Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2005:AS4792

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
04 / 314 + 315 WAO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzenddatum loonsanctiebesluit; art. 71a lid 9 WAO. Rechtszekerheid en zorgvuldigheid.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/90 met annotatie van Barentsen

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenrs. : 04 / 314 + 315 WAO K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen : De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 9 februari 2004,

kenmerk: 389.040.24.

Datum van behandeling ter zitting: 7 oktober 2004

--------------------------

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder het bezwaar van eisers werkgever tegen de besluiten van 21 juli 2003 en van 20 november 2003 gegrond verklaard en die besluiten niet gehandhaafd.

Tegen die besluiten is door mr. C.M.H.M. van Oijen, advocaat te Venlo, namens eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is [werkgeefster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [werkgeefster] B.V. heeft daarvan gebruik gemaakt.

Op een deel van de door verweerder ingezonden stukken is het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast. De stukken van verweerder, voor zover daarop artikel 8:32, tweede lid, van de Awb niet is toegepast, en het verweerschrift zijn in afschrift aan de andere partijen gezonden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 oktober 2004, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Van Oijen, voornoemd, waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W. Lagerwaard, en waar namens [werkgeefster] B.V. is verschenen [naam 1], bijgestaan door mr. E.A. Leeman.

De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat de termijn om uitspraak te doen met zes weken is verlengd.

II. OVERWEGINGEN

DE FEITEN

Eiser is op 22 juli 2002 uitgevallen uit zijn functie. Op 20 juli 2003 was de laatste dag waarover eiser jegens zijn werkgeefster [werkgeefster] B.V. recht had op doorbetaling van zijn loon wegens ziekte, en eindigde tevens de wachttijd om in aanmerking te komen voor uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 21 juli 2003 heeft verweerder aan [werkgeefster] BV (hierna de werkgeefster) op basis van artikel 71a van de WAO ingaande 21 juli 2003 een verlengde loondoorbetalingsverplichting (loonsanctie) voor de duur van 4 maanden opgelegd omdat de reïntegratie-inspanningen van de werkgeefster ten aanzien van eiser volgens verweerder onvoldoende zijn geweest en de werkgeefster geen deugdelijk grond voor dit verzuim heeft aangevoerd. Tevens is de aanvraag om WAO-uitkering van eiser afgewezen.

Omdat verweerder van mening was dat de werkgeefster het verzuim niet had hersteld, is bij besluit van 20 november 2003 de betalingsverplichting van de werkgeefster jegens eiser nog eens met twee maanden verlengd en derhalve ook over de periode van 21 november 2003 tot en met 20 januari 2004 een loonsanctie opgelegd.

DE BESTREDEN BESLUITEN

De bezwaren van de werkgeefster tegen de besluiten van 21 juli 2003 en van 20 november 2003 zijn bij de beide bestreden besluiten van 9 februari 2004 gegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat niet is voldaan aan de beleidsregels die hij op grond van het bepaalde in artikel 71a, tiende lid, van de WAO heeft opgesteld. Ingevolge deze beleidsregels wordt geen sanctie opgelegd indien het besluit niet voor het einde van de wachttijd aan de werkgever is verzonden. Voorts heeft verweerder de beide opgelegde loonsancties ingetrokken en is de WAO-aanvraag per 21 juli 2003 alsnog in behandeling genomen. Dit heeft nadien geleid tot toekenning aan eiser van WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per die datum.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Tegen de bestreden besluiten is namens eiser door diens gemachtigde -kort weergegeven- aangevoerd dat verweerder op 21 juli 2003 terecht heeft geoordeeld dat eisers werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht en dat er geen deugdelijke grond voor verzuim bestond. Eisers gemachtigde heeft erop gewezen dat verweerder zich niet heeft gebaseerd op de wet, maar slechts op een niet formeel vastgestelde beleidslijn.

Volgens de gemachtigde zou zijn voldaan aan de ratio van dat beleid dat de werkgever over de volledige termijn moet kunnen beschikken om het verzuim ten aanzien van de reïntegratie-inspanningen te herstellen. Door, zonder enige belangenafweging, de loonsanctie ongedaan te maken acht eiser, die niet in de WAO wilde komen, zich onevenredig in zijn belangen geschaad.

Verweerder heeft zich bij wijze van verweer op het standpunt gesteld dat de gehanteerde beleidsregel, ook al is het besluit slechts één dag te laat verzonden, dient te worden nageleefd, nu de loondoorbetalingverplichting een reparatoire sanctie is en niet een punitieve. Verweerder is daarom van oordeel dat de werkgeefster de volledige termijn tot haar beschikking moet hebben om haar verzuim te kunnen herstellen. Verweerder heeft er overigens nog op gewezen dat het verzuim in de besluiten op bezwaar is gehandhaafd. Voor zover er ruimte is voor een belangenafweging kan volgens verweerder niet worden gezegd dat het belang van eiser zwaarder had moeten wegen dan het belang van de werkgeefster.

Namens de werkgeefster is als zienswijze in het geding gebracht dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep tegen de bestreden besluiten, nu hem per 21 juli 2003 alsnog een WAO-uitkering is toegekend en de omstandigheid dat hij geen aanvullende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft aangevraagd geheel voor zijn risico komt. Tevens is er namens de werkgeefster op gewezen dat zij ook zonder dat haar een loondoorbetalingsverplichting is opgelegd, verplicht bleef om reïntegratie-inspanningen voor eiser te verrichten. Voor het overige heeft de werkgeefster zich in grote lijnen achter de opvatting van verweerder gesteld, zij het dat zij betwist dat bij de bestreden besluiten het haar verweten verzuim is gehandhaafd.

