Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AF4889

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-02-2003
Datum publicatie
24-02-2003
Zaaknummer
04/050604-02
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2003:AL1510
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/050604-02

uitspraak d.d. : 24 februari 2003

Tegenspraak.

VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te : [woonplaats], thans gedetineerd in [detentieadres]

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2003.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 12 juli 2002 in de gemeente Roermond opzettelijk brand heeft gesticht in de (tussen)woning [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in de berging van die woning (een) kledingstuk(ken) in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) kledingstuk(ken), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning in brand is geraakt, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor de zich in die woning [adres] bevindende personen alsmede voor een of meer zich in de belendende woningen bevindende perso(o)n(en), te duchten was en het feit de dood van [namen van 6 slachtoffers] ten gevolge heeft gehad en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning [adres] en voor de belendende woningen te duchten was.

(artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 . De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 juli 2002 in de gemeente Roermond

opzettelijk brand heeft gesticht in de (tussen)woning [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in de berging van die woning een kledingstuk in brand gestoken, ten gevolge waarvan die woning in brand is geraakt, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor de zich in die woning [adres] bevindende personen alsmede voor een of meer zich in de belendende woningen bevindende perso(o)n(en), te duchten was en het feit de dood van [namen van 6 slachtoffers] ten gevolge heeft gehad en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning [adres] en voor de belendende woningen te duchten was.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 157 sub 1, 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf en maatregel behoren te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op11 februari 2003 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de maatregel ter beschikkingstelling gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege.

De verdachte heeft ten aanzien van de gevorderde maatregel aangevoerd dat hij, hoewel hij erkent problemen te hebben met het tonen van emoties en overmatig drankgebruik, zich verzet tegen een behandeling in de vorm van ter beschikkingstelling met dwangverpleging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde gevangenisstraf aangevoerd dat deze dient te worden gematigd tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren rekening houdend met de financiële, relationele en pedagogische problemen in het gezin die hebben bijgedragen aan het fatale gebeuren.

Gezien de in het rapport van het Pieter Baan Centrum beschreven problematiek en de kans op recidive refereert de raadsvrouw zich ten aanzien van de gevorderde TBS-maatregel aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft bij haar beslissing rekening gehouden met navolgende.

Door toedoen van de verdachte hebben 6 kinderen op een verschrikkelijke wijze het leven verloren, kinderen die nog hun hele leven voor zich hadden en die er recht op hadden en er ook vanuit mochten gaan dat zij veilig zouden kunnen opgroeien in de liefde en zorg van hun ouders. Een moeder moet 6 van haar 7 kinderen missen, een kind haar 6 broertjes en zusjes. Hun leven is hierdoor voorgoed beschadigd en getekend en deze last zullen zij voor altijd in pijn en verdriet met zich mee moeten dragen. Ook de samenleving is door het gebeurde ernstig geschokt, niet alleen bij de familie en direct bij het gezin betrokkenen, maar ook in heel Roermond en ver daarbuiten is men diep ontdaan door deze tragedie.

De verdachte is voor de brandstichting en het omkomen van de 6 kinderen verantwoordelijk en kan deze verantwoordelijkheid niet, ook niet voor een deel, doorschuiven naar hulpverleningsinstanties.

Uit de verklaringen van de verdachte valt af te leiden, dat hij bij het in brand steken van de jas zich ervan bewust geweest is dat er een brand kon ontstaan, en dat hij zich dat ook gerealiseerd heeft toen hij na het in brand steken van de jas nog even voor de woning heeft gewacht om een sigaret aan te steken alvorens weg te gaan. De verdachte, en alleen hij, had toen nog de mogelijkheid om het vuur te doven dan wel de brandende of smeulende jas uit de berging te verwijderen. Dit heeft hij niet gedaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust het risico genomen, dat zich een brand zou ontwikkelen en dat zijn partner en zijn kinderen en tevens omwonenden in gevaar zouden komen. Toen hij even later ter plaatse terugkwam en zag dat het in de berging brandde, is de verdachte in een telefooncel de brandweer gaan bellen en is hij vervolgens naar een kennis gereden. Hij heeft nagelaten om zijn kinderen en zijn partner te waarschuwen en te proberen hen uit de woning te krijgen.

De rechtbank verwijst naar de psychiatrische en psychologische rapportage van het Pieter Baan Centrum en maakt de conclusies van deze rapportage tot de hare.

De verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis als gevolg van een gestoorde ontwikkeling van zijn gevoelsleven en een gestoorde agresssieregulatie, in welk kader ook zijn forse alcoholgebruik kan worden geplaatst. Er was bij hem ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dat het feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De kans dat de verdachte in de toekomst tot dezelfde of soortgelijke feiten zal komen, wordt aanzienlijk geacht, zeker in het licht van het voornemen van de verdachte om zijn relatie met zijn partner voort te zetten. Dit gevaar strekt zich overigens niet alleen uit tot zijn partner en kind, maar ook tot derden door wie hij zich miskend of gekrenkt zou kunnen voelen.

Om dit gevaar af te wenden is behandeling van de verdachte noodzakelijk. Door het gebrek aan inzicht van de verdachte in zijn problematiek en het gemis aan interne motivatie tot behandeling, moet deze behandeling een gedwongen karakter hebben. De veiligheid van anderen dan de verdachte en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Aan de verdachte dient tevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd, zulks gelet op de ernst van het feit en de afschuwelijke en onherstelbare gevolgen ervan. De wet stelt op de onderhavige feiten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke van maximaal 20 jaar.

Bij de hoogte van de gevangenisstraf die aan deze verdachte moet worden opgelegd, wordt rekening gehouden met de verminderde mate waarin een en ander aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast wordt ook in aanmerking genomen, dat ook de verdachte 6 van zijn 7 kinderen heeft verloren en dat hij zal moeten leven met de wetenschap daarvoor verantwoordelijk te zijn.

Aan het belang van de behandeling van de verdachte wordt recht gedaan doordat er in beginsel in is voorzien dat de uitvoering van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging aanvangt na tenuitvoerlegging van 1/3 deel van een op te leggen gevangenisstraf.

Dit alles brengt rechtbank tot de slotsom dat aan de verdachte, naast de TBS-maatregel zoals hierboven aangeduid, een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar zal worden opgelegd.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 37a, 37b, 57, 157.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Vonnis gewezen door mrs. W.P.C.M. Bruinsma, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en O.M. de Lange, van wie mr. W.P.C.M. Bruinsma voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 februari 2003.