Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AN7854

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
03/332 WW44 K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een winkelpand. Het tegen die ingetrokken bouwvergunning gerichte bezwaar is bij schrijven van 1 augustus 2002 namens belanghebbenden aangevuld, onder de mededeling dat dat bezwaarschrift geacht wordt ook gericht te zijn tegen het besluit van 4 juli 2002. Tevens is verzocht om een voorlopige voorziening, welk verzoek is behandeld op de zitting van 2 augustus 2002. Naar aanleiding hiervan is het aangevochten besluit geschorst. Op 3 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit waarbij de bouwvergunning is verleend vernietigd en alsnog geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen vanwege strijd met het bestemmingsplan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03/332 WW44 K1

Inzake : A hodn A Vastgoed BV, wonende te B, eiseres,

tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haelen, gevestigd te Haelen, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 3 februari 2003,

Datum van behandeling ter zitting: 10 september 2003

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft verweerder aan A Vastgoed BV i.o. te B vergunning verleend voor het veranderen van een winkelgebouw aan de […]hof 1 en 3 te C. Tegen dat besluit is namens belanghebbenden bezwaar gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter terechtzitting van 10 september 2003. Namens eiseres is verschenen A en heeft het woord gevoerd mr. T.J.H.M. Linssen. Ook namens T en Lings Court Arabians BV, namens wie verder niemand is verschenen, heeft mr. Linssen het woord gevoerd. Namens verweerder is verschenen en heeft het woord gevoerd mr. M.H.P. Lucassen. Als belanghebbende is verschenen U en heeft het woord gevoerd mr. R.C. van Wamel. Ook namens Laurus NV en V Pensioen BV, heeft mr. Van Wamel het woord gevoerd. Namens Laurus NV is verschenen mr. A.P. Corstjens. Namens V Pensioen BV is niemand verschenen. Voorts zijn als belanghebbenden verschenen W, X, Y en Z.

Z is niet verschenen. Namens laatstgenoemde twee belanghebbenden heeft het woord gevoerd mr. E.H.M.T. Versteegen.

II. OVERWEGINGEN.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beschouwing omtrent de zaak overweegt de rechtbank met betrekking tot de partijen in het geding het volgende.

Ter zitting is verklaard dat Laurus NV leverancier is van de door belanghebbende U geëxploiteerde winkel alsmede het pand waarin deze winkel is gehuisvest aan belanghebbende verhuurt. V Pensioen BV is eigenaar van het pand, en verhuurt het aan Laurus NV. Om in de onderhavige procedure als belanghebbende te kunnen worden beschouwd dient er sprake te zijn van een rechtstreeks bij het besluit tot herroeping van de bouwvergunning betrokken belang. Dit betekent dat er een direct en onmiddellijk verband moet bestaan tussen het betrokken belang en het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is van een zodanig verband geen sprake in het geval van Laurus NV en V Pensioen BV. Hun uitsluitend contractuele relatie tot de rechtstreekse concurrent van eiseres moet worden gezien als een afgeleid, middellijk belang, en is als zodanig onvoldoende om hen als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te kunnen merken. De rechtbank merkt hen dan ook niet langer als partij aan.

feiten

Bij besluit van 4 juli 2002 is een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een winkelpand op het perceel plaatselijk bekend als […]hof 1 en 3 te C, onder intrekking van een eerder op 13 juni 2002 verleende bouwvergunning. Het tegen die ingetrokken bouwvergunning gerichte bezwaar is bij schrijven van 1 augustus 2002 namens belanghebbenden aangevuld, onder de mededeling dat dat bezwaarschrift geacht wordt ook gericht te zijn tegen het besluit van 4 juli 2002. Tevens is verzocht om een voorlopige voorziening, welk verzoek is behandeld op de zitting van 2 augustus 2002. Naar aanleiding hiervan is het aangevochten besluit geschorst. Op 3 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit waarbij de bouwvergunning is verleend vernietigd en alsnog geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen vanwege strijd met het bestemmingsplan "Eerste herziening bestemmingsplan "Kern Haelen-Nunhem".

