Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AO5993

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
21-06-2004
Zaaknummer
03 / 380 WOW44 K1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bouwvergunning, geen aanvang werkzaamheden binnen 26 weken.

Uitspraak bevestigd door Raad van State, LJN AR8360.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03/380 WOW44 K1

Inzake : [eiser], wonende te [plaats], Portugal, eiser,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 18 februari 2003,

kenmerk: 1/OMB/2002/9573.

Datum van behandeling ter zitting: 29 januari 2004

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 8 oktober 2002, waarbij de bouwvergunning voorzover betrekking hebbend op de te bouwen kassen wordt ingetrokken en de bouwvergunning ten aanzien van de (werktuigen)loods in stand wordt gelaten, ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 18 februari 2003 heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 januari 2004.

Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Beeren.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 12 januari 2000 heeft verweerder aan eiser bouwvergunning verleend voor de bouw van kassen en een (werktuigen)loods aan de [lokatie].

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft verweerder de bouwvergunning voorzover betrekking hebbend op de kassen ingetrokken. De intrekking is gebaseerd op de overweging dat het college ingevolge het bepaalde in artikel 59 van de Woningwet een bouwvergunning kan intrekken indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning (19 mei 2000) geen begin met de werkzaamheden is gemaakt en dat eiser (op 8 oktober 2002) ruimschoots in de gelegenheid is geweest met de bouw van de kassen een aanvang te nemen en dit niet heeft gedaan.

De grieven van eiser

Het verslag van de hoorzitting is onjuist en onvolledig en verweerder heeft dientengevolge geen juiste beoordeling kunnen maken.

De vergunning kan niet gedeeltelijk worden ingetrokken. De loods en de kassen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De loods is ten dienste van de exploitatie van de kassen.

Na het verlenen van de vergunning heb ik gezondheidsproblemen gekregen. Ik heb het perceel eerst te koop aangeboden en het later wegens een verbetering van mijn gezondheid en de steeds duidelijker wordende wens van mijn zoon om in die branche verder te gaan weer uit de verkoop gehaald. Daarna trad er weer een verslechtering van mijn gezondheid in en heb ik de activiteiten weer wat vertraagd.

Ik heb de gemeente van een en ander steeds op de hoogte gehouden.

Mijn gezondheidsproblemen behoefden aan de bouwactiviteiten niet in de weg te staan maar na de bouw komt de exploitatie en daarvoor moet je in goede conditie zijn. Ik kan wel taxaties doen voor het makelaarskantoor van mijn vrouw maar dat zegt niets over de mogelijkheid om een groot tuinbouwbedrijf te runnen. Ik ben op de hoorzitting niet nader ingegaan op mijn gezondheidsproblemen omdat ik de hoorzitting daarvoor niet de juiste weg vond. Dit zou via mijn behandelend arts moeten.

De bouwplannen hebben inmiddels een aantal jaren geduurd maar het is altijd de bedoeling geweest om de tuinbouw in Nederland te continueren ook al heb ik met mijn vrouw een makelaarskantoor in Portugal opgestart.

Eerst was het de bedoeling dat een van mijn zonen mij zou opvolgen en nu is de opzet om het plan met één zoon uit te voeren. Van een en ander heb ik verweerder steeds op de hoogte gesteld.

Ik had en heb geen speculatieve bedoelingen met de bouwaanvraag.

De twee perceeltjes die ik aan de buurman heb verkocht waren voor het bouwplan niet van groot belang en de verkoop geschiedde als beloning voor het feit dat de buurman geen bezwaar maakte tegen mijn bouwaanvragen.

Het standpunt van verweerder

Hetgeen in het verslag is opgenomen vormt een duidelijke en correcte weergave van hetgeen door de aanwezigen is medegedeeld. Dat het college op basis van dat verslag geen goede beoordeling heeft kunnen maken is onjuist.

Uit de toelichting van de wet en uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat een bouwvergunning ook gedeeltelijk kan worden ingetrokken. Als criterium geldt dan dat gebouwen, die ofschoon binnen het verband van een project voorzien, naar ligging, beoogde functie en verkeersvoorzieningen duidelijk te scheiden moeten zijn. (Afdeling rechtspraak Raad van State 2 juni 1992). In de op 1 januari 2003 in werking getreden Woningwet is in de tekst ook zelf opgenomen dat een bouwvergunning geheel danwel gedeeltelijk kan worden ingetrokken.

De bouwvergunning voor de loods is in stand gelaten omdat met de bouw al een (beperkte) aanvang was gemaakt.

Met de bouw van de kassen is nog helemaal geen aanvang gemaakt. De loods kan ook een functie vervullen die los staat van de kassen. Hij is in het bouwplan ook niet rechtstreeks verbonden met de kassen. De bouw van de kassen is dan ook niet onlosmakelijk verbonden met de bouw van de loods. Daarom is het mogelijk om de bouwvergunning gedeeltelijk in te trekken.

