Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AE6156

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-01-2002
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
01/752 WAO K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

2RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 01/752 WAO K1

Inzake : [werkgever] BV, wonende te [plaats], eiseres,

tegen : Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 28 mei 2001,

kenmerk: ARApbz/Edo Wg011-12744296-01-01P00417755.

Datum van behandeling ter zitting: 29 oktober 2001.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit omtrent vaststelling van de gedifferentieerde premie voor het jaar 2001 ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 29 oktober 2001, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde J. Lamberts, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer.

II. OVERWEGINGEN.

Bij besluit van 28 november 2000 heeft verweerder aan eiseres -onder meer- meegedeeld dat de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2001 voor eiseres 1,28% bedraagt. Daarbij heeft verweerder gesteld dat deze gedifferentieerde premie wordt berekend op basis van de WAO-uitkeringen die verweerder in 1999 aan (ex-)werknemers van eiseres heeft betaald. Tegen dat besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 11 december 2000.

Bij het thans bestreden besluit van 28 mei 2001 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 28 november 2000 ongegrond verklaard. Daarbij is -kort samengevat- overwogen dat eiseres vanaf 1 januari 1998 op grond van artikel 1:2, eerste lid van de Awb belanghebbende is bij besluiten ingevolge de WAO die betrekking hebben op het al dan niet bestaan, voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid. In casu is bij de berekening van de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO een uitkering betrokken welke in 1999 is uitbetaald aan een (ex)werkneemster van eiseres (mevrouw [werkneemster]). De eerste dag van arbeidsongeschiktheid van de betrokken werkneemster was 28 augustus 1998, op welke dag die werkneemster in dienstbetrekking stond tot eiseres. Met ingang van 29 augustus 1999 is aan haar een uitkering ingevolge de WAO toegekend en die uitkering is nog steeds lopende. Eiseres heeft de bezwaar- en beroepsprocedure gevolgd tegen het toekenningsbesluit van 21 september 1999, op grond waarvan verweerder stelt dat eiseres op de hoogte was van de betrokken uitkering. Verweerder is van mening dat op goede gronden de verstrekte WAO-uitkering in het jaar 1999 bij de premiedifferentiatie in aanmerking is genomen.

Voor zover de aangevoerde bezwaren betrekking hebben op de verstrekte WAO-uitkering, wijst verweerder op het bepaalde in artikel 87e van de WAO: het bezwaar van eiseres tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie kan niet zijn gegrond op de grief dat de WAO-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Met de uitspraak van 30 november 2000 heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van de WAO-uitkering aan mevrouw [werkneemster] ongegrond verklaard, zodat die toekenning in rechte vast staat. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de bezwaren van eiseres ter zake van de verstrekte WAO-uitkering over het jaar 1999 voorbij gegaan dient te worden.

In beroep wordt verweerder verweten te hebben gehandeld in strijd met de te verlangen zorgvuldigheid door onvoldoende invulling te geven aan de reïntegratieverplichting van verweerder tegenover de ex-werkneemster van eiseres mevrouw [werkneemster]. Mevrouw [werkneemster] was ten tijde van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geschikt voor passend werk en verweerder heeft verzuimd haar actief te begeleiden naar passend werk. Daarmee heeft verweerder de belangen van eiseres geschaad en worden de gevolgen van de toekenning van een uitkering ingevolge de WAO aan haar toegerekend. Nu de kennelijke toename van arbeidsongeschiktheid van mevrouw [werkneemster] is opgetreden in de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, valt de verantwoordelijkheid niet meer aan haar toe te rekenen. Bovendien heeft verweerder eiseres nooit ingelicht over de toekenning van de ziekengelduitkering en de aanvraag van een WAO-uitkering.

Eiseres voert aan dat zij niet de laatste werkgever is van mevrouw [werkneemster] nu er sprake is van, weliswaar mislukte, werkhervatting bij een andere werkgever.

Door de opstelling van verweerder is eiseres de kans op reïntegratie van mevrouw [werkneemster] ontnomen, terwijl eiseres daartoe, bij collega-bedrijven, wel mogelijkheden zag.

Verweerder wordt voorts schending van het evenredigheidsbeginsel verweten nu eiseres zich geconfronteerd wordt met de financiële gevolgen van het feit dat mevrouw [werkneemster] niet in het arbeidsproces is gereïntegreerd.

Bij verweerschrift wijst verweerder andermaal op het bepaalde in artikel 87e van de WAO en op het categorale karakter van de premiedifferentiatieregeling.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Wettelijk kader

Op 1 januari 1998 is de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Stb. 1997, 175; de Wet Pemba) in werking getreden. Doel van deze wet is onder meer de werkgever te stimuleren om ten aanzien van arbeidsongeschiktheid een adequaat preventie- en reïntegratiebeleid te voeren. Bij wijze van financiële prikkel is de door de werkgever (die geen eigen-risicodrager is) te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van de aan (voormalige) werknemers uitgekeerde WAO-uitkeringen in een bepaald jaar.

