Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AS8489

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
04 / 826 NABW K1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT3370
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU1009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht. Ten onrechte Abw toegepast bij intrekking,herziening en terugvordering, terwijl WWB als wettelijke basis moest dienen.

In hoger beroep gedeeltelijke schorsing in voorlopige voorziening; LJN AT3370. Bodemzaak LJN AU1009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 115

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 826 NABW K1

Inzake : Dhr. en Mevr. A, wonende te B, eisers.

tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 1 juni 2004,

kenmerk: PFJBB/MM/88078.

Datum van behandeling ter zitting: 9 december 2004

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 1 juni 2004, verzonden op 7 juni 2004, heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de besluiten van 14 januari 2004 (besluit I), 26 januari 2004 (besluit II), 20 februari 2004 (besluit III) en 30 maart 2004 (besluit IV), ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 december 2004, waar eiser zonder eiseres is verschenen en bijgestaan door gemachtigde mr. A.C.J. Lina, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Meurkens.

II. OVERWEGINGEN

Eisers ontvangen sedert 1983 een bijstandsuitkering naar de norm van een echtpaar. Nadat de sociaal rechercheurs een onderzoek hebben ingesteld door het inwinnen van informatie door het Bureau Buitenland van de gemeente ’s-Hertogenbosch en het door de sociale recherche zelf afleggen van een huisbezoek op 21 januari 2004, heeft verweerder geconcludeerd dat eisers beschikken over een vermogen dat ver uitkomt boven de voor hen geldende vermogensgrens (vermogen in de vorm van vier winkels en twee appartementen in Turkije (gemeente Eleskirt) en vermogen in de vorm van contant geld ten bedrage van € 25.710,- en een polshorloge van het merk Breitling met een winkelwaarde van € 3.752,-) zonder hiervan mededeling te hebben gedaan aan de gemeente.

Bij primair besluit I van 14 januari 2004 heeft verweerder eisers uitkering met ingang van 1 december 2003 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft de toenmalige gemachtigde van eisers, mr. K.L.W. Brummans, bij schrijven van 22 januari 2004, aangevuld bij schrijven van 13 februari 2004, bezwaar gemaakt.

Bij primair besluit II van 26 januari 2004 heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van tandheelkundige hulp afgewezen omdat eisers over vermogen beschikken welke beduidend hoger is dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Tegen dat besluit is namens eisers door mr. Brummans bij schrijven van 4 maart 2004 bezwaar gemaakt.

Bij primair besluit III van 20 februari 2004 heeft verweerder eisers recht op bijstand over de periode van 1 januari 1998 tot 1 december 2003 herzien en besloten een bedrag van € 90.396,79 terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht doordat eisers niet hebben meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 1998 over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Tegen dit besluit heeft mr. Brummans bij schrijven van 27 februari 2004 bezwaar gemaakt.

Op 27 januari 2004 hebben eisers vanaf 1 december 2003 bijstand aangevraagd voor de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij primair besluit IV van 30 maart 2004 heeft verweerder bij deelbesluit A aan eisers meegedeeld dat voor wat betreft de periode van 1 december 2003 tot 21 januari 2004 (melding bij het CWI) afwijzend wordt beslist om het verzoek om herziening van het primaire besluit I van 14 januari 2004 en bij deelbesluit B heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat de aanvraag om bijstand per 21 januari 2004 wordt afgewezen omdat zij over een te hoog eigen vermogen beschikken of kunnen beschikken. Verweerder geeft daarbij aan dat de hoogte van eisers bezittingen is vastgesteld op een bedrag van € 142.407,00, waarbij het geldbedrag ad € 25.710,00 en het polshorloge buiten beschouwing zijn gelaten omdat deze in beslaggenomen zijn. Na aftrek van het bedrag van € 90.396,70 dat bij het primaire besluit III van 20 februari 2004 is teruggevorderd, resteert, zo stelt verweerder, een bedrag van € 52.010,30, hetgeen de voor eisers geldende vermogensgrens van € 10.130,00 ruimschoots te boven gaat.