Eerst tijdens de hoorzitting van 15 april 2002 heeft eiser melding gemaakt van gezondheidsproblemen. Toen en ook daarna heeft eiser niet nader aangegeven waar die problemen uit bestonden. Tijdens de laatste hoorzitting is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn gezondheidsproblemen nader toe te lichten en is aan hem de keuze gelaten om dit te doen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand gedurende een periode van 3 jaar niet in staat is gebleken om het bouwplan te realiseren.

Beoordeling van de grieven.

De grief over de onvolledigheid/onjuistheid van het verslag van de hoorzitting.

Deze dient verworpen te worden. Eiser stelt dat relevante toelichting van hem niet in het verslag is opgenomen en dat enkele zaken onjuist en/of in een verkeerd verband zijn opgenomen. Hij geeft echter niet aan wat in het verslag ten onrechte niet is vermeld en wat onjuist is of in een verkeerd verband is opgenomen.

De grief over het gedeeltelijk intrekken van de vergunning.

De rechtbank stelt voorop dat partijen niet van mening verschillen over de vraag of gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning mogelijk is.

Eiser heeft gesteld dat gedeeltelijke intrekking wel toelaatbaar is maar dat ingevolge de jurisprudentie -en met name de (reeds genoemde) uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 2 juni 1992- daarbij wel voorwaarden gelden en dat in dezen aan die voorwaarden niet is voldaan. Zo is met name niet voldaan aan de voorwaarde dat de gebouwen te weten de kassen en de (werktuigen)loods naar beoogde functie duidelijk te scheiden zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

De in meergenoemde uitspraak vermelde passage waarop eiser doelt luidt als volgt.

"In aanmerking genomen dat het bouwplan betrekking heeft op gebouwen die, ofschoon binnen het verband van een project voorzien, naar ligging, beoogde functie en verkeersvoorzieningen duidelijk te scheiden zijn, ziet de afdeling ook overigens geen grond voor het oordeel dat een partiële intrekking als waarvan hier sprake is, rechtens niet toelaatbaar moet worden geacht."

De rechtbank stelt voorop dat deze overweging niet -zoals eiser kennelijk voorstaat- zo verstaan moet worden dat partiële intrekking pas toelaatbaar is als aan de daar genoemde aspecten (ligging, beoogde functie en verkeersvoorzieningen) is getoetst.

Het komt de rechtbank voor dat de Afdeling die aspecten noemt omdat die in die zaak ook concreet aan de orde waren. Dit leidt de rechtbank tot de gevolgtrekking dat partiële intrekking ook toelaatbaar is als de gebouwen anderszins duidelijk te scheiden zijn.

Verweerder heeft gesteld dat de kassen en de loods duidelijk te scheiden zijn omdat de loods ook een functie kan vervullen die los staat van de kassen.

De rechtbank onderschrijft dat standpunt van verweerder. De kassen en de loods zijn blijkens de bij de vergunning behorende bouwtekeningen duidelijk los van elkaar gelegen. De loods bestaat uit een vlakke vloer, vier wanden en een spitse kap. De binnenkant is niet ingevuld en bevat derhalve geen indeling die specifiek gericht is op het gebruik ten behoeve van een tuinbouwkassenbedrijf. Dit betekent dat de loods voor diverse -agrarische- functies te gebruiken is. Dit is ook feitelijk het geval omdat de bouw van de loods op dit moment in het stadium is dat alleen nog de kap is geplaatst.

Gelet op het vorenstaande dient de grief over de gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning verworpen te worden.

De grief over het niet aanvangen van de bouw van de kassen vanwege gezondheidsproblemen.

Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand gedurende een periode van ruim drie jaar niet in staat is gebleken om de bouw van de kassen te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder op goede gronden tot deze stellingname gekomen. Het komt de rechtbank, gelet ook op de uitlatingen van eiser tijdens de zitting, voor dat eiser naar verweerder toe wel heeft aangegeven dat hij gezondheidsproblemen had maar dat hij zich daarbij ook steeds daartoe beperkt heeft. Ook tegenover de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op enig moment dusdanige gezondheidsproblemen had dat deze hem belemmerden om met de bouw van de kassen een aanvang te nemen. Ook deze grief dient derhalve verworpen te worden.

De grieven die eiser overigens nog heeft aangevoerd hebben de rechtbank niet kunnen brengen tot een voor eiser gunstig oordeel.

Niet gezegd kan worden dat het plaatsen van het belang van de planologische inzichten en het belang van de bezwaren van de omwonenden boven het belang om de bouw van de kassen te realiseren en het belang van de gezondheidsproblemen van eiser moet worden aangemerkt als een onevenwichtige belangenafweging.

Het komt de rechtbank in dit verband voor dat eiser in geval hij zou afzien van het verder realiseren van de bouw daardoor niet onevenredig wordt benadeeld.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

Beslist is zoals in rubriek III is weergegeven.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. Th. M. Schelfhout, F.J.C. Huijbers (voorzitter) en C.M.W. Nobis, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M.C. van de winkel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2004

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 15 maart 2004

AL

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.