Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AO8347

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
59013 / HA ZA 03-882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease: koop op afbetaling?, dwaling?, zorg- en mededelingsplicht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 437
JOR 2004/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 28 april 2004

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

procureur: mr. H.J.A. Ewalds;

tegen:

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie:

[H.G.],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. P.W.M. Broekmans.

Partijen worden aangeduid als:

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie: de bank;

gedaagde in conventie, eiser in reconventie: [H.G.].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 5 november 2003 met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met bijlagen;

- het vonnis van 25 februari 2004;

- de conclusie van antwoord in reconventie met bijlagen;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2004.

2. Vaststaande feiten in conventie en in reconventie

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.1 De bank is rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V. die op haar beurt rechtsopvolgster is van Legio Lease B.V. De rechtbank zal hierna ten behoeve van de leesbaarheid steeds spreken over "de bank" waarmee dan eiseres en/of haar rechtsvoorgangsters worden aangeduid.

2.2 De bank en [H.G.] hebben een aandelenlease-overeenkomst genaamd "Winstverdriedubbelaar" gesloten gedateerd 24 mei 2000 (hierna: de aandelenlease-overeenkomst). Op deze overeenkomst zijn van toepassing de Bijzondere voorwaarden effectenlease van de bank (hierna: de bijzondere voorwaarden).

2.3 De aandelenlease-overeenkomst houdt in dat [H.G.] bij de bank een lening heeft gesloten waarmee voor zijn risico door de bank aandelen zijn gekocht. Deze aandelen betreffen een drietal fondsen, namelijk ABN AMRO, AHOLD en ING. De aandelen zijn in drie termijnen aangekocht tegen een vooraf bepaald aankoopbedrag. De overeengekomen looptijd van 36 maanden is verstreken (op 23 mei 2003).

2.4 De aankoopbedragen van de aandelen zijn in totaal € 19.687,23. De gedurende de gehele looptijd door [H.G.] te betalen rente bedraagt € 4.130,64. Het rentepercentage is 0,96% per maand. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 23.817,87.

De betaling hiervan diende als volgt plaats te vinden:

36 maandtermijnen van elk € 114,74;

een bedrag van € 45,38 in of omstreeks de 35e maand en

een bedrag van € 19.641,85 aan het einde van de aandelenlease-overeenkomst, welk bedrag in beginsel wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

2.5 [H.G.] heeft van de bank ontvangen de aandelenlease-overeenkomst, de bijzondere voorwaarden, een fiscale opinie en een brochure over de "Winstverdriedubbelaar" (hierna: de brochure).

2.6 In de brochure die door de bank aan [H.G.] is toegezonden, heeft onder meer het volgende gestaan:

"Uw inleg bestaat volledig uit rente."

"Uw maandbedrag bestaat geheel uit 0,96% rente (12,1% effectief per jaar)."

"Uw lease-overeenkomst heeft een vaste looptijd van drie jaar."

"Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen."

3. Vordering en stellingen van de bank in conventie

De bank vordert (na voorwaardelijke wijziging van eis) [H.G.] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.964,66, vermeerderd met de contractuele rente van 0,96% per maand, althans de wettelijke rente, over € 11.677,76, vanaf 12 september 2003 tot de dag der algehele voldoening en de proceskosten.

De bank stelt daartoe het volgende.

Het door [H.G.] verschuldigde bestaat uit de volgende onderdelen.

[H.G.] weigert de eindafrekening van € 11.677,76 te betalen. Deze eindafrekening is berekend door het restant hoofdsom van € 19.641,85 te vermeerderen met de eerste aflossingstermijn van € 45,38 en een resterende maandtermijn van € 114,74 en daarna de som daarvan te verminderen met de verkoopopbrengst van de geleasde aandelen van € 8.124,21.

De contractuele rente over het tijdvak van 23 mei 2003 tot en met 11 september 2003 bedraagt € 357,51.

De gemaakte incassokosten bedragen € 781,00 en de BTW daarover € 148,39.

Verder vordert de bank - onder de voorwaarde van toewijzing van de eis van [H.G.] in reconventie - [H.G.] te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de aandelenlease-overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van de bedoelde effecten op de datum van verkoop.

De bank baseert deze voorwaardelijke vordering op art. 6:278 BW.

4. Verweer van [H.G.] in conventie

[H.G.] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de bank in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

[H.G.] voert daartoe (onder meer en kort samengevat) het volgende verweer.

