldsaneringsregeling en er is een akkoord bereikt met de schuldeisers. De belastingdienst heeft de kwijtschelding als winst aangemerkt. Deze winst wordt (fiscaal) verrekend met de verliezen uit de voorgaande jaren. Uitgaande van de kwijtscheldingswinst in 2001 is niettemin voor hem en zijn echtgenote een dermate hoog verzamelinkomen vastgesteld dat er geen recht op huursubsidie bestaat. Hun reguliere inkomens, dus zonder de eenmalige winst, liggen echter ruim binnen de grenzen van de huursubsidieregeling. Het vastgestelde verzamelinkomen moet dan ook slechts worden gezien als een fictief bedrag dat niet daadwerkelijk is verdiend. Er valt van dit fictieve inkomen ook geen huur te betalen en daarom is het niet redelijk dit bedrag voor de berekening van de huursubsidie mee te tellen. In verband daarmee wordt een nadrukkelijk verzoek gedaan op artikel 26 van de Huursubsidiewet. Er is sprake van een administratief hoog inkomen dat, evenals door de IBG is gedaan, buiten beschouwing zou moeten worden gelaten”.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. In het beroepschrift is herhaald dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat eiser in betalingsonmacht verkeerde en deswege een beroep op de Wet schuldsanering natuurlijke personen heeft moeten doen. Gesteld wordt dat verweerder het bestreden besluit voor zover daarbij is gehandhaafd om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule, onvoldoende is gemotiveerd. Gevorderd wordt het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Op 30 september 2004 en 8 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. In genoemde verweerschriften is ter zake onder meer het volgende aangegeven: “Artikel 3, derde lid, van de Huursubsidiewet (Hsw) brengt met zich mee dat voor de toepassing van de Hsw, de vaststelling van het belastbare inkomen door de betrokken inspectie bindend is, indien en voor zover die vaststelling niet met succes is aangevochten in bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a en b, van de Hsw wordt onder inkomen verstaan: het belastbaar inkomen, bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 2001, omdat hier sprake is van een controleerbaar gegeven.

Eiser meent dat een beroep op artikel 26 Hsw tot gevolg moet hebben dat de kwijtscheldingswinst buiten beschouwing moet worden gelaten. In de beslissing op bezwaar is echter uitvoerig aangegeven waarom de Minister van mening is dat het meetellen van de kwijtscheldingswinst niet tot een onbillijkheid leidt, die zodanig is dat artikel 26 van de Hsw moet worden toegepast. Verder wijst de Minister erop dat eiser een beroep had kunnen doen op de Vangnetregeling”.

In het bestreden besluit heeft verweerder ter zake – kort samengevat – het volgende overwogen: “Het verrekenen van verliezen uit voorgaande jaren is een mogelijkheid die door de belastingdienst wordt gegeven, maar niet door VROM. VROM gaat op grond van de bepalingen van de Hsw namelijk altijd uit van het inkomen dat door de belastingdienst wordt aangemerkt als verzamelinkomen. Daarin is in het onderhavige geval ook de kwijtscheldingswinst begrepen. Sedert de wijziging van de fiscale wetgeving per 2001 levert de belastingdienst niet langer het “belastbaar inkomen” aan, maar het (gecorrigeerd) verzamelinkomen, waarin geen rekening (meer) wordt gehouden met nog te verrekenen verliezen. Voor de belastingheffing maakt dit niets uit (de verliezen worden nog steeds verrekend), maar voor de inkomensafhankelijke huursubsidie wel. Dit is echter een bewuste keuze van de wetgever geweest. Nu tegenover de in het verzamelinkomen begrepen kwijtscheldingswinst staat dat een bedrag aan schuld van in totaal € 359.351 is kwijtgescholden, geniet eiser het voordeel dat dit bedrag niet meer hoeft te worden terugbetaald aan de schuldeisers. Het meetellen van genoemd inkomensbestanddeel leidt in eisers geval niet tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in de wet”.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder m, van de Hsw wordt onder rekeninkomen verstaan het rekeninkomen als bedoeld in artikel 3 van de Hsw. In artikel 3, eerste lid, van de Hsw is bepaald dat onder rekeninkomen wordt verstaan het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar. Als over het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld wordt ingevolge het bepaalde in het derde lid van genoemd artikel 3 van de Hsw, onder inkomen verstaan het gecorrigeerde verzamelinkomen over het peiljaar.

In artikel 1a, eerste lid, en onder a, van de Hsw is voorts bepaald dat onder het gecorrigeerde verzamelinkomen wordt verstaan het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met €1355 indien in het peiljaar de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is toegepast. In het zesde lid, van artikel 1a van de Hsw is bepaald dat de inspecteur, onder wie de huurder of de medebewoners krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteren voor de heffing van de inkomstenbelasting, op verzoek van Onze Minister het gecorrigeerde verzamelinkomen (of het gecorrigeerde belastbare loon) in het peiljaar van de desbetreffende huurder of medebewoners bepaald.

