Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AF1412

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-12-2002
Datum publicatie
05-12-2002
Zaaknummer
49304 / HA ZA 02 - 207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 5 december 2002

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiser:

[eiser],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. M.J.P. Hennissen;

tegen:

gedaagde:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen.

Partijen worden aangeduid als:

eiser: [eiser];

gedaagde: [gedaagde].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 12 maart 2002;

- een akte houdende produkties zijdens [eiser];

- het vonnis van deze rechtbank van 21 maart 2002;

- een nadere akte zijdens [eiser];

- de conclusie van antwoord met drie bijlagen;

- de conclusie van repliek met drie bijlagen;

- de conclusie van dupliek.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

- [eiser] is van 5 maart 1993 tot 2 oktober 2000 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest met [de echtgenote];

- dit huwelijk is ontbonden bij echtscheidingbeschikking van 13 juli 2000, ingeschreven 2 oktober 2000;

- [de echtgenote] was (mede-)eigenaar van een bedrijfspand met bovenwoning aan de [adres], kadastraal bekend als gemeente Roermond, sectie [letter] nummer [nummer] ('het pand');

- [de echtgenote] heeft het pand voor ƒ 895.000,- verkocht en op 9 juni 2000 geleverd ten overstaan van [gedaagde] aan [de koper];

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 sub a BW behoeft de echtgenoot die aldus handelt hiertoe de toestemming van de andere echtgenoot indien het de door de echtgenoten tezamen of de andere echtgenoot alleen bewoonde woning betreft;

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:89 BW kan de andere echtgenoot een zonder die toestemming verrichte rechtshandeling vernietigen;

- [eiser] heeft geen pogingen gedaan de vernietigbaarheid van de rechtshandeling strekkende tot vervreemding van het pand ex artikel 1:89 BW in te roepen, ondanks eerdere aankondigingen dat hij voornemens was dit wel te doen.

3. Vordering en stellingen van [eiser]

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 117.588,21, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2000, alsmede tot veroordeling in de proceskosten.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

Door niet te onderzoeken of [eisers] toestemming vereist was voor deze verkoop op grond van het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 sub a BW heeft [gedaagde], nu deze wist dat het pand de echtelijke woning betrof en [eiser] en [de echtgenote] waren verwikkeld in een echtscheidingsprocedure, onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. De marktwaarde van het pand was ten tijde van de verkoop door [de echtgenote] minimaal ƒ 1.150.000,-. [eiser] is hierdoor benadeeld voor een bedrag van ƒ 255.000,- (ƒ 1.150.000,- minus ƒ 895.000,-) aangezien dit bedrag niet betaald is ter aflossing van schulden van [eiser] en [de echtgenote] aan de Rabobank. Voor deze schulden waren [de echtgenote] en [eiser] hoofdelijk verbonden en voor het restant van ca. ƒ 255.000,- plus rente is [eiser] hoofdelijk aansprakelijk als borg.

4. Verweer van [gedaagde]

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

[gedaagde] voert daartoe het volgende verweer.

Primair stelt [gedaagde] dat artikel 1:88 niet van toepassing is in het onderhavige geval. Dit artikel beoogt de echtgenoot te beschermen die dreigt de echtelijke woning te moeten verlaten in geval van echtscheiding. De bescherming van artikel 1:88 BW geldt niet indien de echtgenoot niet (meer) in het pand woont. Bovendien betrof het pand een bedrijfspand. Overigens heeft [gedaagde] wel gecontroleerd of [eisers] toestemming vereist was voor het transport. Dit zou het geval zijn indien [eiser] nog in het pand zou wonen. De gebruikelijke wijze om dit vast te stellen is middels het raadplegen van een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie. Subsidiair stelt [gedaagde] dat, mocht artikel 1:88 BW wel van toepassing zijn, de door dat artikel vereiste toestemming voor verkoop door [eiser] wel alsnog is gegeven. [gedaagde] heeft hiertoe een schriftelijke verklaring van [eiser] in het geding gebracht. Meer subsidiair stelt [gedaagde], mocht blijken dat hij op enige wijze aansprakelijk is, dat de door [eiser] gestelde schadeposten onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Eigendom van het pand

