Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AO8344

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
26-04-2004
Zaaknummer
57814 / HA ZA 03-675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease: koop op afbetaling?, dwaling?, zorg- en mededelingsplicht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 436
JOR 2004/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 21 april 2004

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

procureur: mr. H.J.A. Ewalds;

tegen:

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie:

[H.J.H.],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. M.J.P. Hennissen.

Partijen worden aangeduid als:

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie: de bank;

gedaagde in conventie, eiser in reconventie: [H.J.H.].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 23 september 2003 met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte voorwaardelijke wijziging van eis in conventie met bijlagen;

- het rolbericht van 14 januari 2004 waarbij de eiswijziging is toegelaten;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 5 februari 2004.

2. Vaststaande feiten in conventie en in reconventie

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.1 De bank is rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V. die op haar beurt rechtsopvolgster is van Legio Lease B.V. De rechtbank zal hierna ten behoeve van de leesbaarheid steeds spreken over "de bank" waarmee dan eiseres en/of haar rechtsvoorgangsters worden aangeduid.

2.2 De bank en [H.J.H.] hebben een aandelenlease-overeenkomst genaamd "Winstverdriedubbelaar" gesloten gedateerd 15 maart 2000 (hierna: de aandelenlease-overeenkomst). Op deze overeenkomst zijn van toepassing de Bijzondere voorwaarden effectenlease van de bank (hierna: de bijzondere voorwaarden).

2.3 De aandelenlease-overeenkomst houdt in dat [H.J.H.] bij de bank een lening heeft gesloten waarmee voor zijn risico door de bank aandelen zijn gekocht. Deze aandelen betreffen een drietal fondsen, namelijk ABN AMRO, AHOLD en ING. De aandelen zijn in drie termijnen aangekocht tegen een vooraf bepaald aankoopbedrag. De overeengekomen looptijd van 36 maanden is verstreken (op 14 maart 2003).

2.4 De aankoopbedragen van de aandelen zijn in totaal € 19.327,59. De gedurende de gehele looptijd door [H.J.H.] te betalen rente bedraagt € 4.055,40. Het rentepercentage is 0,96% per maand. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 23.382,99.

De betaling hiervan diende als volgt plaats te vinden:

36 maandtermijnen van elk € 112,65;

een bedrag van € 45,38 in of omstreeks de 35e maand en

een bedrag van € 19.282,21 aan het einde van de aandelenlease-overeenkomst, welk bedrag in beginsel wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

2.5 [H.J.H.] heeft van de bank ontvangen de aandelenlease-overeenkomst, de bijzondere voorwaarden, een fiscale opinie en een brochure over de "Winstverdriedubbelaar" (hierna: de brochure).

2.6 In geschil is welke brochure precies door de bank aan [H.J.H.] is toegezonden, maar daarin heeft in ieder geval het volgende gestaan:

"Uw inleg bestaat volledig uit rente."

"Uw maandbedrag bestaat geheel uit 0,96% rente (12,1% effectief per jaar)."

"Uw lease-overeenkomst heeft een vaste looptijd van drie jaar."

"Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen." dan wel: "Mochten uw aandelen onverhoopt minder waard zijn geworden, dan zou u het verschil tussen de af te lossen hoofdsom en de verkoopopbrengst van uw aandelen moeten bijbetalen."

3. Vordering en stellingen van de bank in conventie

De bank vordert [H.J.H.] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.978,31, vermeerderd met de contractuele rente van 0,96% per maand, althans de wettelijke rente, over € 11.539,05, vanaf 16 augustus 2003 tot de dag der algehele voldoening en de proceskosten.

De bank stelt daartoe het volgende.

Het door [H.J.H.] verschuldigde bestaat uit de volgende onderdelen.

[H.J.H.] weigert de eindafrekening van € 11.539,05 te betalen. Deze eindafrekening is berekend door het restant hoofdsom van € 19.282,21 te vermeerderen met de eerste aflossingstermijn van € 45,38 en een resterende maandtermijn van € 112,65 en daarna de som daarvan te verminderen met de verkoopopbrengst van de geleasde aandelen van € 7.901,19.

De contractuele rente over het tijdvak van 14 maart 2003 tot en met 15 augustus 2003 bedraagt € 509,97.

De gemaakte incassokosten bedragen € 781,00 en de BTW daarover € 148,39.

