Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AO8793

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
03 / 1003 AW K1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AR4439
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is -kort gezegd- tot het ontslag van eiser op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO gekomen onder de overwegingen dat eiser zelf een einde van het dienstverband wenste, dat daartoe tussen partijen ook overeenstemming was bereikt en dat eiser reeds ruim vier jaar geen werkzaamheden meer voor verweerder heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03/1003 AW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 22 juli 2003,

kenmerk: 2003/6363.

Datum van behandeling ter zitting: 18 maart 2004.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 mei 1998 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten/Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO). Tegen dit besluit is door eiser een bezwaarschrift ingediend op 16 februari 2003. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het op 30 januari 2004 ingediende verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 maart 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.H. Wenselaar, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.L.F.M. Crijns, gemeentesecretaris, die is bijgestaan door mr. V.L.S. van Cruijningen.

II. OVERWEGINGEN

Feiten:

Eiser is sedert 1970 werkzaam geweest bij verweerders gemeente, laatstelijk in de functie van [functie]. De werkverhouding tussen partijen is in de loop der jaren verslechterd. Nadat duidelijk werd dat eisers functie na een reorganisatie zou worden opgeheven, hebben op 18 december 1997, 10 februari 1998 en 10 maart 1998 gesprekken plaatsgevonden, waaraan onder andere eiser en de gemeentesecretaris hebben deelgenomen. Na het gesprek op 10 maart 1998 heeft de gemeentesecretaris bij notitie van 24 maart 1998 aan verweerder geadviseerd om ten aanzien van eiser gebruik te maken van een ontslagregeling bestaande uit een combinatie van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (hierna: FPU) en de 54+ maatregel uit het op de reorganisatie betrekking hebbende Sociaal Statuut. Nadat verweerder tot de conclusie was gekomen dat eiser met deze regeling had ingestemd, heeft verweerder bij besluit van 6 april 1998 aan eiser met ingang van 1 mei 1998 op eigen verzoek eervol ontslag verleend. Tegen dit besluit is door eiser bezwaar gemaakt bij verweerder. In bezwaar is aangevoerd dat eiser niet om het verleende ontslag heeft verzocht. Bij besluit van 4 mei 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het ontslagbesluit van 6 april 1998 gehandhaafd. Het tegen dit besluit door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 mei 2000 ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 25 juli 2002 heeft de CRvB de aangevallen uitspraak vernietigd, het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van 4 mei 1999 alsnog gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit alsmede het primaire besluit van 6 april 1998 vernietigd. De kernoverweging, die de CRvB aan zijn uitspraak ten grondslag heeft gelegd, houdt in dat: “… een eigen en in vrijheid genomen beslissing, inhoudende een ontslagverzoek, niet traceerbaar is. Uit hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in dit geding voorhanden zijnde gegevens blijkt weliswaar dat er onderhandelingen gaande waren met betrekking tot beëindiging op eigen verzoek van het bestaande dienstverband, maar dat deze zo ver waren uitgekristalliseerd dat het stadium was bereikt dat appellant geacht kon worden inderdaad een ontslagverzoek te hebben gedaan ziet de Raad niet”.

Naar aanleiding van voormelde uitspraak van de CRvB is namens eiser bij brief van 5 augustus 2002 verzocht het dienstverband, alsmede alle daaruit voortvloeiende zaken, de facto met terugwerkende kracht te herstellen. Verder heeft eiser zich beschikbaar en bereid verklaard om zijn plichten als ambtenaar van de gemeente Echt op te nemen. Ten slotte is verweerder verzocht in overleg te treden inzake de verdere te nemen stappen, waaronder een eventuele, adequate, ontslagregeling.

Na een gesprek tussen partijen, dat op 18 september 2002 heeft plaatsgevonden, heeft eiser bij brief van 14 oktober 2002 een concept minnelijke regeling aan verweerder voorgelegd, waarin als uitgangspunt is genomen dat eiser alsnog -onder de in de regeling opgenomen voorwaarden- instemt met het ontslag met ingang van 1 mei 1998. In de brief van 14 oktober 2002 is verder herhaald dat, indien er niet op korte termijn een oplossing zou komen, het dienstverband met eiser dient te worden hersteld en de salarisbetaling met terugwerkende kracht dient te worden hervat, in de zin van de uitspraak van de CRvB en conform de brief van 5 augustus 2002.

