Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AO5982

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
05-04-2004
Zaaknummer
03 / 968 WVG K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstrekking rolstoel aan gehandicapte, verblijvend in AWBZ-instelling op basis van pgb. Zorgplicht gemeentebestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2004, 121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03 / 968 WVG K1

Inzake : A, wonende te B, eiseres, wettelijk vertegenwoordigd door C, wonende te D.

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 11 juli 2003,

kenmerk: 2002.2872.

Datum van behandeling ter zitting: 23 januari 2004

I. PROCESVERLOOP

Door verweerder is afwijzend beslist op het verzoek om eiseres ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in aanmerking te brengen voor verstrekking van een rolstoel.

Verweerder heeft de namens eiseres tegen dat besluit ingediende bezwaren bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 juli 2003 ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is namens eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld. Tevens zijn harerzijds stukken ingezonden.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend en zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is, gevoegd met de zaak geregistreerd onder nummer 03/981 WVG, behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 23 januari 2004, waar van de kant van eiseres niemand is verschenen en waar verweerder -daartoe door de rechtbank opgeroepen- zich heeft doen vertegenwoordigen door A. Wekx-Coenders.

II. MOTIVERING

Aan eiseres is in verband met haar handicap een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend. Op basis van financiering uit dat pgb is voor eiseres een plaats ingekocht in “X”, zijnde een ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegelaten instelling (hierna: AWBZ-instelling) voor verstandelijk gehandicapten. De zorgverzekeraar van eiseres heeft haar aanvraag om verstrekking van een rolstoel in het kader van de AWBZ afgewezen. Namens eiseres is tevens een aanvraag gedaan om haar in het kader van de Wvg in aanmerking te brengen voor een rolstoel. Bij besluit van 8 mei 2002 heeft verweerder op die aanvraag afwijzend beslist. Verweerder heeft daartoe overwogen dat ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wvg, in verbinding met artikel 1, tweede lid, van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen (de Regeling), de zorgplicht voor de verstrekking van rolstoelen in het kader van de Wvg zich ten aanzien van bewoners van AWBZ-instellingen beperkt tot degenen die verblijven in een gezinsvervangend tehuis of een regionale instelling voor beschermd wonen, tot welke categorieën X niet behoort, zodat het gemeentebestuur derhalve geen zorgplicht heeft voor de verstrekking van een rolstoel aan eiseres.

Na bezwaar is verweerder in het bestreden besluit bij dat standpunt gebleven. In dat besluit is nog overwogen dat eiseres weliswaar op basis van een pgb in X verblijft, maar dat haar positie in overwegende mate gelijkenis vertoont met die van de bewoners die daar op basis van de AWBZ verblijven, zodat het gemeentebestuur ook voor haar geen zorgplicht heeft. Verweerder heeft voor dat standpunt steun menen te vinden in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2002 (RSV 2002/77).

In beroep is er namens eiseres op gewezen dat artikel 1, tweede lid, van de Regeling per 1 april 2003 is gewijzigd, welke wijziging samenhangt met veranderingen in de regelgeving in het kader van de AWBZ per die datum, te weten het Besluit Zorgaanspraken AWBZ en de Regeling zorgaanspraken AWBZ, en thans inhoudt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van rolstoelen aan verzekerden die verblijven in een AWBZ-instelling en die geen recht hebben op verstrekking van een rolstoel ingevolge de AWBZ.

Onder verwijzing naar de toelichting op voormelde wijziging van de Regeling, heeft verweerder in zijn verweerschrift aangegeven dat die wetswijziging zijns inziens betekent dat het gemeentebestuur slechts zorgplicht heeft voor de verstrekking van rolstoelen aan bewoners van AWBZ-instellingen voor zover de bewoners daar geen behandeling ontvangen. Gelet op de aard van de AWBZ-instelling waarin eiseres verblijft acht verweerder het aannemelijk dat zij in die instelling ook behandeling ontvangt, zodat de wijziging van de Regeling geen verandering in zijn standpunt brengt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit, dat is gedateerd op 11 juli 2003, uit had moeten gaan van artikel 1, tweede lid, van de Regeling, zoals die bepaling sinds 1 april 2003 is komen te luiden. Nu verweerder zulks bij het nemen van dat besluit heeft miskend, berust dat besluit niet op een juiste wettelijke grondslag, zodat dit reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt.

In aanmerking nemend dat verweerder als verweer in dit geding te kennen heeft gegeven dat de wijziging van de Regeling geen verandering in zijn standpunt brengt, zal de rechtbank, met het oog op haar bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, beoordelen of dat standpunt in overeenstemming is met de toepasselijke wettelijke bepalingen.

Met het oog op het vanaf 1 april 2003 geldende -voor deze zaak beslissende- criterium van artikel 1, tweede lid, van de Regeling, inhoudende dat voor verstrekking van een rolstoel in het kader van de Wvg in aanmerking komt de bewoner van een AWBZ-instelling die geen recht heeft op verstrekking van een rolstoel ingevolge de AWBZ, constateert de rechtbank allereerst dat aan eiseres feitelijk geen rolstoel op grond van voormelde regelgeving in het kader van de AWBZ is verstrekt.

Ten aanzien van het recht op verstrekking van een rolstoel in het kader van de AWBZ stelt de rechtbank voorts vast dat in artikel 15, in samenhang met artikel 8, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ is geregeld dat de zorg bestaande in behandeling ter zake van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, tevens het individueel gebruik van een rolstoel omvat. Voor zover eiseres in X wordt behandeld, moet worden aangenomen dat die behandeling gefinancierd wordt door middel van het aan haar toegekende pgb dan wel uit eigen middelen. Nu het Besluit zorgaanspraken AWBZ geen betrekking heeft op een pgb, is derhalve geen sprake van behandeling als bedoeld in artikel 8 van dat Besluit waaraan dat Besluit tevens aanspraak op verstrekking van een rolstoel verbindt. Daaruit volgt dat eiseres geen recht heeft op verstrekking van een rolstoel in het kader van de AWBZ, zodat ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Regeling, zorgplicht van het gemeentebestuur daarvoor bestaat.

De passage uit de toelichting bij de wijziging van de Regeling waarnaar verweerder heeft verwezen, leidt niet tot een andere conclusie, nu de daarin aangegeven relatie tussen behandeling enerzijds en aanspraak op verstrekking van een rolstoel anderzijds slechts aldus kan worden begrepen, dat deze ziet op behandeling als bedoeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Ook de eerdergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2002 waarop verweerder zich heeft beroepen, verandert het oordeel van de rechtbank niet, aangezien die uitspraak de uitleg van het vroegere artikel 1, tweede lid, van de Regeling betreft, waarbij centraal stond de -in deze zaak niet ter discussie staande- vraag of sprake was van verblijf in een instelling als omschreven in die bepaling, terwijl de vraag of behandeling in die instelling plaatsvond daarbij geen rol speelde.

Uit het voorgaande volgt dat er geen termen zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder zal dan ook een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt voorts, dat de gemeente Horst aan de Maas aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 31,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en -wegens verhindering van de griffier- uitgesproken door mr. Th.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier op 4 maart 2004.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 10 maart 2004

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.