Verder vordert de bank - onder de voorwaarde van toewijzing van de eis van [H.J.H.] in reconventie - [H.J.H.] te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de effectenlease-overeenkomst genoemde effecten (€ 19.282,21) minus de waarde van de bedoelde effecten op de datum van vernietiging of ontbinding van de betreffende lease-overeenkomst.

De bank baseert deze voorwaardelijke vordering op art. 6:278 BW.

4. Verweer van [H.J.H.] in conventie

[H.J.H.] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de bank in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

[H.J.H.] voert daartoe het volgende verweer.

[H.J.H.] heeft gedwaald als bedoeld in art. 6:228 BW. Hij wist niet dat hij een geldlening aanging, maar dacht dat het een soort spaarplan betrof. Hij wist evenmin dat hij het risico liep een restschuld over te houden en zou de overeenkomst niet zijn aangegaan als hij dat wel geweten had. De bank heeft verzuimd [H.J.H.] over dit risico te informeren. De bank heeft misleidende reclame gemaakt waarin eenzijdig de winstkansen zijn benadrukt en de risico's zijn versluierd of verzwegen. De bank heeft geschonden: art. 32 en art. 33, tweede lid, Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna NR 1999) en met name de voorschriften op grond van artikel 7.6 van bijlage 7 ter uitvoering van art. 33 NR 1999. De bank heeft verder geschonden: art. 25 NR 1999 en art. 2 Algemene Bankvoorwaarden. De bank heeft daardoor maar ook los daarvan haar zorg- en mededelingsverplichting jegens [H.J.H.] geschonden. De bank heeft verzuimd de nodige informatie bij [H.J.H.] in te winnen en heeft daardoor art. 28, eerste lid, NR 1999 geschonden. De bank heeft verzuimd een mechanisme in de aandelenlease-overeenkomst in te bouwen waardoor eventuele verliezen zouden worden beperkt. De bank heeft in strijd met art. 33, eerste lid sub g, NR 1999 verzuimd [H.J.H.] te informeren over de mogelijkheid de effectenlease-overeenkomst af te kopen. De echtgenote van [H.J.H.] heeft de effectenlease-overeenkomst vernietigd, omdat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 1:88 BW.

5. Vordering en stellingen van [H.J.H.] in reconventie

[H.J.H.] vordert:

- de vernietiging dan wel ontbinding van de effectenlease-overeenkomst;

- de bank te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.055,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2000 tot aan de dag van algehele voldoening en de proceskosten.

Voor de stellingen van [H.J.H.] verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4. is vermeld. Het gevorderde schadebedrag van € 4.055,40 bestaat uit de door [H.J.H.] betaalde rentetermijnen.

6. Het verweer van de bank in reconventie

De bank concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [H.J.H.] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

De rechtbank zal waar nodig nader ingaan op de verweren van de bank.

7. Beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

7.1 Gelet op de inhoudelijke samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie zoveel als mogelijk gezamenlijk bespreken.

het beroep op art. 1:88 BW

7.2 [H.J.H.] heeft zich beroepen op de vernietiging van de aandelenlease-overeenkomst door zijn echtgenote. Deze is gebaseerd op een gestelde schending van art. 1:88 BW inhoudende dat zijn echtgenote niet de vereiste toestemming voor het sluiten van de aandelenlease-overeenkomst heeft verleend. De bank heeft betwist dat art. 1:88 BW op een aandelenlease-overeenkomst als de onderhavige van toepassing is.

De rechtbank is met de bank van oordeel, dat art. 1:88 BW hier niet van toepassing is. Art. 1:88 BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat een echtgenoot de toestemming nodig heeft van de andere echtgenoot voor het sluiten van een overeenkomst van koop op afbetaling. Dit verwijst naar de overeenkomst van koop op afbetaling in art. 7A:1576 BW. De aandelenlease-overeenkomst is echter niet zo'n overeenkomst van koop op afbetaling, omdat deze geen betrekking heeft op de koop van een zaak, dat wil zeggen: een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Dat onder overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van art. 7A:1576 BW een overeenkomst met betrekking tot een zaak dient te worden verstaan, blijkt met zoveel woorden uit het eerste lid van die bepaling zelf. Meer in het bijzonder blijkt dit uit de formulering van het vijfde lid van dat artikel, waarin het in dat artikel bepaalde van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op vermogensrechten. Het feit dat de wet spreekt van overeenkomstige toepassing impliceert dat geen sprake is van rechtstreekse toepasselijkheid en daarmee dat een overeenkomst met betrekking tot een vermogensrecht geen overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van art. 7A:1576 BW is. Dit oordeel sluit aan bij de systematiek van het Burgerlijk Wetboek waarin op meer plaatsen sprake is van vormen van wettelijke analogie, waarbij bijvoorbeeld regels van overeenkomstenrecht van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere meerzijdige rechtshandelingen. Het is een misverstand te menen dat die meerzijdige rechtshandelingen daarmee overeenkomsten zouden worden. Dat zou immers met zich brengen dat de begrippen overeenkomst en meerzijdige rechtshandeling synoniemen zouden worden. Eenzelfde benadering dient bij de interpretatie van artikel 7A:1576 BW te worden gevolgd.

