Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AF6099

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
02 / 915 WW44 K1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft zich tot verweerder gewend met een aanvraag om een bouwvergunning voor de oprichting van een reclamemast ten behoeve van een vestiging van Kentucky Fried Chicken (KFC) op haar perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 02/915 WW44 K1

Inzake : Hypermarkt Holland BV, gevestigd te Geldrop, eiseres,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 16 juli 2002,

kenmerk: COBMJ.

Datum van behandeling ter zitting: 26 februari 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 maart 2002 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

De door verweerster ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 26 februari 2003, waar namens eiseres mevrouw mr. Schipperus is verschenen. Namens verweerder is de heer J.M.G. Vincken verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Eiseres heeft zich tot verweerder gewend met een aanvraag om een bouwvergunning voor de oprichting van een reclamemast ten behoeve van een vestiging van Kentucky Fried Chicken (KFC) op haar perceel op de woonboulevard aan de Nijmeegseweg 2 te Venlo.

Bij besluit van 20 maart 2002 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de reclamemast voldoet aan het bestemmingsplan, maar dat is besloten de aanvraag af te wijzen wegens strijd met het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, nu de Commissie Stadskwaliteit (verder te noemen de welstandscommissie) negatief heeft geadviseerd omtrent de bouw van de mast.

Tegen dit besluit is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend. Daarbij is een tegenadvies overgelegd.

2. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij overwogen dat de welstandsadviezen er op neerkomen dat de reclamemast in relatie tot de bestaande bebouwing niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

Onder verwijzing naar de heersende jurisprudentie heeft verweerder het standpunt ingenomen dat in het bestemmingsplan geen voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van de exacte plaatsing van de mast op het perceel. Er bestaan derhalve verschillende mogelijkheden om de reclamemast te realiseren. Een verwezenlijking van de door het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden wordt naar de mening van verweerder door het volgen van het welstandsadvies op zichzelf niet belemmerd. Er bestaat volgens verweerder dan ook geen grond voor het oordeel dat de in het bestemmingsplan opengelaten mogelijkheid van de plaatsing van de reclamemast op de door eiseres voorgestane wijze moet worden gerespecteerd en bij de welstandstoets als een dwingend gegeven dient te gelden. Verweerder is voorts van mening dat het welstandsadvies wordt bevestigd door het namens eiseres overgelegde tegenadvies.

In verweer is aangevoerd dat de door eiseres beoogde locatie van de reclamemast deel uitmaakt van een veel groter, eiseres in eigendom toebehorend perceel en het is volgens verweerder voor eiseres dan ook heel wel mogelijk om de mast op een andere plek te situeren.

3. Namens eiseres is -samengevat- het standpunt ingenomen dat uit het welstandsadvies kan worden opgemaakt dat op het grondgebied waarover eiseres beschikt vanuit welstandsoogpunt in het geheel geen reclamemast toelaatbaar is. Onder verwijzing naar de heersende jurisprudentie dient volgens eiseres gekeken te worden naar de keuzemogelijkheden binnen het bestemmingsvlak en binnen de eigendomsgrenzen van degene die een bouwaanvraag indient. Naar de mening van eiseres blijkt uit het tegenadvies dat de welstandscommissie zich had moeten realiseren dat zij aanpassingen aan de mast had kunnen voorstellen waarbij binnen de eigendomsgrenzen een nadere locatiebepaling aan de orde had kunnen komen.

Voorts is aangevoerd dat de bezwaren van de welstandscommissie zich in wezen richten tegen de bundeling reclame-uitingen binnen een bepaald gebied, hetgeen in het bestemmingsplan toelaatbaar is geoordeeld en derhalve buiten de beoordelingskaders van de welstandscommissie omgaat.

Eiseres is dan ook van mening dat de welstandscommissie de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden terwijl verweerder door het oordeel van de welstandscommissie over te nemen heeft gehandeld in strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4. In dit geschil dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het thans bestreden besluit de rechterlijk toets kan doorstaan.

Daartoe overweegt zij als volgt.

4.1. In artikel 12, eerste lid, van de Woningwet is ? voor zover hier van belang ? bepaald dat het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand.

Artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet schrijft voor dat de bouwvergunning moet worden geweigerd, indien het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan het hiervoor genoemd artikel 12, eerste lid, van de Woningwet.

Artikel 9.1, eerste lid, van de Bouwverordening bepaalt dat bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in

artikel 12 van de Woningwet acht wordt geslagen op de volgende aspecten:

a. de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context;

b. massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling;

c. samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen daarvan.

