Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AF6100

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
02 / 692 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het bezwaarschrift van het Cuypersgenootschap (het genootschap) tegen het besluit van 10 januari 2001, tot het niet aanwijzen van het Vliegkamp Valkenburg (het vliegkamp) als beschermd monument, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 02/692 WET K1

Inzake : Nederlandse Federatie voor Luchtvaartarcheologie (NFLA) te Utrecht, eiser, en het Cuypersgenootschap te Ohé en Laak, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; namens deze: de Directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 28 januari 2002,

kenmerk: CFI/FJZ-2001/14666 U

Datum van behandeling ter zitting: 22 januari 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van het Cuypersgenootschap (het genootschap) tegen het besluit van 10 januari 2001, tot het niet aanwijzen van het Vliegkamp Valkenburg (het vliegkamp) als beschermd monument, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit hebben de Nederlandse Federatie voor Luchtvaartarcheologie (de NFLA) en het genootschap (hierna ook eisers te noemen) bij de rechtbank Utrecht beroep ingesteld.

De rechtbank Utrecht heeft het beroepschrift doorgezonden naar deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen zijn behandeld ter terechtzitting van 22 januari 2003. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr R.H. Vosseveld, secretaris van het genootschap. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr I.J. Broeke, ambtenaar bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Voor NV Duinwaterbedrijf Zuid Holland (hierna het duinwaterbedrijf) is verschenen ing. F. Van Miltenburg.

II. OVERWEGINGEN.

1. Overwegingen van processuele aard.

De NFLA en het genootschap hebben met één beroepschrift beroep ingesteld bij de rechtbank Utrecht. Het besluit waartegen het beroep is gericht is een besluit van een ander bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:7, tweede lid van de Awb. Alsdan is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft bevoegd. Hier is sprake van twee indieners van het beroep. De NFLA heeft zijn statutaire zetel in Utrecht, het rechtsgebied van de rechtbank Utrecht, en de andere indiener, het genootschap, heeft zijn statutaire zetel in Ohé en Laak, dat ligt in het rechtsgebied van de rechtbank Roermond. Het gaat hier om een gelijktijdig beroep instellen door twee eisers terwijl voor elk beroep een andere rechtbank bevoegd is. In artikel 8:8, eerste lid van de Awb is onder meer bepaald dat indien gelijktijdig bij meer dan een bevoegde rechtbank als eerste beroep is ingesteld de zaken verder behandeld worden door de bevoegde rechtbank die als eerste wordt genoemd in de Wet op de rechterlijke indeling. Met analoge toepassing van dat artikellid dient de rechtbank Roermond, nu deze als eerste in die wet wordt genoemd, te worden aangemerkt als de rechtbank die de zaken verder behandelt.

Het duinwaterbedrijf heeft als (gedeeltelijk) eigenaar van het vliegkamp verzocht om in deze procedure als partij te worden aangemerkt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het duinwaterbedrijf dat verzoek nader toegelicht. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en die afwijzing gebaseerd op de volgende motivering.

Het gaat hier om een besluit tot het niet aanwijzen van het vliegkamp als beschermd monument. Dit betekent dat het besluit geen rechtsgevolgen heeft voor het vliegkamp of geen wijziging brengt in de rechtspositie van het kamp en dat derhalve de belangen van het duinwaterbedrijf als eigenaar van het kamp niet rechtstreeks bij dat besluit zijn betrokken. In deze valt een vergelijking te trekken met een besluit om niet handhavend op te treden ten aanzien een gebouw, dat ook geen wijziging brengt in de rechtspositie van de eigenaar van dat gebouw.

Het duinwaterbedrijf heeft als belang naar voren gebracht de vertraging in de realisering van de plannen van het vliegkamp door de aanwijzingsprocedure.

Dat belang kan echter niet in aanmerking worden genomen omdat het niet in direct verband staat met het besluit zelf.

Het bestreden besluit behelst een beslissing op het bezwaar van het genootschap en is ook aan het genootschap gericht. De NFLA stelt daar (met het genootschap) beroep tegen in.

De NFLA is geen belanghebbende ten aanzien van het bestreden besluit. Het is immers niet aan hem gericht. Dit betekent dat het beroep van de NFLA niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

2. Overwegingen van inhoudelijke aard.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

De ontvankelijkheid van het bezwaar.

Verweerder heeft het genootschap beschouwd als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken en het mitsdien ontvankelijk geacht in zijn bezwaar.

