Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AN9330

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
04/051076-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting. Verklaringen verdachte ongeloofwaardig, gezien andere feiten en omstandigheden. Verminderde toerekeningsvatbaarheid verdachte. Geen deels voorwaardelijke straf, zoals door deskundige (psycholoog/ neuroloog) geopperd.

De door de 2 benadeelde partijen gevorderde vergoeding van materiële schade als gevolg van de brand is niet van zo eenvoudige aard dat die zich lenen voor behandeling in het kader van het strafgeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/051076-02

Uitspraak d.d. : 20 juni 2003

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte],

voornamen : [voornamen],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Huis van Bewaring Grave (Unit A + B), Muntlaan 1 Grave.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 juni 2003.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 06 oktober 2002 te [naam 3], in elk geval in de gemeente Nederweert, opzettelijk brand heeft gesticht in een friture [naam] gelegen aan de [straatnaam], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die friture (motor)benzine althans (een) brandbare stof(fen) vlam doen vatten, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (motor)benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in die friture brand is ontstaan (en vervolgens een of meer bij die friture behorende gasfles(sen) zijn/is ontploft), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning [straatnaam] no.[eerste nummer], café-zaal [naam 2] [straatnaam] no. [tweede nummer] en voor de sportkantine van de voetbalvereniging [naam 4], in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor zich toen in de omgeving van die friture bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

(artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 06 oktober 2002 te [naam 3] opzettelijk brand heeft gesticht in een friture [naam] gelegen aan de [straatnaam], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die friture (motor)benzine vlam doen vatten ten gevolge waarvan in die friture brand is ontstaan en vervolgens een bij die friture behorende gasfles is ontploft, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning [straatnaam] no.[eerste nummer], café-zaal [naam 2] [straatnaam] no. [tweede nummer] en voor de sportkantine van de voetbalvereniging [naam 4], en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor zich toen in de omgeving van die friture bevindende personen, te duchten was.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

8.2 Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Verdachte en zijn raadsman hebben tijdens het onderzoek ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat verdachte weliswaar niet ontkent op 6 oktober 2002 op het moment van de brand in friture [naam] aan de [straatnaam] te [naam 3] te zijn geweest, maar wel ontkent dat hij de brand heeft gesticht.

De lezing van de verdediging luidt -kort samengevat en zakelijk weergegeven- als volgt.

De verdachte is in de bewuste nacht van 5 op 6 oktober 2002 met de auto naar bovengenoemde friture gereden, teneinde te controleren of aldaar alles in orde was. Immers, volgens verdachte was in het verleden reeds een keer ingebroken en had reeds enkele keren enig vandalisme om en nabij de friture plaatsgehad. Verdachte deed zo'n controle -naar eigen zeggen- regelmatig 's nachts in de weekeinden. Eenmaal ter plaatse constateerde verdachte dat er was ingebroken in de friture, daar de toegangsdeur van de personeelsingang open stond, het slotplaatje op de grond lag en de deur geforceerd bleek. Verdachte heeft de friture betreden, doch hij trof niemand (meer) aan. Daar verdachte toch eenmaal in de friture was, besloot hij te gaan schoonmaken en daarbij onder andere de -inmiddels afgekoelde- bakoven te reinigen met ter plaatse aanwezige wasbenzine. Tijdens het schoonmaken besloot verdachte een shagje te rollen en op het moment dat hij met zijn aansteker het shagje aanstak, ontstak in een razend tempo de brand om verdachte heen.

De rechtbank acht de lezing van de verdachte over het gebeurde niet aannemelijk op grond van het volgende. Verdachte heeft geheel verschillende uitspraken gedaan over de reden waarom hij die nacht is teruggereden naar de friture (de verdachte heeft ter terechtzitting verklaard ter controle, maar ten overstaan van dhr. [naam] van verzekeringsmaatschappij [naam] heeft verdachte gezegd terug te zijn gegaan om schoon te maken). Uit de inhoud van het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut alsmede uit de inhoud van het rapport van het in opdracht van [naamverzekeringsmaatschappij] uitgevoerde technisch onderzoek blijkt dat het slot van de personeelsingang geen sporen van braak vertoonde. Daarnaast is uit een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut gebleken dat motorbenzine is aangetroffen in de brandmonsters, waaronder op de kleding en schoenen van verdachte en op vloerdelen van de friture.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting een verklaring gegeven voor de op zijn kleding aangetroffen motorbenzine, inhoudende dat hij ten tijde van het tenlastegelegde zijn werkkleding, zijnde de kleding waarmee hij altijd aan motoren sleutelde, droeg en waarop zich ten gevolge van dat sleutelen ook motorbenzine kon bevinden. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig, nu verdachte desgevraagd eerder op 19 februari 2003 het aantreffen van motorbenzine niet kon verklaren en over dat aantreffen daarvan op zijn kleding helemaal verbaasd was. Voor de verspreid over de vloer van de friture aangetroffen motorbenzine heeft verdachte geen verklaring. Uit het technisch rapport van meergenoemde verzekeringsmaatschappij volgt dat het uitgesloten is dat er sprake kan zijn geweest van wasbenzine in plaats van motorbenzine. Verdachte verklaart dat de brand is ontstaan op het moment van het aansteken van zijn shagje. In het proces-verbaal van het technisch onderzoek wordt geconcludeerd dat het vuur zich in de werkruimte op diverse plaatsen nabij en op vloerniveau heeft bevonden, hetgeen ook door de aanwezige getuigen is waargenomen, en dat de brand zich daar naar boven heeft uitgebreid. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat enkel door het aansteken van een shagje, brand op de vloer is ontstaan.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook genoegzaam bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht en daarbij gebruik heeft gemaakt van motorbenzine als brandversneller.