De bank heeft [H.G.] misleid door hem te paaien met beloftes omtrent financieel gewin en de nadelen te verzwijgen. [H.G.] heeft gedwaald en zijn wil heeft zich gevormd onder invloed van de valse voorstelling van zaken door de bank. [H.G.] zou bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet hebben gesloten. De bank is in ernstige mate toerekenbaar tekortgekomen jegens [H.G.]. De bank heeft verzuimd te onderzoeken of de bestedingsruimte van [H.G.] toereikend was. De bank had moeten voorzien in toereikende voorzieningen om te verzekeren dat [H.G.] zijn restschuld zou kunnen voldoen, ook bij langdurige koersval (door middel van een verzekering dan wel afdekking door middel van putopties). De redelijkheid en billijkheid staan gelet op de wijze van totstandkoming van de aandelenlease-overeenkomst aan toewijzing van de vordering tot betaling van de restschuld in de weg. Toewijzing van de vordering zou voorbarig zijn omdat de aandelenlease-overeenkomst wellicht als koop op afbetaling zou moeten worden gezien in welk geval de echtgenote van [H.G.] de aandelenlease-overeenkomst zou kunnen vernietigen.

[H.G.] verzet zich niet tegen de voorwaardelijke wijziging van eis in conventie, maar betwist deze wel inhoudelijk.

5. Vordering en stellingen van [H.G.] in reconventie

[H.G.] vordert de vernietiging van de aandelenlease-overeenkomst (zoals aangeduid onder r.o. 2.2) en de bank te veroordelen in de proceskosten.

[H.G.] verwijst voor de onderbouwing hiervan naar zijn verweer in conventie.

6. Het verweer van de bank in reconventie

De bank concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [H.G.] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

De bank voert daartoe (onder meer) het volgende verweer.

Voor [H.G.] was het gelet op de verstrekte informatie duidelijk dat er werd belegd met geleend geld waarbij een risico op een restschuld bestond. De aandelenlease-overeenkomst is een kant en klaar product waarvoor de door [H.G.] aangevoerde zorgplicht niet geldt. De aandelenlease-overeenkomst is niet een overeenkomst van koop op afbetaling.

7. Beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

7.1 Gelet op de inhoudelijke samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie zoveel als mogelijk gezamenlijk bespreken.

het beroep op art. 1:88 BW

7.2 [H.G.] heeft aangevoerd, dat toewijzing van de vordering voorbarig zou zijn omdat de aandelenlease-overeenkomst wellicht als koop op afbetaling zou moeten worden gezien in welk geval de echtgenote van [H.G.] de aandelenlease-overeenkomst zou kunnen vernietigen. De bank heeft betwist dat art. 1:88 BW op een aandelenlease-overeenkomst als de onderhavige van toepassing is.

Daargelaten de vraag hoe hetgeen [H.G.] heeft aangevoerd rechtens zou moeten worden uitgelegd, is met het vorenstaande gegeven dat partijen een discussiepunt hebben aangesneden dat niet alleen relevant is voor de vraag naar de mogelijke betekenis van art. 1:88 BW maar dat eveneens raakt aan de vraag welke sector van de rechtbank deze zaak dient te beoordelen. De rechtbank zal daarom op dit punt ingaan.

De rechtbank is van oordeel, dat de sector civiel van de rechtbank in deze zaak dient te beslissen en dat art. 1:88 BW hier niet van toepassing is. (Nu geen van partijen heeft aangevoerd dat de sector civiel deze zaak niet zou mogen behandelen, zal de rechtbank hierover in het dictum niets opnemen). Art. 1:88 BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat een echtgenoot de toestemming nodig heeft van de andere echtgenoot voor het sluiten van een overeenkomst van koop op afbetaling. Hiermee wordt bedoeld de overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van art. 7A:1576 BW. De aandelenlease-overeenkomst is echter niet zo'n overeenkomst van koop op afbetaling, omdat deze geen betrekking heeft op de koop van een zaak, dat wil zeggen: een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Dat onder overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van art. 7A:1576 BW slechts een overeenkomst met betrekking tot een zaak dient te worden verstaan, blijkt met zoveel woorden uit het eerste lid van die bepaling zelf. Meer in het bijzonder blijkt dit uit de formulering van het vijfde lid van dat artikel, waarin het in dat artikel bepaalde van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op vermogensrechten. Het feit dat de wet spreekt van overeenkomstige toepassing impliceert dat geen sprake is van rechtstreekse toepasselijkheid en daarmee dat een overeenkomst met betrekking tot een vermogensrecht geen overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van art. 7A:1576 BW is. Dit oordeel sluit aan bij de systematiek van het Burgerlijk Wetboek waarin op meer plaatsen sprake is van vormen van wettelijke analogie, waarbij bijvoorbeeld regels van overeenkomstenrecht van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere meerzijdige rechtshandelingen. Het is een misverstand te menen dat die meerzijdige rechtshandelingen daarmee overeenkomsten zouden worden. Dat zou immers met zich brengen dat de begrippen overeenkomst en meerzijdige rechtshandeling synoniemen zouden worden. Eenzelfde benadering dient bij de interpretatie van artikel 7A:1576 BW te worden gevolgd.