HET OORDEEL VAN DE RECHTBANK

Met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen moet de rechtbank allereerst nagaan of eiser als belanghebbende bij de bestreden besluiten is te beschouwen. Reeds omdat die besluiten van invloed zijn op de verplichting van de werkgeefster om zijn loon door te betalen, acht de rechtbank eiser door die besluiten rechtstreeks in zijn belang getroffen, zodat voldaan is aan het ontvankelijkheidsvereiste dat eiser belanghebbende moet zijn.

De rechtbank dient vervolgens op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

De rechtbank stelt daartoe eerst vast dat ter zitting is gebleken dat de door verweerder aan de loonsancties ten grondslag gelegde beleidslijn is neergelegd in een ongepubliceerde nota van zijn Landelijke Loonsanctie Commissie (LLC), inhoudende aandachtspunten bij de beoordeling van het reïntegratieverslag bedoeld in artikel 71a, derde lid, van de WAO en eventueel daaruit voortvloeiende sanctievoorstellen. Derhalve is geen sprake van (gepubliceerde) beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Evenmin zijn die aandachtspunten aan te merken als nadere regels in de zin van het tiende lid van artikel 71a van de WAO. Nu in de bestreden besluiten slechts bedoelde interne nota als basis van de sancties is genoemd, is er derhalve geen sprake van een deugdelijke motivering en komen de beide bestreden besluiten deswege voor vernietiging in aanmerking.

Indien evenwel de in genoemde aandachtspuntensnota neergelegde opvatting over de juridische consequenties van het na het einde van de wachttijd verzenden van een loonsanctiebesluit juist zou zijn, zou dat reden zijn om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten niettemin in stand te laten. Met het oog op die mogelijkheid overweegt de rechtbank als volgt.

De loonsanctie is geregeld in artikel 71a van de WAO, dat is ingevoerd bij de Wet verbetering poortwachter. In het negende lid van dat artikel is bepaald dat bij het zonder deugdelijke grond niet nakomen van de in de leden 1 tot en met 5 neergelegde reïntegratie-verplichtingen van administratief-technische aard of het verrichten van onvoldoende reïntegratie-inspanningen een tijdvak wordt vastgesteld waarover de aanspraak op loondoorbetaling van de werknemer jegens de werkgever bij ziekte wordt verlengd (de loonsanctie). Krachtens de laatste volzin van het negende lid is dit tijdvak hoogstens 52 weken en wordt dit afgestemd op de aard en ernst van het verzuim alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.

De rechtbank leidt, evenals verweerder, uit de tekst en wetsgeschiedenis van het negende lid van artikel 71a van de WAO af dat de loonsanctie als herstelsanctie en niet als bestraffende sanctie moet worden beschouwd. Voor een meer uitgebreide motivering van haar oordeel daarover verwijst de rechtbank naar de uitspraken die zij heden heeft gedaan in de gedingen 04/585 WAO en 04/586 WAO. De rechtbank stelt voorts vast dat bij of krachtens artikel 71a van de WAO geen regels zijn gesteld omtrent het tijdstip waarop een besluit omtrent loonsanctie moet worden genomen. Evenmin bevat de wettelijke regeling van de loonsanctie discretionaire ruimte om, indien aan de dwingendrechtelijke toepassingsvoorwaarden is voldaan, te beslissen om geheel of gedeeltelijk af te zien van oplegging van een loonsanctie.

Het voorgaande betekent dat slechts in bijzondere gevallen, indien sprake is van dusdanig ernstige schending van ongeschreven recht dat strikte toepassing van artikel 71a, negende lid, van de WAO geen rechtsplicht meer kan zijn, van stringente toepassing van die bepaling afgeweken mag en moet worden. De vraag is dus of zich in casu een dergelijk bijzonder geval voordoet. Daaromtrent doet de rechtbank het volgende wegen.

Het niet voor de aanvang van de hersteltermijn meedelen van een loonsanctiebesluit doet inderdaad afbreuk aan het reparatoire karakter van die sanctie, nu de werkgever daardoor niet meer de volle termijn heeft om zijn tekortkoming te herstellen. Tevens staat dit op gespannen voet met de aan de werkgever toekomende rechtszekerheid en de jegens hem te betrachten zorgvuldigheid. Ook de rechtbank is van oordeel dat zulks niet zonder gevolgen voor de (duur van de) opgelegde sanctie kan blijven. Welke die consequenties in concreto dienen te zijn, zal moeten afhangen van de ernst van de schending van de rechtszekerheid en zorgvuldigheid enerzijds en van de mate waarin de betrokken werknemer nadeel lijdt van het (gedeeltelijk) afzien van een loonsanctie anderzijds. Nu het hier om een minimale overschrijding gaat, is de rechtbank echter van oordeel dat het volledig afzien van het opleggen van een loonsanctie een te verregaande consequentie is. De rechtbank acht het enigszins bekorten van de totaalduur van de sancties veeleer in overeenstemming met voormelde afweging.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen grond is om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten. Verweerder zal dan ook nieuwe besluiten op bezwaar moeten nemen. Met het oog daarop merkt de rechtbank op dat verweerder alsnog op basis van de bezwaren van de werkgeefster de primaire besluiten volledig zal moeten heroverwegen, nu hij zich daarover in de bestreden besluiten, anders dan hij zelf kennelijk meent, nog niet heeft uitgelaten.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1,00.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2005.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 25 januari 2005.

KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.