Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AF4831

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
21-02-2003
Zaaknummer
04/069176-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/069176-01

uitspraak d.d. : 30 januari 2003

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de economische politierechter in het arrondissement te Roermond, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [woonplaats]

plaats : [adres]

1. Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2003.

2. De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2001 in de gemeente Roerdalen, al dan niet opzettelijk, twee Indigovinken (Passerina cyanea), in elk geval een of meer Indigovink(en), zijnde (een) beschermde vogel(s) als bedoeld in artikel 2 van de Vogelwet 1936, onder zich heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of ten verkoop voorhanden of voorradig heeft gehad;

Artikel 7 Vogelwet 1936

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de politierechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2001 in de gemeente Roerdalen opzettelijk twee Indigovinken (Passerina cyanea), zijnde beschermde vogels als bedoeld in artikel 2 van de Vogelwet 1936, onder zich heeft gehad en te koop heeft aangeboden en ten verkoop voorhanden of voorradig heeft gehad;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs.

De overtuiging van de politierechter dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 7 van de Vogelwet 1936, opzettelijk begaan.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9.1 Bijzondere overwegingen.

Ten tijde van het bewezenverklaarde, 14 juni 2001, was de Vogelwet 1936 van toepassing. De Vogelwet 1936 is per 1 april 2002 vervallen met het inwerking treden van de Flora- en faunawet.

Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast, aldus artikel 1, lid 2, van het Wetboek van strafrecht.

De Flora- en faunawet verbiedt in artikel 9 het doden, verwonden, vangen, bemachtigen of met het oog daarop opsporen van een beschermde inheemse diersoort. Artikel 13 van de Flora- en faunawet verbiedt onder andere het ten verkoop voorhanden of in voorraad hebben, het verkopen of ten verkoop aanbieden van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort. Als beschermde inheemse diersoort wordt ingevolge artikel 4, lid 1 en onder b van de Flora- en faunawet aangemerkt: "alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten".

De "Regeling vaststelling beschermde inheemse diersoorten", nader uitgewerkt in de "Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten" wijst in Bijlage 2 als beschermde inheemse diersoort onder meer aan de Passerina cyanea: indigogors of -vink.

De wet op de economische delicten wijst een overtreding van het voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 9 van de Flora en faunawet, in artikel 1a, en onder ten 2e aan als een economisch delict. Een overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 13 van de Flora- en faunawet wordt in artikel 1a onder ten 1e van de Wet op de economische delicten als een economisch delict aangemerkt. Artikel 2, lid 1 van de Wet op de economische delicten bepaalt dat dergelijke overtredingen misdrijven zijn, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.

De Vogelwet 1936 verbiedt in artikel 7: "beschermde vogels, vogels als bedoeld in artikel 2 of produkten van die vogels onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen".

Deze wet verstaat onder beschermde vogels, aldus in artikel 1 onder ten 2e, "alle vogels, welke behoren tot een der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde vogels".

De overtreding van dit voorschrift wordt ingevolge de artikelen 2, lid 1 en 1a, lid en onder ten 2e van Wet op de economische delicten (evenals in de Flora- en faunawet) als een misdrijf bij opzet, dan wel als een overtreding, aangemerkt.

De Vogelwet 1936 ziet op de naleving in Nederland van de Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 2 april 1979, zoals nadien gewijzigd). Deze Vogelrichtlijn ziet ingevolge artikel 1, lid 1 op "alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europees grondgebied van de lid-staten". In een ter nadere invulling van de Vogelrichtlijn nadien opgestelde lijst van soorten, welke steeds geactualiseerd wordt, worden de in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied der Lid-staten benoemd. De vogelsoort "Passerina cyanea" staat op deze lijst, met de toevoeging "A", hetgeen aanduidt dat het gaat om een zogeheten "accidental visitor" oftewel "dwaalgast" wat neerkomt op "< one observation on average per year".