In het onderhavige geval heeft de inspecteur, in afwijking van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 van eiser en diens echtgenote, rekening gehouden met een (kwijtscheldings)winst uit onderneming (Box 1) in 2001 van € 366.157,00. Daarvan is € 220.884,00 toegerekend aan eiser en € 164.144,00 aan eisers echtgenote. Doordat de geleden verliezen voldoende zijn om de kwijtscheldingswinst te verrekenen blijft het belastbaar inkomen Box 1 over 2001 € 0.

Omdat de inkomensuitwisseling met de belastingdienst geautomatiseerd plaatsvindt en verweerder hogere bedragen niet kan verwerken, is verweerder zowel bij eiser als bij zijn echtgenote uitgegaan van een gecorrigeerd verzamelinkomen over het jaar 2001 van € 99.999,00. De hoogte van dit inkomen staat aan verlening huursubsidie in de weg.

In artikel 26, eerste lid, onder b, van de Hsw is bepaald dat de minister van VROM ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, bij de toepassing van artikel 3, derde lid, of 4, derde lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing kan laten.

In de Kamerstukken II 1996/97, 25 090, nr. 3, wordt met betrekking tot de toepassing van voormeld artikel onder meer aangegeven dat dit artikel de Minister van VROM de bevoegdheid geeft om, als de toepassing van de wettelijke bepalingen in een bepaald geval tot een bijzondere hardheid zou leiden, in dat geval ten gunste van betrokkene af te wijken van enkele nader aangeduide bepalingen van de wet (waaronder artikel 3 HSW: de vaststelling van het rekeninkomen). Het artikel leent zich niet voor toepassing op categorieën van personen en zal overigens ook terughoudend worden gehanteerd. Het artikel maakt mogelijk om bij de berekening van het rekeninkomen en rekenvermogen bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten. Dit kan bijvoorbeeld wenselijk zijn als de huurder of een medebewoner in het peiljaar eenmalige inkomsten hebben genoten, zoals een nabetaling, een eenmalige uitkering of een administratieve verrekening.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige geval geen aanleiding geeft tot toepassing van de hardheidsclausule. Aan dat standpunt heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om vanaf 1 juli 2002 het gecorrigeerde verzamelinkomen als uitgangspunt te nemen voor de beoordeling van het recht op huursubsidie. Verder heeft verweerder erop gewezen dat eiser en zijn echtgenote al een enorm voordeel hebben genoten doordat aan hen in totaal € 359.351,00 is kwijtgescholden, waardoor geen sprake meer is van een onbillijkheid van overwegende aard en ten slotte heeft verweerder gewezen op het bestaan van de Vangnetregeling, die voorziet in de mogelijkheid een bijzondere bijdrage te krijgen indien het actuele inkomen is gedaald na het peiljaar.

De rechtbank is van oordeel dat de verweerders besluit om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Daartoe is als volgt overwogen.

Bij de behandeling ter zitting is door verweerders gemachtigde erkend dat een beroep op de Vangnetregeling in het onderhavige geval feitelijk al niet meer mogelijk was ten tijde van verweerders besluitvorming. Het enkele bestaan van een dergelijke regeling, terwijl vast staat dat een beroep op die regeling in het concrete geval feitelijk onmogelijk is, acht de rechtbank geen grond om af te zien van toepassing van de hardheidsclausule.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat sprake is van een uitzonderlijk geval, waarin er feitelijk geen sprake is geweest van enige draagkracht. De rechtbank kan weliswaar het standpunt van verweerder onderschrijven dat er sprake is van een bewuste keuze van de wetgever, maar dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat de in artikel 26 van de HSW neergelegde bevoegdheid de mogelijkheid geeft om in incidentele, uitzonderingsgevallen van het algemene in artikel 3 wettelijk bepaalde uitgangspunt af te wijken. Wil afwijking van de wettelijke regeling in een concreet geval gerechtvaardigd zijn, moet uiteraard wel voldaan zijn aan de voorwaarde dat onverkorte toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Nu sprake is van een incidenteel en puur fictief inkomen, terwijl draagkracht bij eiser en zijn echtgenote ontbreekt, is de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel dat aan de voorwaarde voor toepassing van de hardheidsclausule wordt voldaan. De rechtbank onderschrijft dan ook niet het standpunt van verweerder dat de omstandigheid dat eiser reeds een groot voordeel heeft genoten, doordat hij een beroep op de schuldsaneringsregeling heeft gedaan en daardoor een groot bedrag aan schulden niet hoeft te betalen, ertoe leidt dat het onthouden van huursubsidie geen onbillijkheid van overwegende aard kan zijn. Dat standpunt gaat er namelijk volledig aan voorbij dat de werkelijke financiële draagkracht dermate laag was dat eiser zonder meer voor huursubsidie in aanmerking zou zijn gekomen.

Op grond van voorgaande overwegingen moet derhalve worden gezegd dat verweerders besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb de rechtmatigheidtoets niet kan doorstaan zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het daartegen ingestelde beroep van eiser moet mitsdien voor gegrond worden gehouden.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt (in verband met het beroepschrift) 1 punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.M.W. Nobis in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 4 februari 2005

KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.