Uit het vorenoverwogene volgt, dat de stelling van [H.J.H.] betreffende voornoemde buitengerechtelijke vernietiging geen doel kan treffen.

het beroep op dwaling

7.3 [H.J.H.] heeft zich beroepen op dwaling als bedoeld in art. 6:228 BW, welk beroep kort samengevat inhoudt, dat hij een onjuist beeld van de aandelenlease-overeenkomst had als gevolg van de onjuiste/onvolkomen informatieverstrekking door de bank. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer moet worden gepasseerd, omdat het onvoldoende is onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de bank en de vaststaande feiten. Dit oordeel kan als volgt worden toegelicht.

Uit de tekst van de aandelenlease-overeenkomst en de brochure blijkt duidelijk dat geen sprake is van een spaarvorm maar van een belegging met geleend geld. Dit volgt onder meer uit de onder 2.6 vermelde citaten uit de brochure. Daarnaast blijkt dit ook uit de tekst van de overeenkomst, waarin onder meer wordt gesproken over de lease van aandelen en waarin een bedrag aan te betalen rente wordt vermeld. Verder blijkt uit de brochure voldoende duidelijk dat er een risico van een restschuld bestaat. Dit blijkt uit de daarin opgenomen zin: "Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen." dan wel de variant: "Mochten uw aandelen onverhoopt minder waard zijn geworden, dan zou u het verschil tussen de af te lossen hoofdsom en de verkoopopbrengst van uw aandelen moeten bijbetalen". (Welke van deze twee zinnen nu werkelijk in de aan [H.J.H.] toegezonden brochure heeft gestaan, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant.) Deze vermeldingen moeten als voldoende duidelijk worden bestempeld, omdat de bank ervan mag uitgaan dat personen die zijn geïnteresseerd in producten als de onderhavige tenminste een zodanig kennis bezitten dat zij weten wat wordt bedoeld met termen als "lease" en "aandelen". Anders gezegd: de bank hoeft bij het samenstellen van haar voorlichtingsmateriaal geen rekening te houden met de absolute leek, dat wil zeggen de persoon die in het geheel geen kennis draagt van financiële begrippen als hier aan de orde zijn. Daarnaast moet als uitgangspunt gelden, dat het een feit van algemene bekendheid is, dat aandelen in waarde kunnen fluctueren, waarmee gegeven is dat een belangstellende bedacht moet zijn op de mogelijke consequenties daarvan en in dat licht het hem aangeboden voorlichtingsmateriaal dient te beschouwen. [H.J.H.] heeft overigens gesteld bekend te zijn met de betekenis van de termen "leasen" en "aandelen".

Afgezien van het feit, dat de genoemde teksten voldoende duidelijk zijn, zou een beroep op dwaling gelet op de onduidelijkheid daarvan aan [H.J.H.] niet toekomen nu hij ter comparitie heeft verklaard dat (1) hij aan de teksten met betrekking tot de rente en de mogelijkheid van bijbetalen geen aandacht heeft besteed, (2) hij de hem toegezonden fiscale opinie niet heeft gelezen omdat hij dergelijke brieven niet leest aangezien hij het daarin gehanteerde jargon niet kent, (3) hij voor dergelijke aangelegenheden adviseurs heeft, die hij echter ten aanzien van deze aandelenlease-overeenkomst niet heeft geraadpleegd en (4) hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij de informatie vooraf kritisch had doorgelezen. Zo in dit geval al dwaling zou kunnen worden aangenomen dan nog zou dit beroep [H.J.H.] niet kunnen baten aangezien die dwaling dan vanwege de voornoemde punten voor zijn rekening zou dienen te blijven.

