Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2003:AF3613

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
48334 / HA ZA 02-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 15 januari 2003

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eisers:

[eiser sub 1],

[eiser sub 2],

Beide wonende te [woonplaats], [adres],

procureur mr. G.M.H. Thijssen;

tegen:

gedaagde:

De publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Venray,

zetelende en gevestigd te 5801 MB Venray, Raadhuisstraat 1,

procureur mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

Partijen worden aangeduid als:

eisers: [eisers];

gedaagde: de Gemeente.

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 27 december 2001;

- de conclusie van eis met bijlagen;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.1 In 1992 hebben [eisers] zich gewend tot de Gemeente met de vraag of in het buitengebied van de gemeente op een afstand van maximaal 4 kilometer van het ziekenhuis te Venray de bouw van een woning annex schapenhouderij op een perceel van ongeveer 1,5 ha mogelijk is.

2.2 Bij brief d.d. 10 mei 1996, met als onderwerp "lokatie woning met hobbyuitoefening" lieten Burgemeester en Wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) weten:

"Op de kaart die U hebt ontvangen zijn de lokaties aangegeven waar Uw initiatief ontwikkeld kan worden, een en ander onder voorbehoud van bestuurlijke goedkeuring en de resultaten van de planologische procedure voor de wijziging van het bestemmingsplan."

2.3 Bij brief d.d. 31 oktober 1997, met als onderwerp "principe-aanvraag woning met kleinschalige schapenhouderij" berichtten B&W aan [eisers]:

"In onze brief van 10 mei 1996 hebben wij een zoekgebied aangegeven voor een dergelijk initiatief. De huidige lokatie ligt in dat zoekgebied en past daarmee in het beleid van de gemeente.

Omdat het hier gaat om een zoekgebied met de bestemming 'hoog landschappelijke waarden' hebben we als gemeente besloten, voordat we als gemeente een definitief standpunt in zouden nemen, uw principe-verzoek informeel voor te leggen aan de provincie.

(…)

Na overleg met de provincie kan deze onder enig voorbehoud met ons standpunt instemmen.

Wij gaan daarom in principe akkoord met bouw van een woning annex schuur op de door U aangegeven lokatie, onder voorbehoud van bestuurlijke goedkeuring en de resultaten van de planologische procedures."

2.4 In juni 1998 kochten [eisers] in de lokatie een perceel cultuurgrond nabij de [adres] te [woonplaats] als bouwgrond en gaven zij een architect opdracht een schetsontwerp te vervaardigen voor een stalling met woning. Dit ontwerp werd bij brief d.d. 1 oktober 1998 door de architect bij de Gemeente ingediend met het oog op de welstandstoetsing.

2.5 Bij brief d.d. 7 oktober 1998 bevestigde de Gemeente de ontvangst van de welstandsaanvraag en deelde mede:

"Uw schetsplan zal eerst in hoofdlijnen getoetst worden aan het bestemmingsplan en/of welke procedures eventueel gevolgd dienen te worden om tot realisatie van uw bouwplan te kunnen komen."

2.6 Op 23 juni 1999 vond er tussen ambtenaren van de Gemeente en [eisers] een vergadering plaats, waarvan een verslag is opgemaakt. In het verslag staat:

"Voortschrijdend inzicht bij de provincie en (…) de Gemeente leert dat een besluit op dit verzoek naar alle waarschijnlijkheid negatief zal uitvallen wanneer de nu gehanteerde kernrandzones niet zijn ingebed in het bestemmingsplan buitengebied. Van de kant van de Gemeente wordt daarom voorgesteld het principeverzoek mee te laten lopen in het bestemmingsplan buitengebied en daar de afweging over inpassing te maken".

2.7 Op 22 september 1999 heeft vervolgens een tweede vergadering plaatsgehad.

2.8 Bij besluit van 22 januari 2002 hebben B&W besloten tot het voeren van verweer in de procedure.

3. Vordering en stellingen van [eisers]

[eisers] vorderen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de Gemeente jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

[eisers] stellen daartoe het volgende.