[gedaagde] heeft gesteld dat [de echtgenote] enig eigenaar was van het pand. [eiser] heeft dit betwist (conclusie van repliek sub 10) en gesteld dat hij heeft meebetaald aan de aanschaf van het pand, de daarin gevestigde dansschool samen met [de echtgenote] exploiteerde en borg was ten aanzien van de Rabobank. De rechtbank acht deze stelling van [eiser] onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat hij (mede-) eigenaar was, temeer nu [gedaagde] als produktie 2 bij conclusie van antwoord een kopie van de transportakte heeft overgelegd waaruit blijkt dat [de echtgenote] eigenaar was. De rechtbank wijst erop dat het louter meebetalen aan of het investeren in een onroerende zaak onvoldoende is om daarvan de (mede-)eigendom te verkrijgen. Nu [eiser] terzake geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, zal de rechtbank deze stelling passeren en aannemen dat [de echtgenote] enig eigenaar was van het pand. Aldus kan aangenomen worden dat [de echtgenote] in goederenrechtelijke zin beschikkingsbevoegd was het pand te vervreemden.

5.2 Het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub a BW

Artikel 1:88 lid 1 sub a BW bepaalt dat de aldaar bedoelde toestemming vereist is voor "…overeenkomsten strekkende tot vervreemding […] van een door de echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning…". De rechtbank volgt [eiser] in zijn betoog dat [gedaagde] bij het verlijden van de transportakte behoorde na te gaan of de toestemming van [eiser] vereist was. [eiser] verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 1996, NJ 97,594. Bij dupliek sub 3.10 heeft [gedaagde] gesteld dat dit arrest niet ter zake doet nu de aldaar geformuleerde 'onderzoeksplicht' van de notaris ziet op de overeenkomst van borgtocht (1:88 lid 1 sub c), maar de rechtbank vermag niet in te zien waarom deze 'onderzoeksplicht' niet analoog aangenomen kan worden voor de in lid 1 sub a bedoelde overeenkomsten. Zowel het bepaalde sub a als het bepaalde sub c beoogt immers de echtgenoten, in het belang van het gezin, bescherming te bieden tegen het verrichten van rechtshandelingen door een van de echtgenoten die gezien het voorwerp van die rechtshandeling (woning) of de aard daarvan (zekerheidstelling ten aanzien van derden) benadelend kunnen zijn of een (financieel) risico meebrengen.

Vast staat derhalve dat [gedaagde] verplicht was na te gaan of [eisers] toestemming vereist was voor vervreemding van het pand. [gedaagde] heeft gesteld dat dit niet het geval was, nu [eiser] niet langer woonachtig was in het pand. [gedaagde] heeft dit niet alleen afgeleid uit de verklaring van [de echtgenote] bij het verlijden van de transportakte op 9 juni 2000 (blad 12 van die akte, produktie 2 bij conclusie van antwoord) maar bovendien ook uit het uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van 31 mei 2000, blijkens welk [eiser] was uitgeschreven uit de gemeente Roermond per 2 mei 2000.