het beroep op dwaling

7.3 [H.G.] heeft zich beroepen op dwaling als bedoeld in art. 6:228 BW, welk beroep kort samengevat inhoudt, dat hij een onjuist beeld van de aandelenlease-overeenkomst had als gevolg van de onjuiste/onvolkomen/misleidende informatieverstrekking door de bank. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer moet worden gepasseerd, omdat het onvoldoende is onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de bank en de vaststaande feiten. Dit oordeel kan als volgt worden toegelicht.

Uit de tekst van de aandelenlease-overeenkomst en de brochure blijkt duidelijk dat geen sprake is van een spaarvorm maar van een belegging met geleend geld. Dit volgt onder meer uit de onder 2.6 vermelde citaten uit de brochure. Daarnaast blijkt dit ook uit de tekst van de overeenkomst, waarin onder meer wordt gesproken over de lease van aandelen en waarin een bedrag aan te betalen rente wordt vermeld. Verder blijkt uit de brochure voldoende duidelijk dat er een risico van een restschuld bestaat. Dit blijkt uit de daarin opgenomen zin: "Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen." Deze vermeldingen moeten als voldoende duidelijk worden bestempeld, omdat de bank ervan mag uitgaan dat personen die zijn geïnteresseerd in producten als de onderhavige tenminste een zodanige kennis bezitten dat zij weten wat wordt bedoeld met termen als "lease" en "aandelen". Anders gezegd: de bank hoeft bij het samenstellen van haar voorlichtingsmateriaal geen rekening te houden met de absolute leek, dat wil zeggen de persoon die in het geheel geen kennis draagt van financiële begrippen als hier aan de orde zijn. Daarnaast moet als uitgangspunt gelden, dat het een feit van algemene bekendheid is, dat aandelen in waarde kunnen fluctueren, waarmee gegeven is dat een belangstellende bedacht moet zijn op de mogelijke consequenties daarvan en in dat licht het hem aangeboden voorlichtingsmateriaal dient te beschouwen. [H.G.] heeft overigens gesteld bekend te zijn met de betekenis van de termen "leasen" en "aandelen" en heeft gezegd dat hem ook wel duidelijk was dat er met geleend geld zou worden belegd in aandelen.

Het is niet alleen een feit van algemene bekendheid dat aandelen in waarde kunnen fluctueren, maar evenzeer dat de hoogte van het (potentiële) rendement van een financieel product is gekoppeld aan het risico daarvan: lage rendementen passen bij lage risico's (zoals bij spaarrekeningen het geval is) en hoge rendementen passen bij hoge risico's (zoals bij het beleggen in aandelen). Dat laatste geldt dan nog in versterkte mate voor het beleggen met geleend geld, waarbij in ieder geval de verplichting bestaat het geleende weer met rente - dat wil zeggen: met een extra kostenpost - terug te betalen. Ook dit is overigens een feit van algemene bekendheid. Gelet op de door de bank verstrekte informatie, de genoemde algemeen bekende feiten en de genoemde (basis)kennis van [H.G.], moet het voor [H.G.] duidelijk zijn geweest dat hij met de aandelenlease-overeenkomst risico's zou lopen. Waar het hem duidelijk was althans moest zijn dat hij zijn inleg zou kunnen verveelvoudigen moest hem immers evenzeer duidelijk zijn dat ook verliezen een veelvoud van die inleg zouden kunnen zijn.

