Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AF2140

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
50844 / HA ZA 02 - 436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 71
PW 2003, 21575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 19 december 2002

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eisers:

1. [eiser],

wonende te [woonplaats], [adres],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur mr. M.J.A.M. Muijres;

tegen:

gedaagden:

1. De besloten vennootschap NOTARISKANTOOR [gedaagde],

gevestigd te [woonplaats], [adres],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

Partijen worden aangeduid als:

eisers: [eisers];

gedaagden: [gedaagde].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 18 juni 2002 en 19 juni 2002;

- de conclusie van eis met bijlagen / akte inbreng bijlagen;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- het vonnis van deze rechtbank van 19 september 2002;

- het proces-verbaal van comparitie van 24 oktober 2002;

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

[eisers] zijn, samen met hun twee zusters en een broer, op 5 december 1985 eigenaar geworden door koop van de woning, gelegen te [woonplaats], gemeente Venlo aan de [adres].

Dit betrof de voormalige ouderlijke woning. Ten behoeve van de vader en moeder van [eisers] is bij de overdracht een zakelijk recht van gebruik en bewoning op de woning gevestigd.

De moeder van [eisers] is op 22 januari 1922 overleden. In 2000 heeft de vader van [eisers] zijn intrek in een verzorgingshuis genomen en daarmee het feitelijk gebruik van het recht van gebruik en bewoning gestaakt. De woning is op 25 april 2001 verkocht en de akte van levering is op 4 juli 2001 gepasseerd voor [gedaagde].

Bij de afrekening heeft [gedaagde] een evenredig deel van de verkoopopbrengst aan [eisers] doen toekomen, onder aftrek van een vergoeding welke aan de vader van [eisers] is uitbetaald wegens het afstand doen van zijn recht van gebruik of bewoning.

3. Vordering en stellingen van [eisers]

[eisers] vorderen primair [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 42.201,56, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten en

subsidiair tot betaling van een bedrag van € 8.440,31 aan elk van de eisers, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

[eisers] stellen daartoe het volgende.

[gedaagde] heeft, zonder [eisers] daarvan tevoren op de hoogte te stellen, op de verkoopwaarde een vergoeding voor de vader van [eisers] voor het doen van afstand van diens recht van gebruik en bewoning bij de verkoop, in mindering gebracht. In de door [gedaagde] aan [eisers] eerder toegezonden conceptnota van afrekening wordt van deze korting geen melding gemaakt, noch heeft [gedaagde] aan [eisers] op enig moment duidelijk gemaakt dat de vader van [eisers] aanspraak zou maken op deze vergoeding.

De gemeenschap is door deze handelwijze van [gedaagde] benadeeld voor een bedrag van € 42.201,56. Op grond van artikel 3:171 BW zijn [eisers] gerechtigd ten behoeve van de gemeenschap de onderhavige rechtsvordering in te stellen en dit vormt dan ook de grondslag voor de primaire vordering.

Subsidiair vorderen [eisers] het evenredig deel van de benadeling dat elk van de deelgenoten toekomt, een bedrag van € 8.440,31 elk.

4. Verweer van [gedaagde]

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

[gedaagde] voert daartoe het volgende verweer.

De vader van [eisers] heeft niet onvoorwaardelijk afstand gedaan om niet van zijn recht van gebruik en bewoning. De vader van [eisers] heeft dat wel overwogen, doch alleen indien en voor zover de kinderen [eisers] de verkoop van de woning zonder onderlinge problemen zouden doen verlopen. De opstellen van eisers bij de verkoop heeft hieraan niet voldaan, zodat vader [eisers] aanspraak gemaakt heeft op een vergoeding. Het is op zich juist dat [gedaagde] aan [eisers] niet voor het transport meegedeeld heeft dat vader [eisers] alsnog een vergoeding voor het doen van afstand van zijn recht heeft verlangd.

Subsidiair betwist [gedaagde] dat [eisers] schade hebben geleden, nu zij in elk geval, dus ook in het geval [gedaagde] hen wel vooraf had geïnformeerd over het uitoefenen van zijn rechten door vader [eisers] hun aandeel in de afkoopsom aan vader hebben dienen te betalen.

5. Beoordeling van het geschil

Het geschil tussen partijen betreft het navolgende.

5.1 [gedaagde] heeft als notaris op 4 juli 2001 de transportakte gepasseerd waarbij het huis, waar [eisers] en hun beide zusters en een andere broer gezamenlijk eigenaar van waren, is geleverd. De kinderen [eisers] hadden de woning op 5 december 1985 gekocht van hun ouders, onder gelijktijdige vestiging van het recht van gebruik en bewoning hierop ten behoeve van de ouders.

Moeder [eisers] is in 1992 overleden en vader het de feitelijke bewoning gestaakt in 2000 toen hij in een verzorgingstehuis ging wonen.

De verkoop van de woning heeft geleid tot verschil van inzicht tussen enerzijds eisers en anderzijds de overige deelgenoten. [gedaagde] heeft geprobeerd te bemiddelen maar is daarin niet geslaagd. Uiteindelijk hebben [eisers] ingestemd met de verkoop van de woning. [eisers] zijn niet bij het passeren van de akte op 4 juli 2001 aanwezig geweest. Bij brief van 28 juni 2001 heeft [gedaagde] aan [eisers] een conceptakte van levering, de nota van afrekening en de volmacht gezonden.

De nota van afrekening maakte geen melding van een aandeel ten behoeve van de vader van [eisers].

