Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AS8493

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
15-03-2005
Zaaknummer
05 / 77 WWB V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 1 januari 2005 verlaagd met 100% tot en met 28 februari 2005.

Niet voor de hand ligt dat de recidivebepaling van de (nieuwe) afstemmingsverordening mede betrekking heeft op gedragingen die tot een maatregel onder het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz hebben geleid. Voorts strijd met evenredigheidsvereisten van art. 2, tweede lid, afstemmingsverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 05 / 77 WWB V1

Inzake : [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, te Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

het besluit van verweerder d.d. 23 december 2004,

kenmerk: PFBOB/NW/114540.

Datum van behandeling ter zitting: 18 februari 2005.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 december 2004 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 1 januari 2005 verlaagd met 100% tot en met 28 februari 2005.

Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 31 december 2004 eenbezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 februari 2005, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr. M.J.A.M. Meurkens.

II. OVERWEGINGEN

Verzoekster, geboren op […] 1969, ontvangt sedert 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 januari 2004 is deze uitkering omgezet naar een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB).

Bij besluit van 24 juni 2004 is door verweerder aan verzoekster een maatregel van 20% opgelegd gedurende een maand vanaf 1 juli 2004 omdat sprake was van het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling van arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaanvoorziening bevorderen.

Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 3 september 2004 heeft verzoekster een overeenkomst getekend met verweerder dat zij het arbeidsactiverend trajectplan van de Stichting Zorg- en Dienstenbureau gaat volgen om op de regionale arbeidsmarkt geplaatst te kunnen worden.

Naar aanleiding van een incidentele controle op 17 december 2004 is op 22 december 2004 een rapport opgemaakt door een medewerker van verweerder.

Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij het thans bestreden primair besluit van 23 december 2004 aan verzoekster meegedeeld dat haar bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 2005 geheel geweigerd wordt en met 100% wordt verlaagd gedurende een periode van twee maanden. Verweerder geeft daarbij aan dat rekening is gehouden met het feit dat sprake is van recidive.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van verzoekster bij schrijven van 31 december 2004 bezwaar gemaakt. Tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De gemachtigde voert aan dat verzoekster van mening is dat zij wel al haar medewerking heeft gegeven met betrekking tot de verplichtingen die zij in het kader van de wet heeft. Verzoekster verricht werkzaamheden in overleg met de gemeente Venlo, is werkzaam voor het Zorg- en Dienstenbureau en zij heeft zich voor die werkzaamheden ook altijd beschikbaar gesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde nog aangegeven dat verzoekster niet verwijtbaar is te achten omdat zij op grond van haar rugklachten niet kon werken, terwijl zij dat wel wilde.

Voorts geeft de gemachtigde aan dat er sprake is van een disproportionele maatregel en dat deze in strijd is met het evenredigheidsbeginsel nu verzoekster wel beschikbaar is voor werkzaamheden en deze ook verricht.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Omtrent de geformuleerde voorwaarden van de vereiste onverwijlde spoed oordeelt de rechter dat gelet op hetgeen van de kant van verzoekster omtrent haar financiële positie is uiteengezet voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster thans in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat zij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aangezien deze vaststelling nog niet zonder meer betekent dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen, zal vervolgens een voorlopig oordeel worden gegeven over de rechtmatigheid van verweerders besluit. Leidt dit voorlopig oordeel in onderhavig geval tot een negatief resultaat, dan is er sprake van onverwijlde spoed welke noopt tot het treffen van een voorziening.

Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op basis van het op 22 december 2004 opgemaakte rapport. In dit rapport is duidelijk aangegeven dat een medewerker van het Zorg- en Dienstenbureau waar verzoekster een arbeidsactiverend traject volgde, diverse e-mails naar verweerder heeft gestuurd. Uit deze e-mails is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoekster ongeveer 17 uur per week werkt. Het gedrag van verzoekster naar cliënten toe bij wie zij schoonmaakwerk deed, duidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op een voldoende gemotiveerde werkhouding, maar eerder op het tegenovergestelde. Voorts maakt de voorzieningenrechter uit het rapport van 22 december 2004 op dat verzoekster zich niet aan alle afspraken heeft gehouden die zij met een medewerker van het Zorg- en Dienstenbureau heeft gemaakt. Verder is uit dit rapport af te leiden dat verzoekster de drie uur die zij (slechts) moest werken per dag niet altijd geheel heeft volgemaakt en dat zij regelmatig te laat op haar werk is verschenen.

Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter voorlopig tot het oordeel dat verzoeksters gedraging verwijtbaar is te achten en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting zoals is neergelegd in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB, tot het gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling alsmede het meewerken aan een onderzoek naar haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB verlaagt. Met de genoemde verordening wordt de afstemmingsverordening bedoeld zoals die door de raad van verweerders gemeente op 2 juni 2004 is vastgesteld en op 1 juli 2004 in werking is getreden.

Artikel 2, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat een verlaging van de bijstand wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 8 van deze verordening bepaalt dat het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject, een gedraging is van de derde categorie.

Artikel 9 van deze verordening bepaalt dat bij een gedraging van de derde categorie de verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Artikel 6, vierde lid, van deze afstemmingsverordening bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende, binnen één jaar nadat de verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan, wederom zijn verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, de termijnen die in hoofdstuk 2 staan vermeld worden verdubbeld.

In hoofdstuk 2 van deze verordening zijn onder meer de hierboven genoemde artikelen 8 en 9 geplaatst.

Nu, kennelijk als gevolg van voormelde gedragingen van verzoekster, de arbeidsrelatie met het Zorg- en Dienstenbureau per 15 januari 2005 is geëindigd, concludeert de rechter dat die gedragingen terecht door verweerder zijn ingedeeld in de derde categorie als voormeld.

Echter, gelet op het feit dat aan verzoekster thans een verlaging van 100 % gedurende twee maanden -dit laatste vanwege recidive- is opgelegd, terwijl aan haar eerder een maatregel van 20% gedurende een maand was opgelegd op basis van de oude regeling, namelijk het in het kader van de Abw geldende Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat genoemde verlaging niet in overeenstemming is met het bepaalde in de verordening. In de eerste plaats is het maar de vraag of de recidivebepaling van artikel 6, vierde lid, van de verordening mede betrekking heeft op herhaling van een gedraging die is gesanctioneerd onder het regime van de oude regeling. De tekst van artikel 6, vierde lid, wijst erop dat deze bepaling het oog heeft op herhaling van een gedraging die op basis van de afstemmingsverordening is gesanctioneerd. Ook het gegeven dat de maatregelen en ook de consequentie van recidive onder de oude regeling aanzienlijk minder zwaar waren, doet het niet voor de hand liggen om te concluderen dat de recidivebepaling van de afstemmingsverordening mede betrekking heeft op gedragingen die tot een maatregel onder de oude regeling hebben geleid. In aanmerking genomen de zwaarte van de bij het bestreden besluit toegepaste verlaging van 100% gedurende twee maanden in relatie tot de ernst van de gedragingen van verzoekster, alsmede gelet op het grote verschil met de eerder opgelegde maatregel van 20% gedurende een maand, is de rechter voorts voorlopig van oordeel dat het bestreden besluit zich in zoverre niet verdraagt met de evenredigheidsvereisten van artikel 2, tweede lid, van de verordening.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op de ter zitting aangevoerde grief dat verzoekster niet kon werken vanwege rugklachten en het feit dat verweerder haar met het oog op bijstandsverlening na de sanctieperiode een medische keuring heeft laten ondergaan waarvan de resultaten nog niet bekend zijn, verweerder ook dit medisch rapport bij zijn besluitvorming in het kader van de bezwaarprocedure zal dienen te betrekken.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen, nu verzoekster zich wel verwijtbaar heeft gedragen en terecht een gedraging van de derde categorie is aangenomen, doch de periode van verlaging van twee maanden hem vooralsnog als te lang voorkomt. De rechter acht het evenwel niet onaannemelijk dat verweerder in het nog te nemen besluit op bezwaar een verlaging van 100% gedurende een maand zal opleggen en dat die sanctie wel in rechte stand zal kunnen houden, zodat hij de verlaging over de maand januari 2005 niet zal schorsen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op licht, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 0,5.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

bepaalt dat het besluit van 23 december 2004 met ingang van 1 februari 2005 geschorst wordt;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van verzoekster begroot op € 322,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Venlo;

bepaalt dat de gemeente Venlo aan verzoekster het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Speekenbrink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 23 februari 2005

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.