5.2.1 Omvang onderzoeksplicht [gedaagde]

Gezien het bepaalde in artikel 1:88 dient de toestemming te worden verkregen van de andere echtgenoot voor zover deze (nog) in de woning woont. [gedaagde] heeft gesteld dat het opvragen van een uittreksel uit de GBA voorafgaand aan een transport de gebruikelijke en juiste methode is om te achterhalen of iemand op een zeker adres woont. Aan de orde is derhalve de vraag of [gedaagde] in gerechtvaardigd vertrouwen mocht afgaan op de inhoud van het uittreksel waaruit bleek van [eisers] uitschrijving en of het raadplegen van die gegevens voldoende was. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Volgens artikel 3 van de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens hebben de basisadministraties tot doel de afnemers te voorzien van de in die wet bedoelde algemene gegevens voor zover die nodig zijn voor de vervulling van de taken van die afnemers. [gedaagde] als notaris is aan te merken als een zodanige afnemer en het passeren van een transportakte als een taak van die afnemer. Blijkens dit artikel zou [gedaagde] in beginsel kunnen volstaan met het raadplegen van de GBA teneinde vast te stellen of [eiser] nog woonachtig was in het pand. [eiser] heeft evenwel aangevoerd dat [gedaagde] op de hoogte was van de omstandigheid dat [de echtgenote] en hij waren verwikkeld in een echtscheidingsprocedure, hetgeen door [gedaagde] niet is weersproken. Onder die omstandigheden zou het mogelijk zijn dat [eiser] niet langer in het pand woonde als gevolg van een voorlopige voorziening op grond waarvan hij het pand heeft moeten verlaten. In dat geval is het mogelijk dat zijn feitelijke afwezigheid onvoldoende zou zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat hij niet meer in de woning zou wonen in de zin van artikel 1:88 lid 1 (HR 28 november 1975, NJ 76,466). Nu zulks gesteld nog gebleken is is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] kon volstaan met het raadplegen van het uittreksel uit de GBA.

5.2.2 De GBA-gegevens

Over de juistheid van die gegevens en de stellingen van [eiser], a) dat de wijze waarop deze waren opgenomen het gevolg was van zijn uitschrijving bij de gemeente door [de echtgenote] en b) dat [gedaagde] zulks te weten had kunnen komen indien hij wat uitgebreider onderzoek gedaan zou hebben overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van het bepaalde in artikel 66 van de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens dient een ingezetene die zijn adres wijzigt, hiervan binnen vijf dagen na die wijziging schriftelijk aangifte te doen. [eiser] heeft de woning verlaten uit vrije wil. Een en ander leidt tot de conclusie dat [eiser] zelf verantwoordelijk was voor het in kennis stellen van de gemeente van zijn gewijzigde adres. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] een zodanige aangifte gedaan heeft.

Het door [eiser] bij repliek overgelegde formulier 'onderzoek verblijfplaats c.q. nieuw adres' is de schriftelijke weergave van het zelfstandig onderzoek dat de gemeente heeft ingesteld als gevolg van de omstandigheid dat [de echtgenote] aangifte had gedaan van [eisers] vertrek uit de woning. [eisers] uitschrijving uit de gemeente Roermond kon niet geschieden door [de echtgenote] maar was een gevolg van de omstandigheid dat de gemeente na het onderzoek niet was gebleken van een nieuwe bekende verblijfplaats van [eiser]. Aldus moet aangenomen worden dat de wijze waarop [eisers] gegevens waren opgenomen in de GBA het gevolg was van zijn eigen verzuim om de gemeente in kennis te stellen van zijn gewijzigde gegevens.

5.3 Slotsom

Het hierboven overwogene in onderlinge samenhang beschouwd leidt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de transportakte zonder zich te vergewissen van [eisers] toestemming hiertoe. [gedaagde] heeft gerechtvaardigd vertrouwd op de hetgeen was vermeld in het uittreksel van de GBA en mocht hiermee volstaan. Niet alleen heeft [gedaagde] onderzocht of de toestemming vereist was, ook heeft hij terecht geconcludeerd dat deze in de onderhavige omstandigheden niet vereist was. De rechtbank zal de vordering van [eiser] dan ook afwijzen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

wijst af de vordering van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 870,00 aan griffierechten en

€ 2.550,00 aan salaris ten behoeve van de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.M. Schrickx en op de openbare civiele terechtzitting van 5 december 2002 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: JWSC