Bij brief van 23 februari 2000 heeft notaris [notaris ander kantoor], [eisers] bericht dat de vader van [eisers] graag wil dat het pand wordt verkocht en dat hij geen aanspraak maakt op enig aandeel in de opbrengst. [De notaris ander kantoor] herhaalt dit laatste in een brief van 24 mei 2000 aan [eisers].

[gedaagde] heeft erkend dat hij nimmer aan [eisers] heeft medegedeeld dat de vader van [eisers] op enig moment heeft besloten alsnog aanspraak te maken op een vergoeding voor het doen van afstand van zijn recht van gebruik en bewoning.

De raadsman van [gedaagde] heeft ter zitting, waar [gedaagde] niet is verschenen, bevestigd dat [gedaagde] geen mededeling aan [eisers] heeft gedaan.

5.2 In het onderhavige geschil zal beoordeeld moeten of worden of [gedaagde] door aan [eisers] niet mede te delen dat vader [eisers] alsnog besloten had aanspraak op een deel van de verkoopopbrengst te maken, waardoor [eisers] genoegen zouden moeten nemen met een lager aandeel.

5.3 In gevolge artikel 16 van de Wet op het notarisambt is de overeenkomst tussen notaris en cliënt een overeenkomst als bedoeld in titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Ingevolge de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad rust op een notaris ..in zijn hoedanigheid een zwaarwegende zorgplicht ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen welke zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen (HR 28 september 1990,NJ 1991,473). Deze zorgplicht vindt haar grens daar waar de notaris goede grond heeft te vertrouwen dat de betreffende belanghebbende zichzelf reeds op de hoogte had gesteld op dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen voor die gevolgen vereist was.( HR 27 maart 1992, NJ 1993,188).

Het is tegen de achtergrond hiervan dat de handelwijze van [gedaagde] als notaris beoordeeld zal dienen te worden.

5.4 Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] tekort geschoten in zijn zorgplicht.

Uit de overgelegde en hiervoor aangehaalde stukken blijkt dat [eisers] tot op de dag van het transport ervan uit mochten gaan dat vader [eisers] geen aanspraak zou willen maken op een deel van de verkoopopbrengst van de woning. Dit blijkt uit de brieven van notaris [notaris ander kantoor], maar ook uit de afrekening welke [gedaagde] zes dagen voor het transport aan [eisers] hebben gestuurd. Op dat moment was er kennelijk nog geen sprake van de mogelijkheid dat vader [eisers] voor het afstand doen van zijn recht van gebruik en bewoning alsnog een vergoeding zou willen hebben, nog daar gelaten of vader [eisers] in redelijkheid een dergelijke vergoeding zou kunnen verlangen.

Door de akte, middels volmachten van [eisers] te passeren, zonder vooraf [eisers] van deze laatste wijziging op de hoogte te stellen, is [gedaagde] ernstig tekort geschoten in de zorg die hij als notaris in acht heeft te nemen ten opzichte van de belangen van zijn cliënten.

5.5 [gedaagde] heeft subsidiair zich verweerd door te stellen dat het causale verband tussen het schenden van zijn zorgplicht en de door [eisers] gestelde schade ontbreekt. [eisers] zouden in alle gevallen aan vader [eisers] hun aandeel in de afkoopsom hebben moeten voldoen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het staat niet vast dat vader [eisers], gezien alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid een beroep op een vergoeding wegens het doen van afstand van het -feitelijk voor hem niet langer bruikbare- recht van gebruik en bewoning zou kunnen verlangen. Door de handelwijze van [gedaagde] is aan [eisers] de mogelijkheid dit eerst te onderzoeken en te bespreken met vader [eisers] en de broers en de zuster van [eisers], ontnomen.

5.6 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] zijn zorgplicht als notaris geschonden heeft en aansprakelijk is voor de schade welke [eisers] daardoor hebben geleden.

[eisers] hebben primair op grond van artikel 3:171 BW vergoeding van de totale schade welke de gemeenschap heeft geleden, gevorderd.

Nu kennelijk de broers en zuster van [eisers], blijkens hun als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde verklaring wel op de hoogte waren van het verlangen van vader [eisers] een vergoeding voor het doen van afstand van zijn recht van gebruik en bewoning en zij zich daarbij neer hebben gelegd, kan niet worden gesteld dat de gemeenschap is benadeeld voor het bedrag van de vergoeding welke aan vader [eisers] is uitbetaald.

De primaire vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair hebben [eisers] vergoeding van hun schade gevorderd. Deze vordering, komt gezien het hiervoor overwogene voor toewijzing in aanmerking.

[eisers] vorderen tevens de wettelijke rente vanaf 5 juli 2001 ( in het subsidiaire deel van de vordering staat als jaartal 2002, dit is een kennelijke verschrijving, gezien de primaire vordering), zijnde de dag na het transport.

Nu [gedaagde] tekort is geschoten in de zorgplicht welke voortvloeit uit de overeenkomst tussen partijen, dient de schuldenaar eerst in gebreke te worden gesteld. Niet gebleken of gesteld is dat [eisers] [gedaagde] in gebreke hebben gesteld, zodat de wettelijke rente eerst vanaf de dag der dagvaarding toewijsbaar is. De buitengerechtelijke incassokosten zijn tot de gevorderde hoogte toewijsbaar.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om te betalen aan

[eisers] ieder het bedrag van € 8.440,31 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2002 , tevens te vermeerderen met € 1.542,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van [eisers], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 830,00 aan griffierechten,

€ 77,56 aan explootkosten en

€ 1.542,00 aan salaris ten behoeve van de procureur;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.R. Soutendijk en op de openbare civiele terechtzitting van 19 december 2002 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: sou