Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AI1537

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-08-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
03/201 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag subsidie in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03/201 BESLU K1

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voor deze: de regiomanager van LASER, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 17 januari 2003,

kenmerk: 02.2.0490.

Datum van behandeling ter zitting: 22 juli 2003.

I. PROCESVERLOOP

Op 4 oktober 2001 heeft eiser zich gewend tot verweerder met een aanvraag hem subsidie te verlenen in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (in het vervolg: RBV). Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is namens eiser een bezwaarschrift ingediend op 12 november 2002.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 17 januari 2003 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank op 20 februari 2003 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift van 18 maart 2003 zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 juli 2003, waar eiser is verschenen bijgestaan door mr. ing. W.B.M. Engels, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.M. Bakker Schut.

II. OVERWEGINGEN

Feiten

Eiser heeft bij een op 4 oktober 2001 gedateerd en daags daarna bij verweerder ingekomen aanvraagformulier verzocht om een subsidie in het kader van de RBV voor de beëindiging van de kippen- en kalkoenentak op zijn bedrijf. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij denkt voor 668 kilogram fosfaat subsidie in aanmerking te komen. Verder heeft eiser gevraagd om een subsidie voor de afbraak van een kippenstal uit 1965.

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft verweerder zowel de beëindigingsubsidie als de sloopsubsidie afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen als volgt:

"U ontvangt geen bijdrage voor uw pluimveerechten aangezien de fosfaatproductie van uw pluimveetak volledig toegeschreven kan worden aan grondgebonden mestproductierechten (art. 14 lid 1.b)

U ontvangt geen subsidie voor de sloop van gebouwen die horen bij de kippen- en en kalkoenentak. Er wordt slechts afbraaksubsidie verstrekt als ook de veehouderijtak wordt beëindigd. Uw aanvraag voor beëindiging van de kippen- en kalkoenentak is echter afgewezen. (art. 9 lid 1)."

In bezwaar stelt eiser zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 9, eerste lid, van de RBV recht heeft op een sloopsubsidie omdat hij over verplaatsbare pluimveerechten beschikt en deze rechten in het kader van de RBV aanbiedt. Dat eiser meer grondgebonden dan verplaatsbare pluimveerechten heeft waardoor de beëindigingsvergoeding op nihil uitkomt doet daar niet aan af.

Verweerder heeft eisers bezwaren voorgelegd aan het Bureau Heffingen. In het door het Bureau Heffingen opgemaakte beoordelingsformulier van 18 december 2002 staat vermeld dat eisers kippenfosfaatproductie volgens de MINAS-aangifte 1999 599 kilo bedroeg. Verder is aangegeven dat op 5 oktober 2001 eiser 800 grondgebonden rechten had en daarnaast beschikte over verplaatsbare rechten waaronder 668 pluimveerechten.

Bij besluit van 17 januari 2003 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder bestrijdt met onder meer een beroep op de tekst van artikel 9, eerste lid, van de RBV en de uit de toelichting blijkende bedoeling van de regelgever, eisers stelling dat een sloopsubsidie moet worden toegekend indien de beëindigingsvergoeding op nihil is gesteld, maar wel pluimveerechten ter doorhaling worden aangeboden.

Tegen dit besluit is het beroep van eiser gericht.

Oordeel van de rechtbank

De RBV heeft tot doel het voorkómen van een landelijk niet-plaatsbaar mestoverschot door inkrimping van de intensieve veehouderij.

De regeling kent een beëindigingsubsidie voor het beëindigen van de varkens-, de rundvee-, de kippen-, of kalkoentak. Daarnaast behelst de regeling een subsidieverstrekking voor de afbraak van stallen, de zogeheten sloopsubsidie.

Artikel 7 RBV bevat een vijftal voorwaarden voor het in aanmerking komen voor een beëindigingssubsidie.

Artikel 14 geeft aan op welke wijze de beëindigingssubsidie berekend wordt.

Artikel 9 RBV behelst de voorwaarden voor het toekennen van een sloopsubsidie zowel voor de gevallen van beëindiging van een veehouderijtak als voor de gevallen daarbuiten.