De Gemeente heeft onrechtmatig gehandeld door geheel onnodig het verzoek van [eisers] niet, althans niet tijdig, in feitelijke behandeling te nemen en die behandeling ten einde te voeren, althans door het bij hen opgewekt vertrouwen, dat hun verzoek zou leiden tot het realiseren van het bouwplan te negeren, althans door afhandeling zolang te traineren dat bestaande mogelijkheden aan planologische procedures werden en worden beperkt of dreigen te worden beperkt door gewijzigd politiek en/of bestuurlijk inzicht.

4. Verweer van de Gemeente

De Gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

Voor de stellingen en onderbouwing daarvan wordt verwezen naar de stukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 [eisers] beroepen zich op een jegens hen door de Gemeente gepleegde onrechtmatige daad.

5.2 [eisers] stellen de volgende onderdelen als onrechtmatige daad:

- Het niet, althans niet tijdig in feitelijke behandeling nemen van het verzoek;

- de voorafgaand aan de indiening gedane toezeggingen;

- het traineren van de afhandeling zodat planologische procedures werden beperkt.

5.3 De rechtbank stelt vast dat de gestelde onrechtmatige daad in beginsel uiteen valt in twee aspecten, te weten het tijdsverloop bij de beslissing en de gedane toezeggingen. Deze twee aspecten zal de rechtbank afzonderlijk behandelen.

Het tijdsverloop

5.4 Waar door [eisers] wordt gesteld dat de Gemeente de afhandeling van het verzoek heeft getraineerd danwel het verzoek niet of niet tijdig in behandeling heeft genomen stelt de rechtbank voorop dat de wet een burger in een geval als het onderhavige expliciete mogelijkheden biedt om besluitvaardigheid van de overheid waar nodig te beïnvloeden.

Zo kent de Woningwet strikte termijnen waaraan een gemeente zich bij het beslissen op een aanvraag bouwvergunning dient te houden. Indien een gemeente deze termijnen laat verstrijken is er van wetswege sprake van een verleende vergunning. Daarnaast biedt de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid om bij het overheidsorgaan en de bestuursrechter op te komen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

5.5 Uit de overgelegde stukken alsmede gelet op de stellingen van partijen staat vast dat [eisers] geen van de hiervoor geschetste mogelijkheden hebben aangewend om een beslissing van de Gemeente danwel de bestuursrechter uit te lokken. Evenmin is gesteld of gebleken dat [eisers] anderszins stappen hebben ondernomen om het proces bij de Gemeente te versnellen.

5.6 In een dergelijke situatie kan er met betrekking tot het tijdsverloop niet licht sprake zijn van een onrechtmatige daad. Bijkomende omstandigheden die dit anders doen zijn, zijn door [eisers] niet althans onvoldoende gemotiveerd gesteld.

De rechtbank zal de vordering, voor zover op tijdsverloop gebaseerd, derhalve afwijzen.

De gedane toezeggingen

5.7 [eisers] stellen -onder verwijzing naar de tussen partijen gevoerde en in geding gebrachte correspondentie- uit de uitlatingen van de Gemeente afgeleid te mogen hebben dat er ten aanzien van de door hun voorgestelde bouw geen problemen waren te verwachten. Dit wordt betwist door de Gemeente met een verwijzing naar de in de correspondentie opgenomen voorbehouden.

5.8 De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde correspondentie tussen partijen inderdaad volgt dat zijdens de Gemeente telkens voorbehouden werden gemaakt aangaande bestuurlijke goedkeuring en de resultaten van de planologische procedure voor de wijziging van het bestemmingsplan. Uit deze correspondentie valt derhalve geen onvoorwaardelijke toezegging af te leiden waaraan de Gemeente gebonden zou zijn en waarvan niet-naleving een onrechtmatige daad zou kunnen opleveren.

5.9 De rechtbank zal de vordering derhalve ook voor zover zij op de pretense toezeggingen is gebaseerd afwijzen.

Samenvattend

5.10 Uit al het voorgaande volgt dat er geen sprake is van een door de Gemeente jegens [eisers] gepleegde onrechtmatige daad. De rechtbank zal de vorderingen derhalve afwijzen.

5.11 [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

wijst de vorderingen af.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van de Gemeente, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 193,-- aan griffierechten,

€ 780,-- aan salaris ten behoeve van de procureur;

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en op de openbare civiele terechtzitting van 15 januari 2003 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: ap