Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AR5673

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
21-12-2004
Zaaknummer
04 / 648 WW K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf in het buitenland. Ten onrechte nagelaten te informeren of eiser de bedoeling had vakantie te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Roermond

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 04 / 648 WW K1

Inzake : A, wonende te B, eiser;

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 21 april 2004,

kenmerk: B&B 280.012.24.

Datum van behandeling ter zitting: 7 oktober 2004.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 december 2003 waarbij eisers ww-uitkering per 11 december 2003 is beëindigd, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 oktober 2004, waar eiser, zoals reeds aangekondigd bij schrijven van 9 september 2004, niet is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 februari 2001 heeft eiser recht op een uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW).

Op 11 december 2003 heeft eiser verweerder schriftelijk meegedeeld dat hij die dag met spoed naar Slovenië is vertrokken omdat zijn moeder ’s nachts een hersenbloeding heeft gehad.

Op 19 december 2003 heeft eiser verweerder telefonisch meegedeeld dat hij die dag uit Slovenië is teruggekomen en dat zijn moeder inmiddels is overleden.

Bij besluit van 22 december 2003 heeft verweerder de ww-uitkering per 11 december 2003 beëindigd omdat eiser, anders dan om vakantie, in het buitenland verbleef. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat de ww-uitkering met ingang van 19 november 2003 weer wordt voortgezet.

In zijn bezwaarschrift d.d. 26 januari 2004 heeft eiser aangevoerd dat hij, omdat hij geen inschrijvings- en sollicitatieplicht heeft, er van uitging dat hij, gezien de kritische toestand waarin zijn moeder verkeerde, onmiddellijk kon vertrekken zonder dat dit consequenties voor zijn uitkering zou hebben. Voorts heeft eiser gewezen op het feit dat verweerder in zijn besluit heeft vermeld dat eiser op 19 november 2003 is teruggekeerd.

In het besluit op bezwaar d.d. 21 april 2004 heeft verweerder voormelde foutieve datum gecorrigeerd en na heroverweging het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond van artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW, geen recht had op een uitkering gedurende de periode van 11 december 2003 tot 19 december 2003 omdat hij in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie. Verweerder heeft toegelicht dat voornoemde uitsluitingsgrond in de WW is opgenomen omdat diegene die in het buitenland verblijft niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt en derhalve niet aan de voorwaarden voor het recht op een uitkering kan voldoen. Ondanks het feit dat eiser geen inschrijvings- en sollicitatieplicht meer heeft, dient hij voor de Nederlandse arbeidsmarkt beschikbaar te zijn.

In zijn beroepschrift heeft eiser nogmaals naar voren gebracht het standpunt van verweerder onredelijk te vinden. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat hij, onmiddellijk nadat hij was terug gekeerd, contact heeft opgenomen met verweerder en toen te horen kreeg dat alles in orde was. Eiser is van mening dat verweerder in dit speciale geval hiervoor vakantiedagen had kunnen innemen in plaats van zijn uitkering.

In het verweerschrift heeft verweerder gepersisteerd bij zijn reeds ingenomen standpunt

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde gronden te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser verbleef van 11 tot 19 december 2003 in het buitenland in verband met de ziekte en het overlijden van zijn moeder. Het verblijf kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als vakantie bedoeld in het Vakantiebesluit, weshalve verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW eiser heeft uitgesloten van het recht op uitkering.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het de omschrijving van het begrip vakantie zoals die in de Vakantieregeling WW is gegeven uiterst ruim is, namelijk dat daarvan sprake is als de werknemer verklaart vakantie te genieten dan wel, indien de werknemer dat niet verklaart, maar daarvan, gelet op de feitelijke omstandigheden, kennelijk sprake is.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser in verband met de kritieke toestand waarin zijn moeder verkeerde, geen tijd had vooraf een verzoek tot het opnemen van vakantiedagen bij verweerder in te dienen, maar dat hij dat, blijkens het beroepschrift, als hij voldoende gelegenheid had gehad om zich van tevoren over zijn rechtspositie in deze te informeren, zulks waarschijnlijk gedaan zou hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder het schrijven van eiser d.d. 11 december 2003 ook aldus kunnen begrijpen. Blijkens het beoordelingsformulier (verweerschrift bijlage 5) heeft verweerder overwogen de afwezigheid als vakantie te bestemmen en is in verband daarmee eiser opgeroepen voor een gesprek. Dat dit gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden valt op basis van de gedingstukken niet vast te stellen. Vast staat wel dat op de maandag volgende op de vrijdag waarop eiser heeft medegedeeld dat hij is teruggekeerd, het besluit tot intrekking is genomen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat het in de praktijk niet ongebruikelijk is dat op basis van een achteraf afgelegde verklaring een bepaalde periode alsnog als vakantie wordt aangemerkt. Dat zo’n verklaring achteraf, en zelfs nog in de bezwaarfase, kan worden afgelegd, leidt de rechtbank ook af uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 maart 2001, nr. 99/564 WW.

Voornoemde feiten in acht nemende concludeert de rechtbank dat het op de weg van verweerder lag -in overleg met eiser zoals kennelijk ook de bedoeling was- te bezien of eiser heeft willen verklaren vakantie te nemen. Dat verweerder heeft nagelaten eiser daartoe in de gelegenheid te stellen of diens bedoelingen achteraf te checken kan niet ten nadele van eiser worden uitgelegd. Derhalve moet worden gezegd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, dat voorschrijft dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Verweerder zal deze tekortkoming dan ook, alvorens een nieuw besluit op bezwaar te nemen, dienen te herstellen.

De rechtbank beslist derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van

mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2004

.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 november 2004

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij deCentrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.