Namens verweerder is het door eiser gedane voorstel bij brief van 21 oktober 2002 verworpen en is een tegenvoorstel gedaan, inhoudende een hernieuwde ontslagverlening onder handhaving van de oorspronkelijke ontslagdatum en ontslaggrond en de daaraan verbonden uitkeringen en onder toekenning van een eenmalige uitkering van € 10.000,00 bruto. In de brief van 21 oktober 2002 is verder aangegeven dat, indien langs de voorgestelde lijn niet tot overeenstemming kan worden gekomen, een eenzijdig ontslag onder handhaving van de oorspronkelijke ontslagdatum op een andere grond dan FPU in overweging zal worden genomen, hetgeen tot terugvordering van de op basis van het FPU-ontslag gedane, onverschuldigd betaalde, uitkeringen zou leiden.

Namens eiser is op 3 november 2002 schriftelijk kenbaar gemaakt aan verweerder dat door eiser weinig heil wordt gezien in verder overleg op basis van de brief van 21 oktober 2002 en is voorgesteld om overleg te voeren met als doelstelling om, zonder voorwaarden vooraf, overeenstemming te bereiken over de tekst van een minnelijke regeling dan wel een herstel van de aanstelling.

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat een oplossing in der minne niet haalbaar is en heeft bij brief van 29 november 2002 het voornemen kenbaar gemaakt om eiser met ingang van 1 mei 1998 ontslag te verlenen ex artikel 8:8 van de CAR/UWO. Ten aanzien van het mogelijk recht op wachtgeld dat aan dat ontslag is verbonden, heeft verweerder meegedeeld voornemens te zijn toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 117, eerste lid van de Ambtenarenwet (hierna: AW). Tevens is erop gewezen dat aan het FPU-fonds zal worden bericht dat er geen grondslag meer bestaat voor betaling van de FPU-uitkering.

Op 18 december 2002 heeft eiser mondeling zijn zienswijzen naar aanleiding van het in de brief van 29 november 2002 geuite voornemen ingediend.

Per faxbericht van 19 december 2002 is namens eiser een bezwaarschrift ingediend bij verweerder gericht tegen de (fictieve) weigering van verweerder het dienstverband met eiser te herstellen en hem in zijn gebruikelijke aanstelling en tegen de gebruikelijke bezoldiging wederom te werk te stellen. Tevens heeft eiser zich op 19 december 2002 tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen, waarbij primair is verzocht te bepalen dat verweerder dient over te gaan tot herstel van eiser in zijn gebruikelijke functie met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 1998 met doorbetaling van de bij die functie behorende bezoldiging c.a. en te bevelen dat verweerder overgaat tot tewerkstelling van eiser en tot onderbrenging in de per 1 januari 2003 te vormen nieuwe ambtelijke organisatie een en ander op straffe van een dwangsom en onder veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen en aan eiser met ingang van 1 mei 1998 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO. Verweerder heeft verder meegedeeld dat aan dit ontslag een recht op (wachtgeld)uitkering is verbonden zonder aanvullende voorziening. Ten slotte is in het ontslagbesluit aangegeven dat overwogen wordt het toegekende wachtgeld te verrekenen met hetgeen aan eiser onverschuldigd is of wordt betaald en dat eisers maandelijkse inkomen, hangende het onderzoek naar de financiële implicaties van dit voornemen, ongewijzigd blijft.

Bij uitspraak van 14 februari 2003 is het verzoek om een voorlopige voorziening wegens het ontbreken van een spoedeisend belang door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen.

Tegen het besluit van 7 januari 2003 heeft eiser op 16 februari 2003 bezwaar gemaakt. Op 8 april 2003 is eiser gehoord door de adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). Op 25 juni 2003 heeft de commissie advies uitgebracht, inhoudende de gegrondverklaring van het bezwaarschrift en de herroeping van het besluit van 7 januari 2003.

