Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AO1556

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
03 / 605 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanvraag om vergunning ingevolge de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) ingediend voor het maken en behouden van een varkensstal aan de linkeroever van de rivier de Maas. Aanvraag afgewezen wegens ontoelaatbare stijging grondwaterspiegel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03/605 BESLU K1

Inzake : Landbouwbedrijf Gebr. [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, directie Limburg, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 25 april 2003,

kenmerk: DLB 2003/6686.

Datum van behandeling ter zitting: 5 november 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 september 2002 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 5 november 2003, waar namens eiseres is verschenen R. Peters, controller bij eiseres, bijgestaan door mr. G.R.A. Goorts en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.E. Hodselmans, R.E.P. Goossens, ir. M. van Zanten en J.H.G. Metsemakers, allen werkzaam bij het Directoraat- Generaal van Rijkswaterstaat.

II. OVERWEGINGEN.

Eiseres is sinds eind 1996 bezig met plannen die betrekking hebben op de bouw van een biggenstal. Op 1 mei 1999 is voor de bouw daarvan vergunning (van rechtswege) verleend. Daarnaast is op 4 april 2001 een milieuvergunning verleend.

In de periode september 2000 – juni 2001 is overleg gevoerd door eiseres, de gemeente Maasbree en Rijkswaterstaat inzake de uitbreidingsplannen met betrekking tot de stal. Van de zijde van Rijkswaterstaat is bij brief van 5 februari 2001 onder meer aangegeven dat door uitbreiding van de biggenstal een ontoelaatbare waterstandsverhoging optreedt ten opzichte van derden van 2 mm.

Bij brief d.d. 22 mei 2002 heeft eiser een aanvraag om vergunning ingevolge de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) ingediend voor het maken en behouden van een varkensstal (hiermee wordt bedoeld de hierboven genoemde biggenstal) aan de linkeroever van de rivier de Maas nabij km 102,600 te Baarlo. Bij besluit van 13 september 2002 heeft verweerder geweigerd vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken te verlenen.

Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 25 april 2003. Eiseres is in beroep gekomen tegen laatstgenoemd besluit. Voor de grieven verwijst de rechtbank naar het beroepschrift. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Voor het verweer wordt naar de inhoud van het verweerschrift verwezen.

Het oordeel van de rechtbank

1. Allereerst dient de grief beoordeeld te worden die betrekking heeft op het standpunt van eiseres dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om te worden gehoord. Bij de hoorzitting is zij niet verschenen, echter daar kan, naar zij stelt, noch haar noch haar gemachtigde een verwijt van worden gemaakt. Zij stelt dat door hen geen uitnodiging voor de hoorzitting is ontvangen. Op de dag van de hoorzitting heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de gemachtigde van eiseres en mr. Van der Loo, werkzaam bij verweerder, omdat de gemachtigde niet was verschenen, doch de hoorcommissie was niet bereid een nieuwe datum voor de hoorzitting te bepalen. De gemachtigde betwist dat met hem tevoren contact is opgenomen over de datum van de hoorzitting. Eiseres stelt in haar belangen geschaad te zijn omdat haar gebleken is dat tijdens de hoorzitting een aantal feiten aan de orde zijn geweest, waarop zij had willen reageren.

1.1. De rechtbank is hierover het navolgende van oordeel.

De uitnodiging voor de hoorzitting is door verweerder per gewone post verzonden. Het risico voor het niet ontvangen van de uitnodiging ligt dan ook in beginsel bij verweerder.

Echter is uit de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende gebleken.

· Verweerder heeft meerdere belanghebbenden per gewone post de uitnodiging voor de hoorzitting toegezonden. Deze belanghebbenden hebben de uitnodiging wel ontvangen.

· Op de copie van de minuut, alsmede op de copie van de uitnodiging staat een stempel met de datum van verzending.

· Met de gemachtigde van eiseres is telefonisch overleg geweest over de verhinderdata van de gemachtigde van eiseres

· Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder, mr. J.E. Hodselmans, verklaard dat zij de datum van de hoorzitting telefonisch heeft doorgegeven aan de gemachtigde van eiseres persoonlijk.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de uitnodiging door verweerder verzonden is en dat de gemachtigde van eiseres op de hoogte moet zijn van geweest van het moment van de hoorzitting. Zelfs al zou de brief niet ontvangen zijn, dan komt dit voor rekening en risico van eiseres omdat, na telefonische doorgave van de datum van de hoorzitting, door eiseres of haar gemachtigde niet geïnformeerd is naar een schriftelijke bevestiging daarvan.

2. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit strijdt met het geschreven en ongeschreven recht danwel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.1. Wettelijk kader.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder a van de Wbr is het verboden om zonder vergunning van de minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een Waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden.

Ingevolge artikel 3 van die wet kan een vergunning slechts worden geweigerd ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wbr wordt onder waterstaatswerken verstaan : bij het Rijk in beheer zijnde wateren , waterkeringen en wegen alsmede, voor zover in beheer bij het Rijk, de daarin gelegen kunstwerken en hetgeen verder naar hun aard daartoe behoort.