Nu het beroep op dwaling reeds op de genoemde gronden moet worden gepasseerd, kan hetgeen partijen hieromtrent overigens naar voren hebben gebracht verder blijven rusten.

de zorg- en mededelingsverplichtingen van de bank

7.4 In geschil is of de bank haar zorg- en mededelingsverplichtingen jegens [H.G.] heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel, dat de normen met betrekking tot die zorg- en mededelingsverplichtingen niet alleen kunnen worden gevonden in bepalingen zoals bijvoorbeeld de artikelen 32 en 33 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), maar dat deze evenzeer voortvloeien uit het ongeschreven recht. De rechtbank zal daarom bij de bespreking niet met zoveel woorden ingaan op de aangehaalde wettelijke bepalingen maar uitgaan van de (onder meer) daarin vervatte materiële normen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

7.5 De aandelenlease-overeenkomst is een risicovol product, omdat (1) wordt belegd in aandelen met geleend geld, (2) gedurende een relatief korte looptijd, (3) met een spreiding over slechts drie fondsen terwijl (4) niet is voorzien in een voorziening om verliezen door koersdalingen op te vangen. De bank diende daarom in beginsel zodanige informatie te verstrekken dat aard en risico van de aandelenlease-overeenkomst voor [H.G.] voldoende duidelijk zouden kunnen zijn.

Of aan die maatstaf is voldaan dient mede te worden beschouwd in het licht van de kennis van en ervaring met beleggen van [H.G.]. Deze heeft gesteld als leek niets te weten van aandelen, maar wel bekend te zijn met de termen "aandelen" en "leasen".

7.6 Tegen de achtergrond van het onder 7.3 en 7.5 overwogene is de rechtbank van oordeel, dat uit de tekst van de aandelenlease-overeenkomst en de brochure voor [H.G.] voldoende duidelijk blijkt althans heeft moeten blijken, (1) dat wordt belegd met geleend geld, (2) welke bedragen daarmee zijn gemoeid, (3) wat de looptijd is en (4) dat het risico bestaat dat er bij de eindafrekening een restschuld aan de bank kan resteren. Dit betekent dat de bank voldoende informatie heeft verschaft.

7.7 Een andere vraag is of de bank de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. [H.G.] heeft in dat verband gesteld, dat de bank heeft verzuimd te onderzoeken of de bestedingsruimte van [H.G.] toereikend was. De bank heeft betwist daartoe verplicht te zijn, omdat de aandelenlease-overeenkomst een kant-en-klaar product is waarbij de uitvoering volledig is vastgelegd.

Partijen raken hier aan de vraag of op de bank bij handelingen in het kader van het effectenbedrijf een verplichting rust - zoals is neergelegd in artikel 28 NR 1999 - die inhoudt dat de bank bij haar klanten informatie moet inwinnen betreffende hun financiële positie, beleggingservaring en - doelstellingen. Dit alles voor zover redelijkerwijs relevant bij de uitvoering van de te verrichten diensten.

Hier gaat het dan om de aandelenlease-overeenkomst. Kenmerkend daarvoor is dat er een keuzemoment is voor de klant bij het aangaan van de overeenkomst. Deze keuze is overzichtelijk: er wordt wel of niet voor een bepaald bedrag aan aandelen gekocht (met geleend geld). Als de overeenkomst eenmaal is gesloten volgen er géén nadere keuzemomenten meer bij de uitvoering daarvan.

De rechtbank is van oordeel, dat het bij een aandelenlease-overeenkomst als de onderhavige niet nodig is om de beleggingservaring en -doelstellingen van de klant te inventariseren, (1) gelet op de overzichtelijkheid van de keuze waarvoor de klant staat bij het aangaan van de overeenkomst en (2) omdat er in het kader van de aandelenlease-overeenkomst geen beslissingen meer worden genomen nadat de overeenkomst gesloten is, zodat de betrokken informatie praktisch geen rol zou kunnen spelen. De rechtbank verwijst hierbij naar de toelichting op art. 28 NR 1999 (Stcrt. 1999, nr. 12) en dan met name naar de volgende twee passages:

"De mate waarin een effecteninstelling zich moet verdiepen in de achtergronden van haar cliënt hangt samen met de dienst die zij verleent. Wanneer een effecteninstelling zich bij haar dienstverlening bijvoorbeeld beperkt tot het doorgeven of uitvoeren van door de cliënt uitdrukkelijk op eigen initiatief gegeven effectenorders, kan de effecteninstelling met betrekking tot de financiële positie zich beperken tot het zich ervan te vergewissen dat de cliënt over voldoende middelen beschikt om de verplichtingen na te komen die uit de transactie voortvloeien en is de beleggingsdoelstelling niet dan wel minder relevant."