Het genootschap is een rechtspersoon. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

In de Statuten van het genootschap is aangegeven dat de vereniging ten doel heeft in de breedst mogelijke kring een herwaardering van en een beter begrip voor de voortbrengselen van de negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse Nederlandse cultuur te kweken en het duurzaam behoud van die verworvenheden te realiseren en dat de vereniging dit doel tracht te bereiken door het optreden in en buiten rechte ten behoeve van het behoud van de onderhavige cultuurgoederen.

Het vliegkamp kan worden beschouwd als een dergelijk voortbrengsel.

Dit betekent dat verweerder het genootschap terecht heeft beschouwd als degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit en het genootschap terecht heeft ontvangen in zijn bezwaar.

De beoordeling van het besluit.

Eisers hebben verweerder verzocht om het vliegkamp aan te wijzen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988.

Verweerder heeft dat verzoek afgewezen door te beslissen dat het vliegkamp niet wordt aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1998.

Het genootschap heeft de volgende grieven tegen het besluit aangevoerd.

1.Bij de besluitvorming is geen advies gevraagd/verkregen van de provincie.

2.Niet meegewogen zijn de opvatting van de provincie dat het vliegkamp van nationaal belang is en de in diverse plannen neergelegde opvatting dat het gaat om een gebied met gebouwen met een hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarde waarvoor een instandhoudingsbeleid geldt.

3.Ook aan de stelling in de Nota Belvedere dat het gaat om een bijzonder beschermingswaardig gebied is voorbijgegaan.

4.Het vliegkamp bevat niet alleen nationaal maar ook internationaal unieke waarden.

5.In het advies van de Raad voor Cultuur wordt ten onrechte gekozen voor het vliegveld Deelen.

6.In het bestreden besluit wordt het schoonheidscriterium benadrukt ten koste van het criterium van de betekenis voor de wetenschap en de cultuurhistorische waarde.

7.Het in twijfel trekken van de relatie van het vliegkamp met de Atlantikwall en het van nationaal belang achten van de anti-tankgrachten getuigen van een ondeugdelijke motivering. In de verklaringen die als bijlagen zijn gevoegd bij het rapport Marine Vliegkamp Valkenburg wordt de verwevenheid met de Atlantikwall onderschreven. Ook in het boek "Noordwijk, Katwijk en Valkenburg Atlantikwall 1940-1945. Stutzpunkt Gruppe Katwijk wordt duidelijk gemaakt dat het vliegkamp in de Atlantikwall was opgenomen.

8.De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft geoordeeld over het object terwijl die dienst onvoldoende kennis daarover heeft.

9.De behandeltermijnen van de aanvraag en het bezwaar zijn ruimschoots overtreden.

Het besluit van verweerder om het vliegkamp niet aan te wijzen als beschermd monument berust op het standpunt dat de aanwezige architectuurhistorische waarden bescherming op grond van de Monumentenwet niet rechtvaardigen.

Verweerder heeft dat standpunt bepaald aan de hand van de beleidsregels aanwijzing beschermde monumenten op verzoek, die per 26 februari 2000 in werking zijn getreden en op 24 februari 2000 bekend zijn gemaakt in de Staatscourant nr. 39 en die als volgt luiden.

Een verzoek tot aanwijzing in deze categorie wordt afgewezen tenzij:

- het betreffende monument vanuit een oogpunt van de geschiedenis in de twintigste eeuw kan worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend kenmerkend monument van de Nederlandse architectuur, stedebouw, landinrichting of ruimtegebonden kunst, en bovendien:

- bij of krachtens de Woningwet een aanvraag is ingediend om het monument te wijzigen of te slopen,

- plannen in ontwikkeling zijn,die, indien uitgevoerd, het voortbestaan van het monument in gevaar zouden brengen, of

- door het niet terstond aanwijzen als beschermend monument een concreet plan tot instandhouding van het monument niet of niet direct zal worden uitgevoerd.

Het standpunt is voorts gebaseerd op de opvatting dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde van het aanwijzingsbeleid te weten dat het gaat om een monument dat kan worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend kenmerkend monument en wel omdat er legerkampen zijn die zowel voor wat betreft de complexmatige gaafheid als de architectuur van groter belang zijn.

Aan het standpunt is blijkens de bij het primaire besluit gevoegde bijlage -onder meer- de volgende motivering ten grondslag gelegd.

