Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2004:AO1851

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
03/628 WW K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid na twee dagen werken in nieuwe functie?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 23
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004/148
USZ 2004/134 met annotatie van mr. drs. B.B.B. Lanting
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03/628 WW K1

Inzake : Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, eiser,

tegen : de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 17 april 2003,

kenmerk: 166399413/J5.

Datum van behandeling ter zitting: 14 november 2003.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 januari 2003, waarbij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) is toegekend, gegrond verklaard en alsnog bij wijze van maatregel de uitkering tijdelijk gedeeltelijk geweigerd.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is belanghebbende in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser en aan belanghebbende gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 14 november 2003, waar namens eiser W.H.H. Heldens is verschenen, bijgestaan door mr. F.W.C. van Geel, waar belanghebbende met haar echtgenoot is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de gemeente Horst aan de Maas als (overheids)werkgever van belanghebbende eigenrisicodrager voor de uitkering ingevolge de WW is, kan eiser, zijnde het College van Burgemeester en Wethouders van die gemeente, mede gelet op artikel 160 van de Gemeentewet, in zijn beroep worden ontvangen.

Belanghebbende is in april 1998 in dienst getreden van de voormalige gemeente Grubbenvorst als voltijds [functie]. In verband met een gemeentelijke herindeling is zij per 1 januari 2001 in dienst gekomen van eisers gemeente, waar zij in verband met het vervallen van haar functie conform de eerste van de door haar aangegeven voorkeuren is aangesteld in een administratieve functie. Na enkele dagen heeft zij haar werkzaamheden in die functie neergelegd. Nadat pogingen om belanghebbende op basis van een vast dienstverband te plaatsen waren mislukt, heeft eiser bij besluit van 25 juni 2002 belanghebbende eervol ontslagen wegens onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Tegen dit besluit heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, welk door eiser bij besluit van 10 december 2002 met overneming van het op 11 november 2002 gedateerde advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften en klachten (nader te noemen de bezwaarcommissie) ongegrond is verklaard.

Na voormeld besluit op bezwaar te hebben afgewacht, heeft verweerder bij besluit van 22 januari 2003 aan belanghebbende een -ongekorte - uitkering ingevolge de WW toegekend met ingang van 2 september 2002 met als einddatum 1 september 2005. Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 28 februari 2003 een bezwaarschrift ingediend. Eiser is van mening dat het ontslag van belanghebbende volledig aan haarzelf te wijten is. Eiser stelt dat middels externe begeleiding van bureau Argonaut gedurende anderhalf jaar is gezocht naar een passende betrekking binnen of buiten de gemeente. Aan belanghebbende zijn diverse passende functies aangeboden welke zij telkens heeft afgewezen. Belanghebbende heeft eveneens niet actief gezocht naar een andere functie elders. Bij schrijven van 19 maart 2003 heeft de gemachtigde van belanghebbende, mr. A.A.J. Immink voor haar een schriftelijke zienswijze bij verweerder ingediend. De gemachtigde voert aan dat belanghebbende op eigen initiatief naar functies heeft gezocht en hierop ook heeft gesolliciteerd. Belanghebbende is bij elke sollicitatie binnen de gemeente door eiser afgewezen. Voorts stelt belanghebbende dat zij op 12 september 2001 is aangemeld bij Argonaut, dat zij op 15 november 2001 haar eerste gesprek heeft gevoerd met dit bedrijf en dat zij op 25 april 2002 het laatste inhoudelijke gesprek heeft gevoerd, wat betekent dat zij slechts vijf maanden door Argonaut is begeleid. Tot slot stelt belanghebbende dat zij 42 reacties heeft ontvangen op haar sollicitatiebrieven.

Bij besluit van 24 april 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard op grond van de overweging dat belanghebbende bij nader inzien wel verwijtbaar werkloos moet worden geacht en dat haar daarom een maatregel opgelegd dient te worden. Verweerder acht het niet nakomen van de betrokken verplichting door belanghebbende echter niet in overwegende mate verwijtbaar en verlaagt daarom het uitkeringspercentage van 70 tot 35% gedurende 26 weken met ingang van 2 september 2002. Omdat de looptijd van de maatregel van 26 weken bij het nemen van het besluit op bezwaar reeds verstreken was, heeft verweerder de te veel betaalde uitkering onder verwijzing naar artikel 22b van de WW niet teruggevorderd.

Tegen dit besluit is namens eiser bij schrijven van 3 juni 2003, aangevuld bij schrijven van 15 augustus 2003, beroep ingesteld.

