Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AN9420

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
05-12-2003
Zaaknummer
04/050118-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring (onder meer en kort samengevat):

1: bedreiging;

2: vrijheidsberoving;

3: poging tot afpersing;

4: openlijke geweldpleging.

De rechtbank neemt consumptie aan van de bedreiging (onder 1) door de vrijheidsberoving (onder 2) en neemt voorts de consumptie aan van de vrijheidsberoeving (onder 2) door de poging tot afpersing (onder 3).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummers: 04/050118-03

04/018093-02

Uitspraak d.d. : 28 mei 2003

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank [geboorteplaats], meervoudige kamer voor strafzaken, in de ter terechtzitting gevoegde zaken tegen:

naam : [naam]

voornamen : [voornamen],

geboren op : [geboortedatum] te Roermond,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2003.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Grathem, in de gemeente Heythuysen, [slac[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "meerijden, anders zul je eens doorgelaten worden" en/of "ik waarschuw jou, als je niet meegaat dan laat ik jou hier helemaal door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Grathem, in de gemeente Heythuysen en/of te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat

opzet toen aldaar (te Grathem) voornoemde [slachtoffer], welke was gezeten als bestuurder in een personenauto (Ford), op dreigende toon meegedeeld dat die [slachtoffer] hem, verdachte, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto (BMW) moest volgen en/of een persoon, genaamd [mededader], doen plaatsnemen, in elk geval verzocht plaats te nemen in de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto, met het kennelijke doel dat [slachtoffer] zijn, verdachtes en/of die [mededader], bevelen en/of aanwijzingen zou volgen en/of toen aldaar (te Neer) [slachtoffer], de door hem, [slachtoffer], bestuurde personenauto doen plaatsen met de achterzijde tegen, althans op (zeer) korte afstand van een muur en/of zijn, verdachtes, personenauto, dwars voor die personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond geplaatst en/of zich dreigend opgehouden op (zeer) korte afstand van de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond, welke personenauto was klemgereden/klemgezet, hebbende hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) aldus die [slachtoffer] belet met de personenauto waarin hij zich bevond, weg te rijden;

(artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Grathem, in de gemeente Heythuysen, op de openbare weg, het Nassauplein, in elk geval op een openbare weg en/of te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, op de openbare weg, Soerendonck, in elk

geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), met voormeld oogmerk opzettelijk voornoemde [slachtoffer] op

dreigende toon heeft meegedeeld dat die [slachtoffer] hem, verdachte, met de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto moest volgen en/of een persoon, genaamd [mededader] heeft doen plaatsnemen, in elk geval heeft verzocht plaats te nemen in de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto, met het kennelijke doel dat die [slachtoffer] zijn, verdachtes, bevelen en/of aanwijzingen zou volgen en/of met voormeld oogmerk opzettelijk voornoemde [slachtoffer], de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto heeft doen plaatsen met de achterzijde tegen, althans op (zeer) korte afstand van een muur en/of zijn, verdachtes, personenauto voor de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft geplaatst en/of zich dreigend heeft/hebben bevonden, althans opgehouden op (zeer) korte afstand van de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond, welke personenauto was klemgereden/klemgezet en/of tegen de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 jo. 45 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Soerendonck, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer], welk geweld erin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of

gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 28 oktober 2002 in de gemeente Nederweert, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2], agent van politie, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden;

(artikel 304/300 van het Wetboek van Strafrecht)

en in de zaak met parketnummer 04/018093-02 dat

hij op of omstreeks 09 december 2002 in de gemeente Meijel als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 385 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

(artikel 8 Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 5 is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 primair en het onder parketnummer 04/018093-02 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Grathem, in de gemeente Heythuysen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "meerijden, anders zul je eens doorgelaten worden" en/of "ik waarschuw jou, als je niet meegaat dan laat ik jou hier helemaal door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Grathem, in de gemeente Heythuysen en/of te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat

opzet toen aldaar (te Grathem) voornoemde [slachtoffer], welke was gezeten als bestuurder in een personenauto (Ford), op dreigende toon meegedeeld dat die [slachtoffer] hem, verdachte, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto (BMW) moest volgen en/of een persoon, genaamd [mededader], doen plaatsnemen, in elk geval verzocht plaats te nemen in de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto, met het kennelijke doel dat [slachtoffer] zijn, verdachtes en/of die [mededader], bevelen en/of aanwijzingen zou volgen en/of toen aldaar (te Neer) [slachtoffer], de door hem, [slachtoffer], bestuurde personenauto doen plaatsen met de achterzijde tegen, althans op (zeer) korte afstand van een muur en/of zijn, verdachtes, personenauto, dwars voor die personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond geplaatst en/of zich dreigend opgehouden op (zeer) korte afstand van de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond, welke personenauto was klemgereden/klemgezet, hebbende hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) aldus die [slachtoffer] belet met de personenauto waarin hij zich bevond, weg te rijden;

3.