Als complex heeft het vliegveld zeker waarden boven lokaal niveau gelet op de gaafheid, de situering van de gebouwen aan de duinrand, de rangschikking van de gebouwen ten opzichte van elkaar en de verbindende groenaanleg in combinatie met het paden- en stratenpatroon. De architectonische waarde van de individuele gebouwen is op een enkel gebouw zoals de kapel en de telefooncentrale na, gering. De barakken kennen een zeer eenvoudige uitvoering, die te rangschikken valt onder Heimatschutz Architektur, doch waarvan in den lande andere duidelijke en meer karakteristieke voorbeelden te vinden zijn.

De relatie met de Atlantikwall is onduidelijk. De verdedigingsbunkers in de duinen, die onderdeel uitmaken van de Atlantikwall, werden gebouwd onder een ander beheer dan het vliegveld zelf. De relatie tussen beide infrastructurele werken is moeilijk aantoonbaar. De tankgracht (waarvan een deel gelegen op Wassenaars grondgebied is gedempt) en de muur ten zuiden van het vliegveld dienden waarschijnlijk ter bescherming van het vliegveld, doch kunnen evengoed onderdeel hebben gevormd van de verdedigingsring rond Den Haag.

In vergelijking met andere vliegvelden vertegenwoordigt Valkenburg niet een zodanig nationaal belang dat rijksbescherming op zijn plaats is. Er bestaan legeringskampen die zowel wat de complexmatige gaafheid als de architectuur betreft van groter belang zijn ( zie Quick scan de legeringskampen van bijvoorbeeld Deelen en Twente).

De rechtbank is van oordeel dat het beleid dat verweerder in deze heeft toegepast beschouwd dient te worden als vallend binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het vliegkamp niet een zodanig nationaal belang vertegenwoordigt dat rijksbescherming op zijn plaats is.

Ter beantwoording van die vraag zal de rechtbank nu de grieven van het genootschap bespreken.

Grief 1.

GS van Zuid-Holland hebben bij brief van 15 december 2000 aan verweerder meegedeeld het wenselijk te vinden, dat zo spoedig mogelijk een integraal onderzoek (naar o.m. handhaving en versterking van cultuurhistorische waarden) wordt gedaan en dat gelet daarop vooralsnog geen advies gegeven kan worden over de aanwijzing als rijksmonument. Nadien heeft verweerder niet meer gevraagd aan GS om alsnog advies uit te brengen.

Verweerder heeft aangegeven dat hij gehouden was om binnen een bepaalde termijn te beslissen op het verzoek en dat hij alleen gehouden is om advies te vragen aan de provincie en niet om pas tot besluitvorming over te gaan nadat een advies is verkregen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt en oordeelt dat deze grief niet kan slagen.

Grief 2 en grief 3.

De rechtbank zal deze grieven tezamen bespreken. Bij beide grieven gaat het immers om door andere instanties of in andere regelingen of plannen vastgelegde criteria en waardebepalingen. Verweerder heeft daarover in navolging van de commissie voor de bezwaarschriften aangegeven dat de Monumentenwet slechts ziet op het bepalen van de monumentale waarde van een object en dat de criteria van de Belvedereregeling en de in andere regelingen vastgelegde talrijke criteria, waaraan een natuurgebied moet voldoen in het bestreden besluit terecht buiten

de beoordeling zijn gelaten.

De rechtbank kan verweerder in die opvatting volgen. De rechtbank tekent hierbij nog aan dat niet valt in te zien waarom verweerder die opvatting niet zou mogen huldigen ten aanzien van andere regelingen en plannen dan de Belvedereregeling.

De grief dient te worden verworpen.

Grief 4.

Het genootschap heeft deze grief onderbouwd met de verwijzing naar het onderzoeksrapport van de Ingenieurs Associatie Van den Bos en De Jongh en de opmerking dat het rapport niet alleen spreekt van nationaal maar ook van internationaal unieke waarden van het terrein.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt voor deze grief hetzelfde als wat ten aanzien van grief 2 en 3 is overwogen. De grief dient dan ook verworpen te worden.

Grief 5.

Met betrekking tot de keuze van vliegveld Deelen heeft de Raad voor Cultuur in zijn advies het volgende overwogen.

De Raad pleit ervoor de rijksbescherming te concentreren op een vliegveld, dat na afweging van diverse factoren, hiervoor het meest in aanmerking komt.

………

Bij uitzondering zullen op andere vliegvelden afzonderlijke elementen voor rijksbescherming in aanmerking komen. Als criterium hiervoor geldt dat sprake moet zijn van een aantoonbaar zeldzaam of anderszins waardevol object, op grond waarvan kan worden gesproken van een verrijking van het beschermd bestand.