Artikel 9, eerste lid, van de RBV geeft de voorwaarden aan voor toekenning van een sloopsubsidie bij beëindiging van de veehouderijtak. Een van de voorwaarden om voor een sloopsubsidie in aanmerking te komen is, dat die sloopsubsidie slechts "naast" een beëindigingsubsidie wordt verstrekt. Een andere in artikel 9, eerste lid, RBV genoemde voorwaarde is, dat ''beëindiging van een of meer veehouderijtakken als bedoeld in artikel 7" plaatsvindt.

De rechtbank begrijpt de bestreden besluitvorming aldus dat verweerder de door eiser gevraagde sloopsubsidie heeft afgewezen omdat eiser niet aan beide hiervoor genoemde voorwaarden voldoet.

Voor de beantwoording van de vraag of eiser aan eerstgenoemde voorwaarde voldoet is van belang of gezegd kan worden, dat een sloopsubsidie "naast" een beëindigingsubsidie wordt verstrekt indien het volgens artikel 14 van de RBV berekende bedrag van de beëindigingsubsidie € 0, - bedraagt. Anders dan verweerder en met eiser is de rechtbank van oordeel dat een beëindigingsubsidie van € 0, - als een beëindigingsubsidie in de zin van artikel 9, eerste lid, van de RBV moet worden beschouwd. Voor de motivering van dit standpunt verwijst de rechtbank naar zijn, aan beide partijen bekende, uitspraak van 6 mei 2003 in de zaak met procedurenummer 02/1235 BESLU K1. Een en ander betekent dat verweerder eisers aanvraag om sloopsubsidie ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat verweerder het bedrag van de beëindigingsubsidie op nihil heeft gesteld.

Ten aanzien van de vraag of eiser aan de tweede van de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, met andere woorden of in eisers geval sprake is van ''beëindiging van een of meer veehouderijtakken als bedoeld in artikel 7" overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 7 van de RBV geeft aan onder welke voorwaarden subsidie wordt verstrekt. In artikel 7 aanhef en onder a. staat als voorwaarde vermeld: "beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens, van de kippen en kalkoenen of van het rundvee". Een "beëindiging van een of meer veehouderijtakken als bedoeld in artikel 7" impliceert derhalve een "beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens, van de kippen en kalkoenen of van het rundvee".

De rechtbank is van oordeel dat van "beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens, van de kippen en kalkoenen of van het rundvee" slechts sprake kan zijn indien de feitelijke mestproductie (in het peiljaar) de grondgebonden productierechten (op het moment van het indienen van de subsidieaanvraag) overtreft. Alleen dan leidt de doorhaling van verplaatsbare productierechten onvermijdelijk tot daadwerkelijke vermindering van de mestproductie en dus van het mestoverschot. Indien daarentegen feitelijk minder mest wordt geproduceerd dan de grondgebonden productierechten toelaten, betekent de doorhaling van verplaatsbare productierechten niet zonder meer dat de feitelijke mestproductie vermindert. De betrokken veehouder behoudt immers na doorhaling van de verplaatsbare mestproductierechten de mogelijkheid zijn grondgebonden productierechten ten volle te benutten.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank gaat ervan uit dat eisers feitelijke mestproductie in het peiljaar (1999) 599 kilo fosfaat bedraagt. Zijn grondgebonden productierechten ten tijde van het indienen van de subsidieaanvraag hebben betrekking op 800 kilo fosfaat. Eisers grondgebonden mestproductierechten overtreffen derhalve diens feitelijke mestproductie. Doorhaling van eisers verplaatsbare mestproductierechten leidt er dus bij volle benutting van eisers grondgebonden mestproductierechten niet toe dat eisers feitelijke mestproductie terugloopt. De rechtbank neemt daarom met verweerder aan dat in eisers geval van "beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens, van de kippen en kalkoenen of van het rundvee" geen sprake is.

Een en ander betekent dat verweerder eisers aanvraag om sloopsubsidie terecht heeft afgewezen op de grond dat geen ''beëindiging van een of meer veehouderijtakken als bedoeld in artikel 7" heeft plaatsgevonden.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. . E.J.A.M. Bakermans, J.J.A. Kooijman en M.I.J. Hegeman (voorzitter), in tegenwoordigheid van M.B.G. Cox-Vorage als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 aug. 03.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 25 aug. 03

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.