beoordeling

In haar beroepschrift heeft eiseres er bezwaar tegen gemaakt dat verweerder in het bestreden besluit spreekt van vernietiging van het besluit waarbij de bouwvergunning is verleend, terwijl daar sprake zou dienen te zijn van herroeping. De rechtbank passeert die grief aangezien de gebruikte terminologie eiseres blijkens het dossier en het verhandelde ter zitting niet heeft benadeeld. De rechtbank zal thans overgaan tot een inhoudelijke bespreking van de zaak.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de beoogde supermarkt met een bruto vloeroppervlakte (b.v.o.) van 1400 m2 al dan niet in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan "Eerste herziening bestemmingsplan "Kern Haelen-Nunhem".

Ingevolge plankaart en renvooi van dat bestemmingsplan heeft het onderhavige gebied de bestemming "Centrumgebied" (C); het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd is gelegen in die bestemming en daarin specifiek aangeduid met de bestemming "Detailhandel in meubels en woninginrichting" D(m-w).

Artikel 4 "Centrumgebied (C)", lid I ("Doeleindenomschrijving") onder 1 luidt als volgt:

"De op de plankaart als Centrumgebied (C) opgenomen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. detailhandel;

c. publieksverzorgende functies;

d. horecadoeleinden, met uitzondering van erotisch getinte horeca;

e. openbare nutsdoeleinden;

f. verkeers- en parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen;

h. detailhandel in meubels en woninginrichtingsartikelen voor zover de gronden daartoe met "D(m-w)" nader zijn aangeduid."

Volgens artikel 4, lid II "Beschrijving in hoofdlijnen" worden de in voormeld lid I omschreven doeleinden nagestreefd door het mogelijk maken van optimale uitwisselingen van de in lid I vermelde functies. Teneinde een onevenredige aantasting van de heersende woonfunctie te voorkomen is het aantal toegestane detailhandelvestigingen gemaximeerd, en tevens gelden op grond van de Bebouwingsregels van lid III gemaximeerde bedrijfsvloeroppervlaktes voor nieuwe detailhandelvestigingen en gemaximeerde uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande vestigingen. Uitbreiding van de bestaande detailhandelvestiging in meubels- en woninginrichtingsartikelen is daarbij niet toegestaan; wel is na binnenplanse vrijstelling uitbreiding hiervan met maximaal 250 m2 mogelijk, mits de bedrijfseconomische dan wel andere bedrijfsomstandigheden zulks wettigen.

Met betrekking tot het onderhavige perceel is op blz. 23 van de Plantoelichting nog het volgende vermeld:

"Bepaalde binnen de bestemming Centrumgebied gelegen gronden worden op de plankaart aangegeven als detailhandel in meubels en woninginrichting D(m-w). De hier voorkomende functie is van een bovenlokaal karakter.Teneinde de bestaande functie vast te leggen en te voorkomen dat deze functie verder uitgroeit boven het lokale verzorgingsniveau van de kern Haelen wordt het wenselijk geacht deze binnen de centrumbestemming specifiek aan te duiden."

Voorts bepaalt de Plantoelichting onder meer:

“Voorgestaan beleid binnen de bestemming Centrumgebied

Binnen het centrumgebied wordt gestreefd naar een optimale uitwisseling van centrumfuncties. Dit wordt bereikt via een mengbestemming ‘Centrumgebied’. Dit betekent dat omzetting van woonfuncties, detailhandel, horeca en publieksverzorgende functies direct mogelijk is. […]”

Ofschoon het uitgangspunt van inwisselbaarheid van functies in de richting ervan zou wijzen, dat de thans beoogde supermarkt zonder meer in de plaats van de meubelhandel zou kunnen komen, strookt die opvatting weer niet met de in het bestemmingsplan gebezigde methodiek om telkens de bestemming voor de meubelhandel specifiek aan te duiden. Met die specifieke aanduiding is blijkens voormeld citaat uit de Plantoelichting kennelijk beoogd een consoliderend effect te bewerkstelligen voor de bestaande meubelhandel.