De gemachtigde van eiser voert, samengevat, aan dat de oorzaak van het ontslag verwijtbaar gelegen is bij belanghebbende. Eiser heeft er op doen wijzen dat belanghebbende welbewust een voorkeur heeft aangegeven voor de adminstratieve functie waarin zij per 1 januari 1999 is aangesteld. Voorts is eiser van opvatting dat belanghebbende extern wel in voldoende omvang, maar niet op adequate wijze, aantoonbare inspanningen heeft verricht om aan werk te komen. Belanghebbendes opstelling is volgens eiser met name verwijtbaar omdat de reden voor het verleende ontslag in overwegende mate is gelegen in het niet (wensen te) aanvaarden van een andere passende functie binnen de gemeente. Eiser is voorts van opvatting dat ten onrechte slechts over 26 weken een maatregel is opgelegd. Eiser vraagt zich voorts af waarom verweerder het primaire besluit heeft uitgesteld tot het moment dat de beslissing van eiser op het bezwaar van belanghebbende bekend was gemaakt, nu blijkens dit primaire besluit van 22 januari 2003 op geen enkele wijze aandacht is besteed aan de beslissing van eiser en de inhoud van het advies van de bezwaarcommissie over het ontslag van belanghebbende. Verweerder heeft dit advies, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken, pas betrokken in de heroverweging van het primaire besluit waarin aan belanghebbende alsnog een maatregel is opgelegd, welke door het verstrijken van de duur van de maatregel op het tijdstip van het nemen van het bestreden besluit niet meer uitvoerbaar was. Eiser meent dat verweerder hiermee onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Eiser verzoekt tot slot verweerder te veroordelen tot de door hem geleden materiële schade, overeenkomend met 50% van het uitbetaalde bedrag over de in genoemde periode van 26 weken ten onrechte aan belanghebbende, naast de WW-uitkering, toegekende bovenwettelijke uitkering.

Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard dat, voor zover dat niet duidelijk uit het aanvullend beroepschrift zou blijken, het beroep ertoe strekt dat belanghebbende in overwegende mate verwijtbaar wordt geacht, zodat de uitkering blijvend geheel moet worden geweigerd.

Bij schrijven van 16 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Verweerder stelt dat bij de behandeling van het bezwaar in de heroverwegingsfase, met name aan de hand van de zeer uitgebreide hoeveelheid documenten die verweerder van eiser heeft ontvangen, is vastgesteld dat het primaire besluit van 22 januari 2003 dat strekt tot toekenning van WW-uitkering in zoverre tekort schoot, dat hierin ten onrechte niet een maatregel was opgelegd vanwege verwijtbare werkloosheid aan de kant van belanghebbende. Ook wijst verweerder erop dat op grond van de dwingendrechtelijke formulering van artikel 27 van de WW, noch het uitvoeringsorgaan Uwv USZO, noch de bestuursrechter de vrijheid toekomt om een andere maatregel op te leggen dan de maatregel die reeds is opgelegd. Voorts stelt verweerder dat hij op goede gronden heeft besloten de teveel betaalde uitkering niet terug te vorderen van belanghebbende nu dat in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 22b van de WW.

Belanghebbende is zich in beroep op het standpunt blijven stellen dat haar wat betreft het ontslag geen enkel verwijt treft, maar dat juist eiser onzorgvuldig handelen is te verwijten.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Voor de beoordeling van dit geschil zijn de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW is de werknemer verplicht te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In artikel 24, tweede lid, onder a, van genoemde wet is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, indien hij zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag zou leiden tot de beëindiging van de dienstbetrekking.