Inhoud beslissing op bezwaar:

Bij besluit van 22 juli 2003 heeft verweerder -in afwijking van het advies van de commissie- het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Ter motivering van dit besluit heeft verweerder onder meer het volgende vermeld.

Bij beschikking van 7 januari 2003 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 mei 1998 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO.

Naar de mening van verweerder dient wel degelijk groot gewicht te worden toegekend aan de omstandigheid dat eiser eind 1997 na een reeks van conflicten en incidenten zelf het overleg over een verbreking van het dienstverband heeft geïnitieerd, in dat overleg de voorstellen die van voortzetting van die verhouding uitgingen categorische van de hand heeft gewezen en zich -behoudens een voortdurend verschil van inzicht over ondergeschikte financiële aspecten- in elk geval voor een belangrijk deel achter het bereikte onderhandelingsresultaat heeft geschaard. Eiser heeft immers het gespreksverslag van 10 maart 1998 ondertekend, zijn handtekening gezet onder de formulieren voor de koopsomstortingen en een aanvraag ondertekend voor een FPU-uitkering. Eiser sloot in feite een terugkeer in zijn eigen of een andere functie uit.

Bij het ontslagbesluit is terecht centraal gesteld dat een feitelijk herstel van het dienstverband op 7 januari 2003 ondenkbaar en ongerijmd was. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser al vanaf 1996 niet meer voor verweerder werkzaam is en in 1998 uitdrukkelijk ieder vorm van hernieuwde tewerkstelling heeft afgewezen. Eiser heeft bovendien nimmer gewag gemaakt van zijn bedoeling het aan hem verleende ontslag als zodanig ongedaan gemaakt te krijgen. Dat het feitencomplex in 1998 vanwege het ontbreken van een uitdrukkelijk daarop gericht verzoek geen FPU-ontslag rechtvaardigde, laat onverlet dat het geheel van feiten en omstandigheden dat destijds heeft geleid tot overleg over een geregeld ontslag thans ten grondslag kan worden gelegd aan een ontslag op andere gronden. Blijkens de jurisprudentie van de hoogste ambtenarenrechter is het geoorloofd daarbij ook de omstandigheid te betrekken dat (mede) als uitvloeisel van het eerdere ontslagbesluit jarenlang geen arbeid is verricht. Hierin schuilt een complex van factoren en omstandigheden dat in overwegende mate betrekking heeft op de persoon van eiser, evenals op zijn directe werkomgeving en dat bijgevolg kan worden beschouwd als andere grond in de zin van artikel 8:8 van de CAR/UWO. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder terecht en op goede gronden eervol ontslag verleend. Ook de ontslaguitkering is alleszins redelijk te noemen. Van enige door eiser geleden schade die thans voor vergoeding in aanmerking zou moeten worden gebracht is geen sprake.

Gronden van beroep:

Op 26 augustus 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 22 juli 2003 en heeft daarbij de volgende gronden van beroep aangevoerd.

Het ontslagbesluit is op onjuiste gronden genomen. De ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO wordt in de praktijk alleen gebruikt als andere ontslaggronden geen uitweg bieden en als sprake is van een arbeidsconflict waarbij zowel de werkgever als de ambtenaar concluderen dat alleen een ontslag een oplossing kan bieden. Hiervan is in casu geen sprake.

Door de uitspraak van de CRvB van 25 juli 2002 is onomstotelijk vast komen te staan dat het ontslag met ingang van 1 mei 1998 niet door eiser gewenst was, aangezien geen overeenstemming bestond over een mogelijk ontslag c.q. over een daartoe strekkend verzoek van eiser. Verweerder rakelt ten onrechte de discussie weer op en stelt dat voorafgaande aan het vernietigde besluit van 6 april 1998 wel degelijk overeenstemming was bereikt over een beëindiging van het dienstverband. De feiten weerspreken dit, maar bovenal negeert verweerder hiermee de uitspraak van de CRvB. Dit kan geen geldige grond voor een hernieuwd ontslag zijn.