De vraag dringt zich dan ook op of het uitgangspunt van de inwisselbaarheid van functies ook van toepassing is indien, zoals in dit geval, de specifiek bestemde meubelhandel (met een b.v.o. van 1580 m2) is opgehouden te bestaan en daarvoor een supermarkt met een b.v.o van 1400 m2 in de plaats komt, daarbij ervan uitgaand dat aan het onderscheid tussen een meubelhandel en een supermarkt planologische betekenis niet kan worden ontzegd. In het verlengde hiervan doet zich de vraag voor of de vestiging van een supermarkt ter plekke niet beschouwd zou moeten worden als een nieuwvestiging, met de daarvoor geldende eisen qua maximale bedrijfsvloeroppervlakte.

Uit de Plantoelichting leidt de rechtbank af dat uitwisseling van de functie D(m-w) met de functie detailhandel mogelijk is. De hoofdbestemming is ‘Centrumgebied’; directe uitwisseling van functies daarbinnen is mogelijk. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de aanduiding D(m-w) niet gezien dient te worden als aparte bestemming binnen de bestemming Centrumgebied, maar als een (bijzondere) aanduiding van de daarop specifiek van toepassing zijnde gebruiksvoorschriften. Dit betekent dat de aanduiding D(m-w) in beginsel niet in de weg staat aan de vestiging van een supermarkt op het onderhavige perceel.

Vervolgens dient zich aan de vraag of die vrije uitwisselbaarheid ook moet gelden voor de volledige oppervlakte van 1580 m2 en zo nee, of het onderscheid in de aard van de detailhandel de gevolgtrekking wettigt dat van een zogenaamde nieuwvestiging gesproken moet worden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is. De planologische effecten van de vestiging van een supermarkt verschillen van die van de vestiging van een meubelhandel.

Een zekere aparte status kan de toenmalige meubelhandel niet ontzegd worden, gezien de bepaling van artikel 4 lid III sub 1.i.3 in het plan of het in paragraaf 4.3.2 onder het vierde gedachtenstreepje van de Plantoelichting vermelde. Deze aparte status wordt verder onderstreept door het hierboven reeds opgemerkt consoliderend effect dat die specifiek op de meubelhandel toegesneden bepalingen in het plan en de toelichting beogen. Met het verdwijnen van de meubelhandel is tevens de grondslag ontvallen aan de bijzondere status die aan de betreffende functie was toegekend.

Ten slotte wijst de rechtbank erop dat uit de planvoorschriften en bebouwingsregels de ruimere wens van de planwetgever spreekt, om geen detailhandelvestigingen toe te staan waarvan het vloeroppervlak de 325m2 overschrijdt, tenzij daar gezien bijzondere omstandigheden wel aanleiding voor zou bestaan, zoals in het geval van de voormalige meubelhandel. In het licht daarvan zijn de specifiek opgenomen bepalingen met betrekking tot de meubelhandel mede te begrijpen. Dat een zekere uitzonderingspositie, vergelijkbaar met die voor de voormalige meubelhandel, zou zijn beoogd voor een supermarkt is niet gebleken. De rechtbank wordt gesterkt in haar oordeel door de omstandigheid dat de planwetgever wel specifiek heeft voorzien in de bestemming van een grote supermarkt aan de rand van het centrumgebied. Van vrije uitwisselbaarheid voor het volledige vloeroppervlak kan dan ook geen sprake zijn. Met betrekking tot het bouwplan van eiseres dient van een nieuwvestiging gesproken te worden.

Het standpunt van eiseres dat het begrip nieuwvestiging in het bestemmingsplan ziet op het aantal detailhandelvestigingen deelt de rechtbank niet. De beoogde supermarkt is immers geen voortzetting van de bestaande detailhandelsvestiging, die specifiek in het plan was aangeduid en die, zoals hierboven reeds overwogen, een consoliderend effect beoogde te bewerkstelligen voor de bestaande meubelhandel. Dat met nieuwvestiging uitbreiding van het bestaande aantal zou zijn bedoeld kan de rechtbank niet uit het bestemmingsplan afleiden.