Nu het beroep op dwaling reeds op de genoemde gronden moet worden gepasseerd, kan hetgeen partijen hieromtrent overigens naar voren hebben gebracht verder blijven rusten.

de zorg- en mededelingsverplichtingen van de bank

7.4 In geschil is of de bank haar zorg- en mededelingsverplichtingen jegens [H.J.H.] heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel, dat de normen met betrekking tot die zorg- en mededelingsverplichtingen niet alleen kunnen worden gevonden in de door [H.J.H.] aangehaalde bepalingen zoals bijvoorbeeld de artikelen 32 en 33 NR 1999, maar dat deze evenzeer voortvloeien uit het ongeschreven recht. De rechtbank zal daarom bij de bespreking niet met zoveel worden ingaan op de aangehaalde wettelijke bepalingen maar uitgaan van de (onder meer) daarin vervatte materiële normen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

7.5 De aandelenlease-overeenkomst is een risicovol product, omdat (1) wordt belegd in aandelen met geleend geld, (2) gedurende een relatief korte looptijd, (3) met een spreiding over slechts drie fondsen terwijl (4) niet is voorzien in een voorziening om verliezen door koersdalingen op te vangen. De bank diende daarom in beginsel zodanige informatie te verstrekken dat aard en risico van de aandelenlease-overeenkomst voor [H.J.H.] voldoende duidelijk zouden kunnen zijn.

Of aan die maatstaf is voldaan dient mede te worden beschouwd in het licht van de kennis van en ervaring met beleggen van [H.J.H.]. Deze heeft gesteld weinig kennis van beleggen te hebben, maar wel bekend te zijn met de termen "aandelen" en "leasen". Verder heeft [H.J.H.] gesteld zelfstandig ondernemer te zijn (fysiotherapeut) maar zijn financiële zaken uit te besteden aan een financieel adviseur en een accountant.

7.6 Tegen de achtergrond van het onder 7.3 en 7.5 overwogene is de rechtbank van oordeel, dat uit de tekst van de aandelenlease-overeenkomst en de brochure voldoende duidelijk blijkt, (1) dat wordt belegd met geleend geld, (2) welke bedragen daarmee zijn gemoeid, (3) wat de looptijd is en (4) dat het risico bestaat dat er bij de eindafrekening een restschuld aan de bank kan resteren.

Afgezien daarvan kan [H.J.H.] zich in rechte niet met succes beroepen op de door hem gestelde ontoereikende informatievoorziening door de bank nu hij ter comparitie heeft toegegeven daarvan niet of nauwelijks kennis te hebben genomen en te hebben nagelaten - nu hij zich er zelf niet in heeft willen verdiepen - deze informatie voor te leggen aan de financiële adviseur en/of accountant die hij zegt normaliter bij financiële aangelegenheden te raadplegen. In deze omstandigheden is een dergelijke beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

7.7 In het verlengde van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel, dat [H.J.H.] zich evenmin kan beroepen op de door hem gestelde nalatigheid van de bank die zou bestaan uit het nalaten van de opstelling van een klantenprofiel (art. 28 NR 1999). Daargelaten de vraag of die verplichting bij een aandelenlease-overeenkomst als de onderhavige inderdaad bestaat, kan [H.J.H.] zich hierop niet beroepen nu hij zichzelf niet eens de vraag heeft gesteld wat de aard en de risico's van de aandelenlease-overeenkomst waren en of hij die risico's wel wenste aan te gaan, terwijl de door de bank geboden informatie daartoe zeker wel de mogelijkheid bood. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de in de overeenkomst genoemde bedragen (zoals genoemd onder rechtsoverweging 2.4) en de indicatie van de mogelijkheid van een restschuld (zoals genoemd onder rechtsoverweging 2.6).

diversen

7.8 Aan de stelling van [H.J.H.] met betrekking tot het misleidend karakter van de reclame voor de betrokken aandelenlease-overeenkomsten (en het daarop gebaseerde onrechtmatig handelen van de bank) kan naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis toekomen. Niet alleen is het gebruikelijk dat in reclame-uitingen sterk de nadruk wordt gelegd op de positieve kanten van het gepresenteerde product, maar in dit geval is dat van weinig belang nu de vraag naar de deugdelijkheid van de informatievoorziening moet worden beantwoord tegen de achtergrond van alle ter kennis van [H.J.H.] gebrachte informatie. Anders gezegd: zo [H.J.H.] al op basis van eerdere reclame-uitingen een verkeerd beeld van de aandelenlease-overeenkomst zou hebben kunnen krijgen dan nog zou gelden, dat met de tekst van de hem toegezonden overeenkomst en brochure dit beeld in voldoende mate zou zijn of kunnen worden bijgesteld. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.6.