Artikel 1a Wbr houdt in dat in deze wet de rivieren, behorende tot de wateren in beheer bij het Rijk, begrensd worden door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering danwel, waar zodanige waterkering ontbreekt, door de bij amvb vast te stellen lijn van de hoogwaterkerende gronden.

Voor de begrenzing van het gebied waar de vergunningplicht ingevolge artikel 2 van toepassing is, is het Koninklijk Besluit van 6 maart 1998, Staatsblad nr. 164, van belang. In dit besluit zijn de belijningen van het zomerbed, het stroomvoerend en waterbergend winterbed aangegeven. Voormeld Besluit is inmiddels vervangen door het Besluit rijksrivieren van 12 april 1002, Staatsblad nr. 255, waarbij de genoemde belijningen zover voor deze zaak van belang niet zijn gewijzigd. In laatstgenoemd besluit wordt enkel gesproken van rivierbed.

2.2. Uit de stukken en de toelichting ter zitting is genoegzaam gebleken dat de onderhavige varkensstal is geprojecteerd in het rivierbed, en wel het stroomvoerend winterbed, van het onbedijkt gedeelte van de rivier de Maas, hetgeen inhoudt dat deze werken vergunningplichtig zijn als bedoeld in het hiervoor geciteerd artikel 2, eerste lid sub a, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

2.3. In zijn beoordeling of vergunning kan worden verleend hanteert verweerder een beleid dat is neergelegd in de Beleidslijn “Ruimte voor de rivier” (hierna te noemen de Beleidslijn) zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 19 april 1996, nr. 77 en zoals nadien is gewijzigd en gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 12 mei 1997, nr. 87. De Beleidslijn is het toetsingskader bij verlening van vergunningen als de onderhavige en is van toepassing op de rivier de Maas. Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is reeds geoordeeld dat de Beleidslijn niet kennelijk onredelijk noch anderszins rechtens onjuist is. Daartegen gerichte grieven van eiseres zijn derhalve reeds getoetst en behoeven geen verdere behandeling meer.

2.4. Partijen zijn het erover eens dat het in casu gaat om een wijziging c.q. uitbreiding van een bestaande ingreep, een uitbreiding van bestaande niet-riviergebonden activiteiten.

Uit de toelichting op de Beleidslijn blijkt dat in een dergelijke situatie getoetst dient te worden aan de “nee, tenzij”-criteria mits de uitbreiding op zichzelf, dat wil zeggen zonder rekening te houden met compenserende maatregelen, in de actuele situatie niet leidt tot waterstandverhoging. Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van een waterstandverhogende activiteit.

Uit een door verweerder gemaakte berekening blijkt dat de varkensstal een waterstandverhoging veroorzaakt ten opzichte van derden tot 2 mm, hetgeen als ontoelaatbaar moet worden gezien. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij deze berekening van onjuiste modellen en/of onjuiste schema’s is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconstateerd dat er sprake is van waterstandverhogende activiteiten. Door eiseres zijn ook geen berekeningen of andere technische beschouwingen in het geding gebracht waar anders uit zou blijken. Weliswaar is ter zitting gesteld dat bij de berekening door verweerder geen rekening zou zijn gehouden met een in de buurt gelegen sleufsilo, doch, los van het feit dat eerst tijdens de behandeling ter zitting de meetresultaten van verweerder worden betwist, van de zijde van verweerder is daarop ter zitting afdoende gereageerd en gesteld dat de sleufsilo verder geen noemenswaardige invloed op de berekening zou hebben, zolang het stromingspatroon niet verandert.

De uitbreiding valt dan ook niet onder de “nee, tenzij”-criteria en verweerder is niet gehouden om onder deze omstandigheid tot verdere toetsing aan die criteria over te gaan.

2.5. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat er onvoldoende belang is gehecht aan de concrete omstandigheden van het geval. Haar plannen bevinden zich in een vergevorderd stadium van voorbereiding; er is een bedrijfseconomisch belang en zij is in staat om compenserende maatregelen te treffen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 augustus 2003 (procedurenummer 200206852/1/H2) overweegt de rechtbank dat bij het opstellen van de Beleidslijn de gevolgen die het nieuwe beleid voor bestaande bebouwing en bedrijvigheid kan hebben uitdrukkelijk onderkend zijn en afgewogen tegen het belang van een duurzame bescherming tegen hoogwater. Dit heeft er onder meer toe geleid, dat onder bepaalde omstandigheden voor uitbreiding van een aantal bestaande activiteiten in het stroomvoerend winterbed kan worden afgeweken van het in de beleidslijn neergelegde uitgangspunt, dat niet-riviergebonden activiteiten niet zijn toegestaan. Zoals hierboven reeds overwogen is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. Tot een op eiseres toegespitste belangenafweging nopen de voorhanden gegevens verder niet.

3. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. Th. M. Schelfhout, L.A. Gruiters (voorzitter) en

A.J.M. Huijsman-Kreijn, in tegenwoordigheid van mr. A.R.O. Kuipers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2003.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 10 december 2003

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.