Tegen dit besluit heeft mr. Brummans bij schrijven van 2 april 2004 bezwaar gemaakt en tevens is een verzoek om voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 29 april 2004 het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Alle bezwaarschriften, behoudens dat van 2 april 2004, zijn op een hoorzitting op 15 maart 2004 mondeling toegelicht. Met betrekking tot het bezwaarschrift van 2 april 2004 hebben eisers afgezien van de mogelijkheid tot het houden van een hoorzitting.

Bij bestreden besluit van 1 juni 2004, verzonden op 7 juni 2004, heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat in de bestreden primaire besluiten niet overal de juiste artikelen zijn vermeld. Verweerder geeft aan dat het bij het primaire besluit I van 14 januari 2004 behorende wettelijke kader bestaat uit artikel 7, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), artikel 26, eerste lid, sub b, van de Abw, artikel 51, eerste lid, sub a, van de Abw, artikel 52, eerste lid, sub ben sub c, van de Abw, artikel 54, aanhef en sub c, van de Abw, artikel 65, eerste lid, van de Abw, en artikel 69, derde lid, sub a, en vijfde lid van de Abw.

Het ten aanzien van primair besluit II van 26 januari 2004 relevante wettelijke kader beslaat volgens verweerder artikel 39, eerste lid van de Abw, artikel 40, eerste lid, sub a, van de Abw, artikel 51, eerste lid, sub a, van de Abw, artikel 52, eerste lid, sub b eb sub c, van de Abw en artikel 54, aanhef en sub c van de Abw.

Verweerder geeft voorts aan dat het ten aanzien van het primaire besluit III van 27 februari 2004 (bedoeld wordt hier 20 februari 2004) relevante wettelijke kader de zojuist genoemde artikelen betreffende de herziening/intrekking en met name artikel 78, derde lid van de Abw, artikel 81, eerste lid van de Abw en artikel 90 van de Abw, betreffende terugvordering.

Met betrekking tot het primaire besluit IV merkt verweerder op dat het ten aanzien van dat besluit relevante wettelijke kader artikel 4:6, tweede lid van de Abw beslaat, betreffende deelbesluit A en –anders dan uit het besluit blijkt- artikel 11, eerste lid van de Wet Werk en Bijstand (WWB), artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 19, eerste lid, sub b, van de WWB en artikel 34 van de WWB voor wat betreft deelbesluit B.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eisers bij schrijven van 9 juli 2004 beroep ingesteld. De gemachtigde voert, kort samengevat, aan dat verweerder ten onrechte verwijst naar de inhoud van het rechercherapport aangezien dit rapport uitgaat van onjuiste uitgangspunten. Eisers ontkennen met klem dat de heer A sinds 1990 grond bezit welke sinds 1998 is bebouwd. Eisers hebben geen recht op de grond c.q. bebouwing in Turkije. Eisers zijn geen eigenaar en de grond en de gebouwen behoren niet toe tot het vermogen van eisers. De gelden die tijdens de huiszoeking zijn aangetroffen behoren niet aan eisers toe. Slechts € 710,- is van eisers terwijl een bedrag van € 23.000,- toebehoort aan de zoon en een bedrag van € 2.050,- aan de dochter. De zoon en de dochter hebben de gelden verstopt c.q. in bewaargeving gegeven aan eisers uit veiligheidsoverwegingen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verzocht om de zaak aan te houden omdat hij verwacht in januari 2005 een historisch overzicht met betrekking tot de grond in Turkije te kunnen overleggen.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank wijst het ter zitting gedane verzoek om aanhouding af omdat zij zich voldoende geïnformeerd acht. Bovendien merkt de rechtbank in dit kader op dat eisers, gelet op de data van de primaire besluiten, naar haar oordeel voldoende tijd hebben gehad om de door hen gewenste informatie te vergaren.

Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen, zal de rechtbank dienen te bezien of in het bestreden besluit van 1 juni 2004 de juiste wetsartikelen zijn gehanteerd.