9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

A. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

B. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbepaling: artikel 157 onder 1º en 2º van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

Over verdachte is op 17 maart 2003 gerapporteerd door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog. In dit rapport komt deze deskundige tot de conclusie dat tijdens het begaan van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, waaraan de deskundige onder voorbehoud toevoegt dat gesteld kan worden dat er sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis waarin overwegend antisociale trekken opvallen. De gebrekkige ontwikkeling was van invloed op verdachtes gedrag ten tijde van het tenlastegelegde. De deskundige heeft sterke vermoedens dat verdachte bij het afwegen van motieven tot handelen slechts beperkt de emotionele en affectieve gevolgen voor de ander meeweegt, waardoor een belangrijk motief om impulsen te beheersen ontbreekt, zonder dat aanwijzingen zijn gevonden dat ook het vermogen tot beheersing gebrekkig zou zijn. Volgens de deskundige zijn naast antisociale kenmerken bij verdachte ook paranoïde trekken aanwezig en kan niet volledig uitgesloten worden dat een oorzakelijk verband tussen die trekken en het tenlastegelegde -mits bewezen verklaard- bestaat. Gelet op het vorenstaande adviseert de deskundige het tenlastegelegde licht verminderd aan verdachte toe te rekenen. Volgens de deskundige verhogen antisociale persoonlijkheidskenmerken per definitie de kans op delictgedrag wegens het gebrekkige motief tot beheersing dat met die kenmerken verbonden is. Gelet hierop dient volgens de deskundige de preventie van delictgedrag dat uit die trekken voortkomt te bestaan uit het versterken van het motief tot beheersing, hetgeen kan worden bereikt door het opleggen van een (deels voorwaardelijke) straf en het handhaven van structuur in het dagelijks leven (door bijvoorbeeld het verrichten van arbeid).

De rechtbank kan zich verenigen met deze conclusie en zal die conclusie overnemen en met een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte bij het bepalen van de straf rekening houden.

11. De straffen en/of maatregelen

11.1 De algemene overwegingen

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf en maatregel behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 06 juni 2003 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaar met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft de rechtbank ten aanzien van de gevorderde straf verzocht -in geval van bewezenverklaring- eenderde van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen, teneinde het motief tot beheersen fors te versterken zoals geadviseerd door voornoemde deskundige Zwegers.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder enerzijds rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed bij een van de slachtoffers, te weten mw. [naam 2], teweeg heeft gebracht;

- de mate waarin het bewezenverklaarde schade aan de omliggende panden heeft veroorzaakt;

- het gevaarzettend karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke verontrusting die mede daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat er bij slachtoffers van brandstichting als bewezen verklaard, lange tijd gevoelens van angst (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer kunnen worden belemmerd;

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld;

en anderzijds met:

- de omstandigheid dat verdachte zelf ernstig is getroffen door de feitelijke gevolgen van de brandstichting;

- de omstandigheid dat het bewezenverklaarde verdachte in licht verminderde mate toe te rekenen is;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

11.3 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

- een blauwe spijkerbroek;

- een zwart T-shirt/blouse;

- twee blauwe schoenen;

- een blauwe bodywarmer.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerp te worden teruggegeven aan degene onder wie deze zijn inbeslaggenomen, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [naam 2]:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [voorletters]. [naam 2], wonende te [postcode] [naam 3], [straatnaam] [tweede nummer], een vordering benadeelde partij heeft ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor tenlastegelegde geleden materiële schade en immateriële schade.

[naam 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 126.655,00 en de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor tenlastegelegde bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde feit is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De vordering immateriële schade is niet door verdachte weersproken en is naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing vatbaar.

Aangezien de vordering met betrekking tot de gestelde schade aan de bestaande bouw naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk ten aanzien van dat deel van haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aangezien de benadeelde partij voor het grootste deel niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.000,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van [voorletters]. [naam 2], [straatnaam] [tweede nummer], [postcode] [naam 3], zoals hierna in het dictum genoemd.

Benadeelde partij [naam 5]:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [naam 5] wonende te [postcode] [naam 3], [straatnaam] [eerste nummer], een vordering benadeelde partij heeft ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[naam 5] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 14.989,23 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor tenlastegelegde bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Aangezien de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [naam] zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op:

Wetboek van Strafrecht: de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57 en 157.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaar en 6 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte de navolgende inbeslaggenomen goederen:

- een blauwe spijkerbroek;

- een zwarte blouse/T-shirt;

- twee blauwe schoenen;

- een blauwe bodywarmer;

Ten aanzien van benadeelde partij [naam 2]:

wijst gedeeltelijk de vordering van de benadeelde partij [naam 2];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [voorletters]. [naam 2], [straatnaam] [tweede nummer], [postcode] [naam 3], te betalen een bedrag van EUR€ 1.000,00 ter vergoeding van de immateriële schade;

verklaart de benadeelde partij [voorletters]. [naam 2], wonende te [straatnaam] [tweede nummer], [postcode] [naam 3], niet ontvankelijk voor het overige, betreffende de schade aan de bestaande bouw, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [voorletters]. [naam 2], wonende te [straatnaam] [tweede nummer], [postcode] [naam 3], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR€ 1.000,00 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde

partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte, noch voornoemde benadeelde partij, in de kosten ten aanzien van de civiele vordering;

Ten aanzien van benadeelde partij [naam 5]:

verklaart de benadeelde partij [naam 5], wonende te [straatnaam] [eerste nummer], [postcode] [naam 3], niet ontvankelijk in zijn vordering, aangezien de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte, noch voornoemde benadeelde partij, in de kosten ten aanzien van de civiele vordering.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, D.C.M. Bomans en B.P. Sloot, van wie mr. D.C.M. Bomans voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I.B.M. Buljevic als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

20 juni 2003.