"Wanneer een effecteninstelling het vermogen beheert ten behoeve van haar cliënt zal de instelling zich ook moeten verdiepen in de bij de cliënt aanwezige effectenkennis, de risicobereidheid van de cliënt en het vermogen van de cliënt om risico's te dragen."

De rechtbank is van oordeel, dat op de bank wel de verplichting rustte om te verifiëren of [H.G.] over voldoende middelen beschikte om de verplichtingen uit de aandelenlease-overeenkomst na te komen vanwege de hoogte van het aankoopbedrag van de geleasde aandelen van € 19.687,23. Door de omvang van de waarde van de aandelen bestond immers ook de kans op een substantieel verlies, welk verlies dan tot een verplichting uit de overeenkomst zou leiden naast de maandelijkse verplichtingen, namelijk de verplichting tot het voldoen van de zogenaamde restschuld. Doel van deze inventarisatie van de financiële positie is te kunnen vaststellen of het aangaan van de aandelenlease-overeenkomst in het betrokken geval financieel verantwoord is of niet.

Het argument van de bank, dat de in bijvoorbeeld art. 28 NR 1999 vervatte zorgplicht niet geldt omdat er sprake is van een kant-en-klaar product waarvan de uitvoering vaststaat, gaat niet op voor wat betreft het inwinnen van informatie over de financiële positie, omdat dit betrekking heeft op het aangaan en niet op de uitvoering van de overeenkomst.

Vaststaat dat de bank geen enkele informatie over de financiële positie van [H.G.] heeft ingewonnen, waarmee is gegeven dat de bank op genoemd punt niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.

7.8 De vraag is vervolgens welke betekenis hieraan moet worden toegekend. De rechtbank stelt vast, dat de voornoemde schending van haar zorgplicht door de bank heeft plaatsgevonden in de precontractuele fase zodat deze moet worden geduid als een onrechtmatige daad. De rechtbank is van oordeel, dat hierin geen grond gevonden kan worden om de aandelenlease-overeenkomst te vernietigen. De rechtbank laat de vraag rusten of genoemde schending eveneens als toerekenbare tekortkoming kan worden gezien en als zodanig de grond zou kunnen vormen voor ontbinding van de overeenkomst aangezien dit is gesteld noch (in reconventie) gevorderd. Nu er geen sprake is of kan zijn van een aantasting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst op deze grond, resteert slechts de door [H.G.] aangevoerde mogelijkheid dat de genoemde schending van de zorgplicht maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om het in conventie gevorderde toe te wijzen. De rechtbank is echter van oordeel, dat daarvan geen sprake kan zijn reeds omdat de praktische gevolgen ervan te beperkt zijn. Dit blijkt uit het volgende. [H.G.] heeft op één na alle maandtermijnen voldaan, welke hij naar eigen zeggen gewoon uit zijn maandloon kon betalen. In zoverre kon [H.G.] dus feitelijk aan zijn verplichtingen uit de aandelenlease-overeenkomst voldoen. Met betrekking tot de nu nog resterende verplichtingen uit de aandelenlease-overeenkomst heeft [H.G.] gesteld - naar de rechtbank heeft begrepen - dat hij dat bedrag nu niet althans niet volledig heeft en dat hij voor de betaling daarvan zou moeten lenen. Nu echter is gesteld noch gebleken dat [H.G.] een dergelijk krediet niet zou kunnen krijgen - terwijl het gelet op de omvang van het bedrag voor de hand ligt dat hij dit wel zou kunnen krijgen - kan niet worden gezegd dat hij niet aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen. Het kan namelijk niet zo zijn dat er eerst gesproken zou kunnen worden van het kunnen voldoen aan verplichtingen uit een overeenkomst indien de som van die verplichtingen in contanten of direct opeisbare tegoeden op (spaar)rekeningen voorhanden is op het tijdstip van de contractsluiting of gedurende de looptijd van de overeenkomst. Toereikende kredietwaardigheid moet daarbij zonder meer worden betrokken. Kortom: dat de bank niet tevoren heeft gecontroleerd of [H.G.] aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen is rechtens niet relevant nu is gesteld noch gebleken dat hij daaraan feitelijk niet kan of heeft kunnen voldoen.