Indien de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, is verweerder ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW verplicht de uitkering blijvend geheel te weigeren tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat laatste geval weigert verweerder de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Artikel 22b, eerste lid van de WW, bepaalt –voor zover van belang- dat de intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan, tenzij de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Betreffende het nadere standpunt van verweerder dat belanghebbende verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW heeft de rechtbank met name het volgende doen wegen. Belanghebbende heeft in januari 2001 twee dagen in haar nieuwe baan gewerkt voordat zij zich ziek meldde omdat zij niet kon aarden in haar nieuwe functie, zulks terwijl -naar belanghebbende ter zitting niet heeft ontkend- zij de mogelijkheid heeft gehad om de beschrijving van de desbetreffende functie tevoren goed door te nemen en zij een voorkeur voor die functie heeft aangegeven. Zowel van de kant van eiser als door belanghebbende is ter zitting van de rechtbank verklaard dat nooit is vastgesteld dat belanghebbende voor die functie op medische gronden arbeidsongeschikt was. Evenmin is de rechtbank gebleken dat belanghebbende onvoldoende gekwalificeerd was voor die functie. Belanghebbende had derhalve naar het oordeel van de rechtbank de functie kunnen blijven vervullen en intussen, intern of extern, naar ander werk kunnen zoeken. Nu zij reeds na twee dagen tot de conclusie kwam dat deze functie niets voor haar was en haar werkzaamheden heeft gestaakt, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende daardoor, op een jegens de werkgever verwijtbare wijze, de basis heeft gelegd voor het haar uiteindelijk gegeven ontslag. Aan belanghebbende zijn vervolgens zijdens eiser enkele functies aangeboden, ten aanzien waarvan zij zich echter afhoudend opstelde, terwijl de functies waarvoor zij belangstelling aangaf niet voor haar beschikbaar waren. Gelet op de voorgeschiedenis had echter juist een meer coöperatieve opstelling van haar verwacht mogen worden, waardoor zij het eindigen van de dienstbetrekking mogelijkerwijs alsnog had kunnen voorkomen. De rechtbank is derhalve met verweerder van oordeel dat belanghebbende verwijtbaar werkloos is geworden.

Echter, gelet op de gedingstukken, waaronder het advies van de bezwaarcommissie van 11 november 2002, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volgehouden dat het niet nakomen van de verplichting belanghebbende niet in overwegende mate is te verwijten. Belanghebbende is weliswaar door de bedrijfsarts en het externe bureau Argonaut begeleid bij het zoeken naar een andere functie en heeft daaraan wel in zekere mate meegewerkt, maar uit de gespreksverslagen dienaangaande blijkt niet dat belanghebbende er alles wat redelijkerwijs mogelijk was aan heeft gedaan om ander werk te vinden, zodat daarin geen reden is gelegen de werkloosheid niet in overwegende mate aan belanghebbende verwijtbaar te achten. De rechtbank ziet in de voorhanden gegevens voorts geen aanknopingspunt om te oordelen dat eisers gemeente als werkgever zodanige onzorgvuldigheid tegenover belanghebbende heeft betracht dat er om die reden sprake zou zijn van het niet in overwegende mate aan belanghebbende verwijtbaar zijn van het niet nakomen van de verplichting. Ook overigens ziet de rechtbank daarvoor geen grond.

Het vorenoverwogene kan tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder de uitkering van belanghebbende blijvend geheel had moeten weigeren vanaf het ontstaan van de werkloosheid. Gelet op artikel 22b van de WW kan die maatregel onder de gegeven omstandigheden evenwel pas ingaan op de datum volgende op de dag waarop deze uitspraak wordt gedaan, nu er geen grond is om het ten onrechte toekennen van uitkering aan eigen schuld of toedoen van belanghebbende toe te schrijven. De rechtbank zou conform voormeld oordeel zelf in de zaak kunnen voorzien, ware het niet dat niet is uitgesloten dat op de datum waarop de maategel zou moeten ingaan reeds een eindigingsgrond of andere weigeringsgrond van toepassing blijkt te zijn. De rechtbank laat het daarom aan verweerder om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Nu de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaart, zal zij, aangezien eiser daarom heeft verzocht, vervolgens bezien of er aanleiding is op grond van artikel 8:73 van de Awb het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 22b van de WW strekt ertoe dat het slagen van een door de werkgever ingediende bezwaar of beroep slechts voor de toekomst effect heeft en de werknemer voor het verleden niet in een slechtere positie brengt, terwijl artikel 97f, aanhef en onder j, van de WW bepaalt dat ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komt de op diens aanvraag aan de werkgever door het Uwv te verlenen vergoeding van de schade, die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 22b, eerste lid, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.

Nu artikel 97f, aanhef en onder j, van de WW aldus een specifieke regeling voor vergoeding van schade als gevolg van de toepassing van artikel 22b van de WW bevat, zal de rechtbank ten aanzien van de in die bepaling bedoelde schade geen toepassing geven aan artikel 8:73 van de Awb. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de formulering van genoemd onderdeel van artikel 97f van de WW zo ruim is dat schade bestaande in het betalen van bovenwettelijke uitkering niet zonder meer van vergoeding op grond daarvan is uitgesloten, zodat ook het (mogelijk) bestaan van dergelijke schade de rechtbank thans geen aanleiding geeft tot toepassing van artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (beroepschrift en verschijnen ter terechtzitting) toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de gemeente Horst aan de Maas;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de gemeente Horst aan de Maas het door deze betaalde griffierecht ad € 232,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Speekenbrink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2004.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 7 januari 2004

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.