Het vorenstaande brengt mee dat de supermarkt zoals eiseres die wenst te verwezenlijken is onderworpen aan de 325m2-beperking die geldt voor nieuwvestigingen. Terecht is derhalve geconcludeerd door verweerder dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en terecht heeft verweerder de eerder verleende vergunning in bezwaar herroepen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank voegt daar evenwel aan toe dat verweerder met de enkele herroeping van de bouwvergunning niet kan volstaan. Verweerder zou daarmee miskennen dat hij de aanvraag voor de bouwvergunning mede dient op te vatten als aanvraag tot vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan voor zover het bouwplan daarmee in strijd is. Artikel 46, derde lid van de Woningwet (Ww) luidt, voor zover hier van belang:

‘[…] Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.’

Genoemd artikel 15 van de WRO bepaalt, kort gezegd, dat het bestemmingsplan een bepaling kan bevatten op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van bepaalde onderdelen van het plan. Het bestemmingsplan "Eerste herziening bestemmingsplan "Kern Haelen-Nunhem" bevat een zodanige bepaling in artikel 4 lid VI. Onder 1 van dat artikellid is bepaald dat burgemeester en wethouders onder meer vrijstelling kunnen verlenen van het bepaalde in lid III sub 1.i.1 en 1.i.2 met betrekking tot overschrijding van de maatvoering van 325m2, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Verweerder heeft in het onderhavige geval de bouwvergunning in primo verleend op 4 juli 2002. Op dat moment verkeerde verweerder in de veronderstelling dat het bouwplan van eiseres in overeenstemming was met de bepalingen van het bestemmingsplan, weshalve de aanvraag voor de bouwvergunning kon worden ingewilligd. Vervolgens is door belanghebbenden bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de vergunning en is de aanvraag van eiseres onderwerp geworden van een volledige heroverweging. Eerst naar aanleiding van de heroverweging in bezwaar is verweerder tot de slotsom gekomen dat het bouwplan van eiseres in strijd moest worden geacht met de in het bestemmingsplan vervatte regelen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de op 4 juli 2002 verleende bouwvergunning herroepen. Pas vanaf dat moment was de situatie als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de Ww, aan de orde.

In het bestreden besluit is door verweerder evenwel geen beslissing genomen met betrekking tot vrijstelling of het volgen van de vrijstellingsprocedure.

Door de gemachtigde van verweerder is ter zitting verklaard dat artikel 33 van het bestemmingsplan voorschrijft dat in geval van het volgen van een vrijstellingsprocedure, de bepalingen van afdeling 3.4 van de Awb (openbare voorbereidingsprocedure) gevolgd dienen te worden. De daar beschreven procedure is betrekkelijk tijdrovend en de rechtbank acht het niet ondenkbeeldig dat de termijnen die gelden voor het nemen van een beslissing op het bezwaarschrift, onder zware druk komen te staan c.q. niet gehaald kunnen worden indien de bestuurlijke voorprocedure van afdeling 3.4 van de Awb wordt gevolgd. Onder deze omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat het rechtens niet onaanvaardbaar is dat deze twee procedures – de procedure tot het verlenen van de bouwvergunning enerzijds en de vrijstellingsprocedure anderzijds – afzonderlijk behandeld worden en dat verweerder eerst na het nemen van het besluit op bezwaar de vrijstellingsprocedure opstart.

Dat verweerder nog een afzonderlijke vrijstellingsprocedure dient te volgen heeft als effect dat belanghebbenden tegen het daaruit voortvloeiende besluit nog de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep hebben, zodat er geen sprake is van verlies van instantie. Zulks vormt voor de rechtbank reden te meer om te oordelen dat verweerder niet had hoeven te wachten met het nemen van het besluit op bezwaar totdat de vrijstellingsprocedure is afgerond.

Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder de bouwvergunning terecht herroepen en moet het beroep van eiseres voor ongegrond worden gehouden. Mitsdien is beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout, F.J.C. Huijbers en L.A. Gruiters (voorzitter) en in tegenwoordigheid van mr. J.W. Schouten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2003.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 28 oktober 2003

KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.