diversen

7.9 Aan de stelling van [H.G.] met betrekking tot het misleidend karakter van de reclame voor de betrokken aandelenlease-overeenkomsten kan naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis toekomen. Niet alleen is het gebruikelijk dat in reclame-uitingen sterk de nadruk wordt gelegd op de positieve kanten van het gepresenteerde product, maar in dit geval is dat van weinig belang nu de vraag naar de deugdelijkheid van de informatievoorziening moet worden beantwoord tegen de achtergrond van alle ter kennis van [H.G.] gebrachte informatie. Anders gezegd: zo [H.G.] al op basis van eerdere reclame-uitingen een verkeerd beeld van de aandelenlease-overeenkomst zou hebben kunnen krijgen dan nog zou gelden, dat met de tekst van de hem toegezonden overeenkomst en brochure dit beeld in voldoende mate zou zijn of kunnen worden bijgesteld. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.3 en 7.5.

7.10 [H.G.] heeft gesteld, dat de bank heeft verzuimd in de aandelenlease-overeenkomst een mechanisme in te bouwen waardoor eventuele verliezen zouden worden beperkt. Aan deze stelling komt naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis toe. Er is geen algemene rechtsplicht tot het inbouwen van een dergelijke voorziening in een aandelenlease-overeenkomst. Of een dergelijke voorziening aanwezig is, is wel van invloed op de aan zo'n overeenkomst verbonden risico's en dat vertaalt zich vervolgens weer in de eisen die moeten worden gesteld aan de voorlichting door de bank aan de gegadigde omtrent die risico's. De rechtbank heeft dit aspect verdisconteerd in haar overwegingen omtrent de zorg- en mededelingsverplichtingen van de bank door de aandelenlease-overeenkomst te kwalificeren als een risicovol product.

slotsom

7.11 Uit het vorenoverwogene volgt, dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen. De voorwaarde betreffende het voorwaardelijke deel van de vordering in conventie is daarmee niet vervuld, zodat de rechtbank aan dat deel van de vordering niet toekomt. Het onvoorwaardelijke deel van de vordering in conventie ligt grotendeels voor toewijzing gereed met inachtneming van het volgende.

7.12 In geschil is of de contractuele rente van 0,96% per maand ook van toepassing is na afloop van de voorziene looptijd van drie jaar. De rechtbank is van oordeel, dat die contractuele rente ook van toepassing blijft na afloop van de door partijen voorziene looptijd van drie jaar indien hetgeen [H.G.] op grond van die overeenkomst aan de bank verschuldigd is niet of niet volledig is voldaan. In zoverre is de lening dan immers niet volledig afgelost en werkt de contractueel overeengekomen rente over die geleende maar nog niet terugbetaalde bedragen door totdat volledig is betaald. Dat wil zeggen dat de post rente voor toewijzing gereed ligt.

7.13 De bank heeft een bedrag aan incassokosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak en dat het bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De bank heeft gesteld, dat zij tweemaal een herinnering en éénmaal een aangetekende incassobrief heeft verzonden. Daarna heeft zij de Groep Gerechtsdeurwaarders Nederland ook éénmaal een incassobrief laten versturen. Andere relevante incassohandelingen zijn gesteld noch gebleken. (De rechtbank heeft bij dit oordeel productie 5 bij de dagvaarding betrokken). Het hiermee gemoeide aantal uren is niet gesteld.

De rechtbank is van oordeel, dat daarmee niet is gebleken van voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komende kosten. Dit betekent dat de post incassokosten en de daarover berekende BTW moeten worden afgewezen.

7.14 De vorenstaande overwegingen kunnen de na te noemen beslissingen dragen. De overige stellingen en weren kunnen als niet langer terzake doende buiten beschouwing worden gelaten.

7.15 [H.G.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

In conventie

veroordeelt [H.G.] aan de bank te betalen een bedrag van € 11.677,76, vermeerderd met de contractuele rente van 0,96% per maand vanaf 23 mei 2003 tot de dag der algehele voldoening;

In reconventie

wijst de vordering af;

In conventie en in reconventie

veroordeelt [H.G.] in de proceskosten van de bank, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 245,00 aan griffierechten,

€ 84,25 aan explootkosten en

€ 975,00 aan salaris procureur;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.M.L.M. Magnée, R. Kluin en A.H.M.J.F. Piëtte en op de openbare civiele terechtzitting van 28 april 2004 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: rk