4.2. Vast staat en niet in geschil is dat de plaatsing van de reclamemast op die specifieke plek niet in strijd is met het bestemmingsplan Woonthemacentrum Venlo.

De rechtbank overweegt dat de welstandscommissie op 3 december 2001, op

16 januari 2002 en op 29 januari 2002 negatief heeft geadviseerd over het bouwplan. De adviezen zijn door verweerder overgenomen.

Samengevat komen de adviezen erop neer dat de welstandscommissie zich niet kan verenigen met de overdaad aan reclame-uitingen en dat de mast in verband met de omgeving, de andere gebouwen, in strijd wordt geacht met de redelijke eisen van welstand.

Hoewel verweerder niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem rust, mag hij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie.

Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet -of niet zonder meer- aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Ten aanzien van dit laatste overweegt de rechtbank dat blijkens de heersende jurisprudentie de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om de bouw te realiseren, zijn burgemeester en wethouders, met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan, vrijer in hun welstandsbeoordeling en zal deze minder snel geacht worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is, met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven, vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven en wordt in dat geval de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

4.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat eiseres eigenaar is van een perceel grond met bebouwing dat een zeer groot deel van het gebied, waarop het onderhavige bestemmingsplan van toepassing is, bestrijkt. Slechts twee percelen zijn niet in eigendom van eiseres. De gemachtigde van verweerder heeft voorts benadrukt dat de reclamemast geplaatst kan worden op het in eigendom zijnde perceel van eiseres.

Een en ander is bevestigd door de gemachtigde van eiseres. Daarbij heeft zij echter benadrukt dat het niet gaat om de plaatsing van de mast op het perceel dat in eigendom is van eiseres, maar om de plaatsing van de mast op dat deel van het perceel van eiseres dat gehuurd wordt door KFC en dat slechts een relatief klein deel uitmaakt van het in eigendom zijnde totale perceel. De gemachtigde van verweerder heeft daaromtrent opgemerkt dat ter zitting van de zijde van eiseres een gewijzigd standpunt wordt ingenomen, nu steeds sprake is geweest van het totale in eigendom zijnde perceel. De rechtbank kan verweerders gemachtigde hier niet in volgen nu met name uit het verslag van de hoorzitting, waar verweerders gemachtigde aanwezig was, blijkt dat voor de betrokkenen duidelijk was dat het ging om plaatsing van de mast op het door KFC gehuurde perceel.

4.4. De rechtbank overweegt dat uit het bestemmingsplan en de daarbij behorende voorschriften blijkt dat verweerder heeft beoogd de plaatsing van twee masten binnen het bestemmingsplan mogelijk te maken, waarvan één plaatsing inmiddels is gerealiseerd. Voorts blijkt hieruit dat met het plan niet is beoogd een precieze aanduiding te geven voor de plaatsing van de reclamemasten. Volgens het bestemmingsplan bestaan er dus verschillende mogelijkheden om de in geding zijnde mast te realiseren.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het welstandsadvies niet een verwezenlijking van de door het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden belemmert. Dit zou slechts anders zijn als het welstandsadvies de plaatsing van de mast op het perceel dat eiseres in eigendom heeft onmogelijk zou maken. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake; het welstandsadvies staat niet in de weg aan een nadere locatiebepaling binnen de eigendomsgrenzen van het perceel van eiseres. Dat het welstandadvies verhindert dat de mast gebouwd kan worden op het door eiseres aan KFC verhuurde perceel doet hier niet aan af. KFC heeft immers enkel een contractuele, privaatrechtelijke, relatie met eiseres en daardoor in deze procedure slechts een afgeleid belang.

Er bestaat derhalve geen grond voor het standpunt van eiseres dat de mogelijkheid van plaatsing van de mast op het aan KFC verhuurde perceel moet worden gerespecteerd en bij de welstandstoets als een dwingend gegeven dient te worden beschouwd.

Nu niet gebleken is dat het welstandadvies anderszins naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, heeft verweerder het advies aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het thans bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Mitsdien wordt beslist als onderstaand.

III. BESLISSING

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. F.J.C. Huijbers, L.A. Gruiters en M.J.H.T. Peters (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. I.H.M. Hest als griffier en -wegens verhindering van de voorzitter- in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2003 door

mr. F.J.C. Huijbers in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 maart 2003

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.