7.9 Partijen stellen beide, dat de saldibewakingsplicht als bedoeld in art. 28, derde lid, NR 1999 hier niet relevant is, zodat deze onbesproken moet blijven.

7.10 [H.J.H.] heeft gesteld, dat de bank heeft verzuimd in de aandelenlease-overeenkomst een mechanisme in te bouwen waardoor eventuele verliezen zouden worden beperkt. Aan deze stelling komt naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis toe. Er is geen algemene rechtsplicht tot het inbouwen van een dergelijke voorziening in een aandelenlease-overeenkomst. Of een dergelijke voorziening aanwezig is, is wel van invloed op de aan zo'n overeenkomst verbonden risico's en dat vertaalt zich vervolgens weer in de eisen die moeten worden gesteld aan de voorlichting door de bank aan de gegadigde omtrent die risico's. De rechtbank heeft dit aspect verdisconteerd in haar overwegingen omtrent de zorg- en mededelingsverplichtingen van de bank door de aandelenlease-overeenkomst te kwalificeren als een risicovol product (zie rechtsoverweging 7.5).

7.11 [H.J.H.] heeft gesteld, dat de bank heeft verzuimd hem te informeren over de mogelijkheid de effectenlease-overeenkomst af te kopen (art. 33, lid 1 sub g, NR 1999). Dit verweer moet naar het oordeel van de rechtbank worden gepasseerd op de grond dat is gesteld noch gebleken dat [H.J.H.] van een dergelijke mogelijkheid gebruik had willen maken dan wel wat daarvan dan de relevantie zou zijn voor het lot van de vordering in conventie.

slotsom

7.12 Uit het vorenoverwogene volgt, dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. De voorwaarde betreffende het voorwaardelijke deel van de vordering in conventie is daarmee niet vervuld, zodat de rechtbank aan dat deel van de vordering niet toekomt. Het onvoorwaardelijke deel van de vordering in conventie ligt grotendeels voor toewijzing gereed met inachtneming van het volgende.

7.13 In geschil is of de contractuele rente van 0,96% per maand ook van toepassing is na afloop van de voorziene looptijd van drie jaar. De rechtbank is van oordeel, dat die contractuele rente ook van toepassing blijft na afloop van de door partijen voorziene looptijd van drie jaar indien hetgeen [H.J.H.] op grond van die overeenkomst aan de bank verschuldigd is niet of niet volledig is voldaan. In zoverre is de lening dan immers niet volledig afgelost en werkt de contractueel overeengekomen rente over die geleende maar nog niet terugbetaalde bedragen door totdat volledig is betaald. Dat wil zeggen dat de post rente voor toewijzing gereed ligt.

7.14 De bank heeft een bedrag aan incassokosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak en dat het bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De bank heeft gesteld, dat zij tweemaal een herinnering en éénmaal een aangetekende incassobrief heeft verzonden. Daarna heeft zij de Groep Gerechtsdeurwaarders Nederland ook éénmaal een incassobrief laten versturen. Andere relevante incassohandelingen zijn gesteld noch gebleken. (De rechtbank heeft bij dit oordeel productie 4 bij de dagvaarding betrokken). Het hiermee gemoeide aantal uren is niet gesteld.

De rechtbank is van oordeel, dat daarmee niet is gebleken van voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komende kosten. Dit betekent dat de post incassokosten en de daarover berekende BTW moeten worden afgewezen.

7.15 De vorenstaande overwegingen kunnen de na te noemen beslissingen dragen. De overige stellingen en weren kunnen als niet langer terzake doende buiten beschouwing worden gelaten.

7.16 [H.J.H.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

In conventie

veroordeelt [H.J.H.] aan de bank te betalen een bedrag van € 11.539,05, vermeerderd met de contractuele rente van 0,96% per maand vanaf 14 maart 2003 tot de dag der algehele voldoening;

In reconventie

wijst de vorderingen af;

In conventie en in reconventie

veroordeelt [H.J.H.] in de proceskosten van de bank, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 245,00 aan griffierechten,

€ 81,16 aan explootkosten en

€ 975,00 aan salaris procureur;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.M.L.M. Magnée, R. Kluin en I.R.A. Timmermans-Vermeer en op de openbare civiele terechtzitting van 21 april 2004 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: rk