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Grathem, in de gemeente Heythuysen, op de openbare weg, het Nassauplein, in elk geval op een openbare weg en/of te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, op de openbare weg, Soerendonck, in elk

geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), met voormeld oogmerk opzettelijk voornoemde [slachtoffer] op

dreigende toon heeft meegedeeld dat die [slachtoffer] hem, verdachte, met de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto moest volgen en/of een persoon, genaamd [mededader], heeft doen plaatsnemen, in elk geval heeft verzocht plaats te nemen in de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto, met het kennelijke doel dat die [slachtoffer] zijn, verdachtes, bevelen en/of aanwijzingen zou volgen en/of met voormeld oogmerk opzettelijk voornoemde [slachtoffer], de door die [slachtoffer] bestuurde personenauto heeft doen plaatsen met de achterzijde tegen, althans op (zeer) korte afstand van een muur en/of zijn, verdachtes, personenauto voor de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft geplaatst en/of zich dreigend heeft/hebben bevonden, althans opgehouden op (zeer) korte afstand van de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond, welke personenauto was klemgereden/klemgezet en/of tegen de personenauto waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft//hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. primair

hij op of omstreeks 2 februari 2003 te Neer, in de gemeente Roggel en Neer, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Soerendonck, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer], welk geweld erin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

en in de zaak met parketnummer 04/018093-02 dat

hij op of omstreeks 09 december 2002 in de gemeente Meijel als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 385 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

ten aanzien van de feiten onder parketnummer 04/050118-03

feit 1: bedreiging met zware mishandeling;

feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 3:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen;

feit 4 primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

ten aanzien van het feit onder parketnummer 04/018093-02:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarstellingen:

in de zaak met parketnummer 04/050118-03:

feit 1: artikel 285 Wetboek van Strafrecht;

feit 2: artikel 282 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

feit 3: artikel 317 juncto de artikelen 312 en 45 van het Wetboek van Strafrecht;

feit 4 primair: artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht;

in de zaak met parketnummer 04/018093-02:

artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf en maatregel behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 mei 2003 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde sub 1, sub 2, sub 3, 4 primair, sub 5 en ter zake van het feit onder parketnummer 04/018093-02 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat hij deze te hoog acht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht -voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt- in overweging te nemen het opleggen van een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zulks onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte dient deel te nemen aan een agressieregulatietraining in de Grote Beek te Eindhoven.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf als volgt.

De feitelijke handelingen als omschreven in het bewezenverklaarde sub 1 maken onderdeel uit van de omschrijving van de feitelijke handelingen in het sub 2 bewezenverklaarde. De feitelijke handelingen als omschreven in het bewezen verklaarde feit 2 zijn volledig opgenomen in de omschrijving van de feitelijke handelingen in het sub 3 bewezenverklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank gaan de bedreiging als bewezen verklaard onder sub 1 en de wederrechtelijke vrijheidsberoving als bewezen verklaard onder sub 2 qua laakbaarheid en strafwaardigheid volledig op in de poging tot afpersing als bewezenverklaard onder feit 3. Daarenboven vloeien deze feiten voort uit eenzelfde wilsbesluit. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank dan ook van oordeel dat die strafbepaling moet worden toegepast die verdachte geacht moet worden te hebben willen verwezenlijken, zijnde de poging tot afpersing.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging tevens meer in het bijzonder enerzijds rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin de poging tot afpersing en het openlijk toegepaste geweld persoonlijk leed en schade bij het slachtoffer teweeg hebben gebracht;

- het gewelddadig karakter van de poging tot afpersing en het openlijk toegepaste geweld en de maatschappelijke verontrusting die mede daarvan het gevolg is;

- de aanzienlijke rol van verdachte bij de bewezenverklaarde poging tot afpersing en de openlijke geweldpleging;

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder ter zake van een mishandeling en rijden onder invloed met justitie in aanraking is geweest;

en anderzijds met:

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn vermeld in het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 8 april 2003 en het daarin vermelde advies, en zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

Met het daarnaast opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

11.3 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer] wonende te [adres], als gevolg van de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten sub 3 en sub 4 primair materiële en immateriële schade heeft geleden.

[slachtoffer] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € EUR 750,00 en de immateriële schade op een bedrag van EUR 250,00 gesteld, wil die schades vergoed krijgen en heeft daartoe een vordering benadeelde partij ingediend.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder sub 3 en sub 4 primair ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door de verdediging niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat de materiële schade slechts zal worden toegewezen tot een bedrag van €EUR 700,00, daar deze voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Hierop gelet zal de rechtbank het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € EUR 950,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, beslissen zoals hierna is vermeld.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 950,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 19 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer], wonende te [adres], zoals hierna in het dictum genoemd.

12. Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op:

Wetboek van Strafrecht: de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 91, 141, 312 en 317;

Wegenverkeerswet: de artikelen 8 en 176.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 primair en het onder parketnummer 04/018093-02 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 22 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 7 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, ook indien zulks inhoudt dat verdachte gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een training agressieregulatie in de Grote Beek te Eindhoven, voor zolang dat door de Reclassering nodig wordt geacht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van feit 3 en feit 4 primair:

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen een bedrag van EUR€ 950,00;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij -al dan niet via de betaling aan de Staat- door (een van) verdachtes mededader(s) is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 950,00 subsidiair 19 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR€ 950,00 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen);

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, K. van der Meijde en A.J.M. Huisman-Kreijn, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid vanmr. N.I.B.M. Buljevic als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzittingvan de rechtbank op

28 mei 2003, zijnde mr. F. Oelmeijer buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.