………………

Bezichtiging van de vliegbasis bevestigde de indruk dat vliegveld Deelen bijzonder waardevol is ………. en dat het als geheel voor rijksbescherming in aanmerking dient te komen.

…………

Gelet op het voorgaande en na afweging van alle beschikbaar gestelde gegevens concludeert de Raad dat zich op het vliegveld Valkenburg geen bouwwerken of structuren bevinden die zowel specifiek als zeldzaam voor vliegvelden zijn en die aanleiding geven om tot rijksbescherming over te gaan.

Verweerder heeft de Raad in deze gevolgd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de Raad voor de Cultuur ten onrechte voor vliegveld Deelen heeft gekozen nu naar het oordeel van rechtbank de Raad met de (hiervoor weergegeven) overwegingen die keuze deugdelijk heeft gemotiveerd.

Grief 6.

Eisers hebben wellicht in zoverre gelijk dat het schoonheidscriterium op de voorgrond heeft gestaan. In de motivering is immers sprake van complexmatige gaafheid en de architectonische waarde van de individuele gebouwen. De vraag is echter of het benadrukken van het schoonheidscriterium de motivering van het besluit ondeugdelijk maakt. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Immers de eerste aanwijzingsvoorwaarde in de beleidsregels spreekt van “kenmerkend monument van de Nederlandse architectuur”. Dit betekent dat verweerder bij zijn beschrijving van het object en de waardering daarvan terecht is uitgegaan van de criteria schoonheid en architectonische waarde.

De grief dient te worden verworpen.

Grief 7.

Verweerder heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een unieke samenhang tussen een operationeel vliegveld en de Atlantikwall. Hij heeft daartoe onder meer en zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

Er is geen aantoonbare basis te vinden in de stukken voor de stelling dat er bij de bezetter ooit de bedoeling bestond defensief een samenhang te vormen tussen het vliegkamp en de Atlantikwall. Het verlaten in 1942 van het vliegkamp door de bezetter lag in lijn met zijn beleid in dat stadium van de oorlog de overblijvende Luftwaffe eenheden dieper in het land te concentreren. Als het in de bedoeling had gelegen om het vliegveld operationeel te houden dan zou dit moeten blijken uit specifieke resten van beschermende constructies voor jachttoestellen en het vliegveld zelf en van funderingen van afweergeschut. Daarvan is niet gebleken.

Het genootschap heeft ter staving van haar grief nadere stukken en een aanvullend beroepschrift ingediend. Het verwijst naar de bijlagen 2 en 5 van het onderzoeksrapport Marine Vliegkamp Valkenburg van de Ingenieursassociatie Van den Bos en De Jongh en speciaal naar de bijlage 2 waar onder punt 3 de verwevenheid van het vliegveld met de Atlantikwall wordt beschreven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft terecht op basis van de voorhanden stukken geoordeeld dat er geen sprake is van een unieke samenhang tussen het vliegkamp en de Atlantikwall. Met het onderzoeksrapport dat dateert van juli 2002 en dus ruim na het primaire besluit en het besluit op bezwaar heeft verweerder derhalve geen rekening kunnen houden. De grief dient dan ook verworpen te worden.

Met verweerder geeft de rechtbank het genootschap in overweging om een nieuw verzoek om rijksbescherming van het vliegkamp in te dienen.

Grief 8.

Deze grief dient te worden verworpen te worden. Wat er ook zij van deze grief, duidelijk is dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het betreffende project en de andere vliegvelden niet zelf heeft beoordeeld. Immers de beoordeling in de vorm van de quick-scan is in opdracht van die dienst verricht door Karel Loeff, architectuurhistoricus.

Grief 9.

Deze grief dient verworpen te worden. Het genootschap had rechtsmiddelen aan kunnen wenden om verweerder te bewegen tot het tijdig beslissen op zijn verzoek en op het bezwaar.

Gelet op het vorenstaande dient te worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het vliegkamp niet een zodanig nationaal belang vertegenwoordigt dat rijksbescherming op zijn plaats is en dat verweerders besluit tot handhaving van het besluit om het vliegkamp niet aan te wijzen als beschermd monument de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep van het genootschap dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Beslist is zoals in rubriek III is weergegeven.

III. BESLISSING.

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep van de NFLA niet ontvankelijk;

verklaart het beroep van het genootschap ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.J.C. Huijbers (voorzitter), mr. J.J.A. Kooijman en mr. M.J.H.T. Peters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.C. Nijs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2003.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 27 februari 2003

RV

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

.