Zijdens verdachte is -met verwijzing naar een uitspraak van de meervoudige economische kamer van de rechtbank te Breda d.d. 4 december 1997- betoogd dat de indigovink, als zijnde een dwaalgast, niet kan worden aangemerkt als een vogel behorende tot een der in Europa in het wild levende soorten, als bedoeld in artikel 1 onder ten 2e van de Vogelwet 1936, noch als een natuurlijk in het wild levende vogelsoort op het Europees grondgebied van de lid-staten als bedoeld in de Vogelrichtlijn.

De economische politierechter verwerpt dit verweer. Daartoe overweegt de economische politierechter dat zij - anders dan de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Breda in haar uitspraak van 4 december 1997- van oordeel is dat '"dwaalgasten" als de indigovink wél tot de in Europa in het wild levende soorten gerekend dienen te worden nu deze vogelsoort blijkend de hiervoor genoemde lijst bij de Vogelrichtlijn (opgesteld door deskundigen) onmiskenbaar voorkomt in Europa. De Vogelwet 1936 biedt immers geen aanknopingspunten voor de opvatting van het uitsluiten van een in het wild levende vogelsoort in Europa voor de bescherming ingevolge de Vogelrichtlijn als de soort niet omvangrijk en gering in frequentie in Europa voorkomt. De politierechter sluit voor haar overwegingen hierbij aan bij het standpunt van het Europese Comité, verwoord en aangehaald in de uitspraak van de bestuursrechter in de rechtbank te Roermond d.d. 2 februari 2000, waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, namelijk:

"Accidental visitors are birds that occur naturally, i.e. without human intervention, though infrequently within de European territory of the Member States. The proposed revised "list of bird species for purpose of article 1 of the birds directive" shows that there is a considerable number of bird species that occur naturally in Europe as accidental visitors. That means that their presence -though infrequent as regards the individual species- is a regular feature.

The legal Service is of the opinion that these accidental visitors should be considered as covered by article 1. First, because their occurrence in Europe is "natural" and thus forms part of the European habitats and ecosystems. Second, this interpretation is in line with the dynamic approach which is reflected in de directive (and underlies also the relevant international treaties). The natural environment consist of systems constantly evolving and adapting to changes. A species that is currently accidental may extend its presence in the future, a change which may be brought about, for example, by changes in the climate."

Dit oordeel ziet de economische politierechter bevestigd in de Flora- en faunawet. Deze wet, waarbij de indigovink expliciet als beschermde inheemse diersoort is aangemerkt, vervangt de Vogelwet 1936.

Alsdan is het feit strafbaar onder zowel de Flora- en faunawet als onder de Vogelwet 1936. Van een voor verdachte gunstiger regime ter zake is geen sprake. Derhalve is ten aanzien van verdachte het regime van toepassing zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, en is het bewezenverklaarde gekwalificeerd als een overtreding van artikel 7 van de Vogelwet 1936.

10. De strafbaarheid van verdachte.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de politierechter van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 januari 2003 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete ad € 225,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 dagen.

De politierechter heeft bij de strafoplegging enerzijds rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat op verdachte als handelaar in vogels een bijzondere zorgplicht rust na te gaan of de handel in de betreffende vogelsoort is toegestaan;

en anderzijds met:

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister nog niet eerder ter zake is veroordeeld;

- de omstandigheid dat de betreffende vogels in Duitsland kennelijk zonder merkbare belemmeringen in de reguliere handel verkrijgbaar zijn en het kennelijk nog onvoldoende bij de handel bekend is dat dwaalgasten als beschermde vogels worden aangemerkt;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

11.3 Verbeurdverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de 2 Indogovinken, dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met betrekking tot die voorwerpen het feit is begaan.

12. Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a, 91

Wet op de economische delicten art. 1a (oud), 2, 6

Vogelwet 1936 art. 7

Richtlijn 79/409/EEG art. 1, 6

BESLISSING

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een geldboete van € 225,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 dagen;

bepaalt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart het inbeslaggenomene, te weten 2 Indigovinken (Passerina cyanea), verbeurd.

Vonnis gewezen door de politierechter mr. C.M.W. Nobis , in tegenwoordigheid van L.H.E.J. Heuts als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechter voornoemd op 30 januari 2003.