Verweerder zet het ernstig verwijtbaar gedrag van destijds voort, waardoor eiser ernstig wordt getroffen in zijn verdere maatschappelijk perspectieven. De verloren jaren hebben een zwaar stempel gedrukt op de immateriële en financiële mogelijkheden en positie van eiser. Eiser verzoekt de rechtbank dan ook zijn beroep gegrond te verklaren en verweerder te sommeren tot uitbetaling van zijn salaris vanaf 1 mei 1998. Gelet op het verwijtbare gedrag van verweerder met materiële en immateriële consequenties verzoekt eiser de rechtbank voorts verweerder te veroordelen tot het betalen van schadeloosstelling ten bedrage van € 200.000,00 voor wat betreft de materiële schade en van € 20.000,00 voor wat betreft de immateriële schade, alles met veroordeling van verweerder in de proceskosten en op straffe van een dwangsom.

Wettelijk kader:

Ingevolge het eerste lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO kan de gemeenteraad op voordracht van burgemeester en wethouders bepalen dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij hun besluit omschreven grond, niet vallende onder gronden in vorige artikelen van hoofdstuk 8 van de CAR/UWO.

In het tweede lid van voornoemd artikel is bepaald dat in geval van ontslag op grond van dit artikel de gemeenteraad, op voordracht van burgemeester en wethouders, een regeling treft waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van de raad, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten.

Beoordeling door de rechtbank:

Tussen partijen is in geschil of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank ziet zich vooreerst geplaatst voor de vraag of sprake was van een situatie waarin verweerder op grond van het eerste lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO bevoegd was tot het ontslag van eiser met terugwerkende kracht tot 1 mei 1998 over te gaan, en vervolgens, in het bevestigende geval, of verweerder in redelijkheid tot het ontslag heeft kunnen besluiten.

Op grond van het eerste lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar in vaste dienst op andere gronden ontslag worden verleend. Alhoewel uit de tekst van de hier aan de orde zijnde bepaling niet blijkt dat het om gewichtige redenen moet gaan, moet daar gezien het gesloten ontslagsysteem voor ambtenaren in vaste dienst wel van uitgegaan worden. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 99 van het ARAR, welk artikel een equivalent is van artikel 8:8 van de CAR/UWO, blijkt dat het artikel onderdeel uitmaakt van een limitatief geheel van ontslaggronden en van deze bepaling gebruik kan worden gemaakt als sprake is van factoren en omstandigheden die in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van de belanghebbende en zijn directe werksituatie. De rechtbank merkt hierbij -anders dan eiser- op dat artikel 8:8 van de CAR/UWO geen aanvullend karakter heeft in die zin dat eerst onderzocht zou moeten worden of één van de specifieke ontslaggronden aanwezig is en dat pas bij ontbreken daarvan artikel 8:8 van de CAR/UWO gehanteerd zou mogen worden.

Verweerder is -kort gezegd- tot het ontslag van eiser op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO gekomen onder de overwegingen dat eiser zelf een einde van het dienstverband wenste, dat daartoe tussen partijen ook overeenstemming was bereikt en dat eiser reeds ruim vier jaar geen werkzaamheden meer voor verweerder heeft verricht. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het ontslag is verleend per 7 januari 2003, zij het dat het ontslag terugwerkende kracht heeft tot 1 mei 1998, en dat daarom ook alle relevante feiten en omstandigheden die zich hebben afgespeeld tussen 1 mei 1998 en 7 januari 2003 bij zijn besluitvorming konden worden betrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft eiser bij besluit van 7 januari 2003, met terugwerkende kracht en onder handhaving van de datum van het niet in stand gebleven eerdere ontslag, per 1 mei 1998 ontslagen. De rechtbank acht het in het voetspoor van jurisprudentie van de CRvB dienaangaande, op zichzelf niet ongeoorloofd om een ontslag te doen ingaan op dezelfde datum als een eerder ontslag dat wegens een daaraan klevend gebrek in rechte geen stand heeft kunnen houden. Anders dan verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat de toegepaste terugwerkende kracht eraan in de weg staat om het in geding zijnde ontslag mede te baseren op de ontwikkelingen na 1 mei 1998. Bij de beoordeling van het voorliggende ontslagbesluit dient dan ook uitgegaan te worden van de feiten en omstandigheden betreffende de arbeidsverhouding tussen partijen zoals die zich tot 1 mei 1998 hebben voorgedaan.