Nu ten aanzien van de bepalingen van de WWB betreffende opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van bijstand geen specifieke overgangsbepalingen in de IWWB zijn opgenomen, rijst de vraag of deze eveneens van toepassing zijn op situaties waarin het recht op bijstand is gebaseerd op de Abw of zich, voordat de inlichtingenplicht van artikel 17 van de WWB is gaan gelden, schending van artikel 65 van de Abw heeft voorgedaan. In aanmerking genomen dat het regime van de WWB ten aanzien van de genoemde categorieën besluiten alleen in zoverre wezenlijk verschilt van dat van de Abw dat de verplichte toepassing van de betrokken bepalingen is omgezet in een discretionaire bevoegdheid – hetgeen zowel een grotere beleidsvrijheid van het bevoegde bestuursorgaan als een verbetering van de rechtspositie van de bijstandsontvanger impliceert – is de rechtbank van oordeel dat noch de rechtszekerheid noch enige andere rechtsregel zich ertegen verzet om de desbetreffende bepalingen van de WWB ook toe te passen op gevallen waarin het recht op bijstand is gebaseerd op de Abw of de inlichtingenplicht van de Abw is geschonden.

Het voorgaande betekent dat verweerder in het bestreden besluit, voor wat betreft het primaire besluit I van 14 januari 2004 waarin het recht op bijstand met ingang van 1 december 2003 is ingetrokken, ten onrechte heeft beslist op grond van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve het onjuiste wetsregime toegepast, nu hij dit besluit had dienen te baseren op bepalingen van de WWB.

Hetzelfde geldt met betrekking tot het gedeelte van het bestreden besluit waarin de bezwaren gericht tegen primair besluit III van 20 februari 2004, waarbij eisers recht op bijstand over de periode van 1 januari 1998 tot 1 december 2003 is herzien en waarbij een bedrag ad € 90.396,79 is teruggevorderd, ongegrond zijn verklaard. Ook hier heeft verweerder het besluit ten onrechte gebaseerd op bepalingen van de Abw, nu blijkens het bovenstaande de bepalingen van de WWB als wettelijke basis hadden moeten dienen.

Met betrekking tot het bestreden besluit, voor wat betreft primair besluit II van 26 januari 2004, waarbij eisers aanvraag om bijzondere bijstand is afgewezen, is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 21, eerste lid, onder a, van de Invoeringswet Wet Werk en Bijstand (IWWB), a contrario is af te leiden dat een met toepassing van de Abw-bepalingen genomen primair besluit, bij de heroverweging in bezwaar, nu dit een ex-nunctoetsing behelst, alsnog aan de WWB moet worden getoetst, althans wanneer, zoals in dit geval, het bezwaarschrift is ingediend op of na 1 januari 2004.

Reeds daarom moet worden geconcludeerd dat verweerder ook voor wat betreft dit gedeelte van het bestreden besluit het onjuiste wetsregime heeft toegepast.

Met betrekking tot het bestreden besluit dat betrekking heeft op primair besluit IV van 30 maart 2004, voor wat betreft deelbesluit A waarbij afwijzend is beslist om het verzoek om herziening van het primaire besluit I van 14 januari 2004, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Met betrekking tot deelbesluit B waarbij de aanvraag om bijstand per 21 januari 2004 is afgewezen, heeft de voorzieningenrechter reeds in zijn uitspraak van 29 april 2004 hierover geoordeeld dat verweerder de onjuiste artikelen had gehanteerd. Dit verzuim heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit hersteld door thans met toepassing van het bepaalde in de WWB te beslissen.

Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit wegens toepassing van onjuiste wettelijke bepalingen vernietigd te worden.

De rechtbank ziet hierbij geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten nu ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat er sprake was van een discretionaire bevoegdheid, waardoor ook ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Beslist wordt als volgt.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Venlo;

bepaalt dat de gemeente Venlo aan eisers het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Speekenbrink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 januari 2005

KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.