Daartoe is in artikel 76a van de WAO bepaald dat de premie die door de werkgever verschuldigd is, bestaat uit een basispremie en een gedifferentieerde premie.

In artikel 78 van de WAO is bepaald dat verweerder voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie een (algemeen) geldend rekenpercentage vaststelt en voorts voor elk jaar, voor iedere werkgever, een opslag of korting waarmee voor die werkgever het rekenpercentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd.

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 78, zesde lid, van de WAO is het Besluit premiedifferentiatie WAO, besluit van 19 juli 1997, Stb. 1997, 338, gewijzigd bij besluit van 3 juli 1998, Stb. 1998, 420 (inwerkingtreding met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998). Het Besluit premiedifferentiatie WAO geeft onder meer regels omtrent de wijze waarop de opslag of korting wordt berekend. In artikel 4 van het Besluit premiedifferentiatie WAO is bepaald op welke wijze de in artikel 78 van de WAO bedoelde opslag of korting wordt berekend. Op grond van het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit premiedifferentiatie WAO wordt een aan een (ex-)werknemer toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering bij een werkgever in aanmerking genomen indien de werknemer op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot die werkgever in dienstbetrekking staat en de werknemer ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 52 weken als bedoeld in artikel 19 van de WAO heeft doorgemaakt.

In artikel 87e van de WAO is bepaald -voor zover thans van belang- dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, bedoelde opslag of korting niet gegrond kan zijn op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Beoordeling

In de onderhavige zaak is de gedifferentieerde premie vastgesteld voor het jaar 2001, met inachtneming van uitkeringen die betaald zijn in het jaar 1999, en voor zover die uitkeringen zijn toegekend op of na 1 januari 1993 en vervolgens nog geen vijf jaar hadden gelopen.

De beslissing met betrekking tot de toekenning van de WAO-uitkering aan mevrouw [werkneemster] heeft formele rechtskracht verkregen nu tegen de ongegrondverklaring van het beroep van eiseres daartegen door de rechtbank bij uitspraak van 30 november 2000, geen hoger beroep is ingesteld. Daarmee is de (rechtmatigheid van de) toekenning van een volledige WAO-uitkering ingaande 29 augustus 1999 aan mevrouw [werkneemster] komen vast te staan.

Uit de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen vloeit voort dat die uitkering vervolgens in aanmerking behoort te worden genomen bij de vaststelling van de thans in geding zijnde gedifferentieerde premie.

Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat verweerder bij de toekenning van de WAO-uitkering aan mevrouw [werkneemster] onzorgvuldig te werk is gegaan, dat verweerder ten onrechte een WAO-uitkering ingaande 29 september 1999 heeft toegekend en die uitkering ten onrechte heeft gecontinueerd per 13 september 1999. Met name beroept zij zich daarbij op -kort gezegd- het achterwege blijven van reïntegratie, terwijl eiseres daarvan geen verwijt gemaakt kan worden.

De rechtbank stelt vast dat deze grieven zijn aan te merken als grieven die zijn bedoeld in artikel 87e van de WAO nu daarmee gezegd wordt dat de betreffende WAO-uitkering aan mevrouw [werkneemster] ten onrechte (of tot een te hoog bedrag) is toegekend. Indien en voor zover er sprake is van onzorgvuldigheden in de reïntegratie-activiteiten leidt zulks tot vernietiging van de toekenningsbeslissing. Zonder zorgvuldige reïntegratie-pogingen is er sprake van onzorgvuldigheden in de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hiervoor is echter al vastgesteld dat de (rechtmatigheid van de) toekenning van een volledige WAO-uitkering ingaande 29 augustus 1999 aan mevrouw [werkneemster] is komen vast te staan. Nu in de voorafgaande procedure is komen vast te staan dat de toekenning van de betreffende WAO-uitkering niet onrechtmatig is en in artikel 87e van de WAO is bepaald dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, bedoelde opslag of korting niet gegrond kan zijn op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, leidt hetgeen eiseres heeft aangevoerd op dit punt niet tot gegrondheid van het beroep.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de premiegevolgen van de toekenning van WAO-uitkering aan mevrouw [werkneemster] niet aan haar maar aan de opvolgende werkgever dienen te worden toegerekend. Bepalend voor het toerekenen, op grond van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit premiedifferentiatie WAO, is echter de werkgever waarbij mevrouw [werkneemster] in dienst is geweest op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet: en dat was op 3 augustus 1998. De rechtbank is niet gebleken dat op die datum sprake is geweest van een andere werkgever van mevrouw [werkneemster] dan eiseres.

Tussen partijen is overigens niet in geschil dat verweerder het voor eiseres voor het premiejaar 2001 geldende WAO-percentage op zichzelf overeenkomstig het bepaalde in artikel 78 van de WAO, juncto artikel 4 van het Besluit Premiedifferentiatie heeft berekend.

Gelet op het voorgaande dient het beroep van eiseres voor ongegrond te worden gehouden. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op: 17 januari 2002

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.