Ten aanzien van die feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank het volgende. In de uitspraak van de CRvB van 25 juli 2002 is reeds vastgesteld dat niet is komen vast te staan dat eiser om ontslag per 1 mei 1998 heeft verzocht. Voor de conclusie dat bij eiser voor 1 mei 1998 reeds de wens leefde om tot beëindiging van het dienstverband te komen zijn in de stukken wel aanknopingspunten te vinden, maar de enkele aanwezigheid van zodanige -niet in een concreet verzoek geresulteerde- intentie acht de rechtbank onvoldoende grond voor toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO. Voorts blijkt uit de stukken genoegzaam dat in 1998 van de kant van verweerder is gepoogd om op minnelijke wijze de arbeidsrelatie tussen partijen te beëindigen. Weliswaar heeft verweerder gesteld dat er een reeks incidenten en conflicten is geweest voorafgaand aan het overleg over beëindiging van het dienstverband, maar in het dossier bevinden zich geen stukken dienaangaande. Uit hetgeen ter zitting zijdens verweerder door de gemeentesecretaris is verklaard leidt de rechtbank juist af dat er destijds door verweerder geen grond aanwezig werd geacht om zonder medewerking van eiser tot ontslag over te gaan.

Verweerder heeft het ontslagbesluit voorts doen gronden op het feit dat eiser reeds gedurende lange tijd geen werkzaamheden meer voor verweerder heeft verricht. De rechtbank merkt op dat ook dit een omstandigheid is die zich grotendeels ná 1 mei 1998 heeft afgespeeld. Ter zitting heeft eiser immers toegelicht dat hij in 1996 nog volledig voor verweerder heeft gewerkt en dat hij vanaf september 1997 -op therapeutische basis- 50% is gaan werken. Per 1 maart 1998 is eiser volledig hersteld verklaard. Door eiser is voorts -onweersproken- gesteld dat hij tot en met het (eerste) ontslagbesluit in april 1998 steeds werkzaamheden voor verweerders gemeente heeft verricht. Het argument dat eiser al lange tijd geen werkzaamheden voor verweerder heeft verricht, kan aldus naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen grond opleveren voor een ontslag per 1 mei 1998.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank al met al tot de conclusie dat hetgeen haar bekend is geworden omtrent de gebeurtenissen, zoals die zich tot 1 mei 1998 hebben voorgedaan, het ontslag van eiser op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO niet kan dragen. Bij gebreke van een toereikende onderbouwing voor het standpunt van verweerder dat eiser op grond van voornoemd artikel ontslag kon worden verleend, kan het bestreden besluit derhalve niet in stand blijven.

Eiser heeft ter zake van het ontslagbesluit om vergoeding van zowel materiële als immateriële schade verzocht. Los van de constatering dat eiser de gestelde schade niet met verificatoire stukken heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank als volgt. Ten aanzien van de gestelde materiële schade wijst de rechtbank er op dat de vernietiging van het ontslagbesluit niet betekent dat het geschil tussen partijen is beëindigd. Of en, zo ja, in hoeverre eiser materiële schade lijdt, hangt mede af van nadere besluitvorming van verweerder. De rechtbank acht het dan ook niet aangewezen zich in dit geding uit te spreken over het door eiser gedane verzoek betreffende materiële schadevergoeding. De rechtbank ziet in de voorhanden gegevens voorts geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van een zodanig, aan het in geding zijnde ontslagbesluit toe te rekenen, geestelijke letsel, dat immateriële schadevergoeding zou moeten worden toegekend. De rechtbank ziet evenmin termen om een dwangsom te verbinden aan deze uitspraak.

De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt -in verband met het verschijnen ter zitting- toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1 (€ 322,00).

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

wijst af het verzoek om schadevergoeding;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Echt-Susteren;

bepaalt dat de gemeente Echt-Susteren aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 116,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout (voorzitter), L.A. Gruiters en B.W.P.M. Corbeij-Smits in tegenwoordigheid van mr. S.A.M.C. van de Winkel als griffier en in het openbaar uitgesproken door mr. Schelfhout, voornoemd, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier, op 22 april 2004

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

verzonden op: 22 april 2004

AC-H