Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AE6073

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
01-07-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
01/505 WAO K1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT1539
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Toestemming inzake medische gegevens (art. 88a WAO) mag niet worden verondersteld, ook niet als werknemer is overleden.

2. Onder voorwaarden wordt de opnieuw toegekende WAO-uitkering aan werkgever toegerekend (art. 43a.1.a WAO jo art. 4.5.a Besluit premiedifferentiatie).

Verweerder heeft de voor eiser geldende gedifferentieerde premie over het jaar 1996 vastgesteld. Hierbij heeft verweerder rekening gehouden met de WAO-uitkering die aan de in 1999 overleden heer X is verstrekt.

Namens eiseres is in beroep naar voren gebracht dat verweerder de medische stukken betreffende wijlen X ten onrechte uitsluitend aan de arts-gemachtigde en niet aan eiseres zelf heeft doen toekomen. Volgens eiseres had het belang van wijlen X moeten worden afgewogen tegen het belang van eiseres en weegt het belang van eiseres zwaarder.

De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen en overweegt dat ingevolge art. 88a.1 WAO de werkgever slechts recht heeft op inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, indien de werknemer hiervoor toestemming heeft gegeven. De rechtbank interpreteert deze bepaling aldus dat deze toestemming door de werknemer bij leven gegeven moet worden. De rechtbank ziet het recht op geheimhouding van medische gegevens ten opzichte van de werkgever als een hoogstpersoonlijk recht van de betrokken werknemer. De zeggenschap van de werknemer met betrekking tot zijn medische gegevens na zijn overlijden gaat derhalve niet over op diens nabestaanden. Ingevolge art. 88a.2 WAO wordt de in het eerste lid van dat artikel bedoelde toestemming schriftelijk gegeven. Dat betekent dat toestemming van de werknemer niet mag worden verondersteld, ook niet indien de werknemer inmiddels is overleden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is verweerder er in het onderhavige geval terecht van uitgegaan dat X geen toestemming heeft verleend voor inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk met zijn medische gegevens. Verweerder heeft er voorts op goede gronden van afgezien zich tot de nabestaanden van X te wenden met een verzoek om toestemming.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bezwaarfase op goede gronden de medische stukken betreffende wijlen X uitsluitend aan de arts-gemachtigde ter beschikking heeft gesteld. Voor een afweging van belangen zoals door eiseres is bepleit, biedt de wet geen ruimte.

Eiseres is voorts van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van X die in 1994 is ontstaan niet als voortzetting van de ongeschiktheid van voor indiensttreding bij eiseres kan worden beschouwd.

De rechtbank overweegt dat o.g.v. art. 4.5.a Besluit premiedifferentiatie WAO (verder: Besluit) een aan een (ex-)werknemer toegekende WAO-uitkering bij een werkgever in aanmerking wordt genomen indien de werknemer op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid als bedoeld in art. 19 ZW tot die werkgever in dienstbetrekking staat en de werknemer ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 52 weken als bedoeld in art. 19 van de WAO heeft doorgemaakt.

Art. 4.5.b Besluit ziet op de situatie dat een werknemer nadat een hem eerder toegekende WAO-uitkering met toepassing van art. 43.1 WAO is ingetrokken, vervolgens voor WAO-uitkering in aanmerking wordt gebracht met toepassing van art. 43a.1.a WAO. De opnieuw toegekende WAO-uitkering wordt onder bepaalde voorwaarden toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer in dienst was ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de nadien ingetrokken WAO-uitkering werd genoten. De eerste voorwaarde is dat de werknemer opnieuw arbeidsongeschikt wordt binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de WAO-uitkering. De tweede voorwaarde is dat deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen. In die gevallen waarin de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid uit meerdere oorzaken is voortgekomen, moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld aan welke van die oorzaken het grootste gewicht toekomt. Aan de tweede voorwaarde is in die gevallen voldaan indien de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, moet worden aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de nadien opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan X over de periode van 24 juni 1992 tot 17 mei 1993 WAO-uitkering heeft genoten moet worden aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de bij X op 5 september 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank beantwoordt die vraag, onder verwijzing naar de medische rapportages, i.c.ontkennend.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT1539.

Raad van Bestuur van het UWV, verweerder.

mr. J.J.A. Kooijman

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 01/505 WAO K1

Inzake : A BV te B, eiseres,

tegen : Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 4 april 2001,

kenmerk: P.836.139.55.

Datum van behandeling ter zitting: 3 mei 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Per 1 januari 2002 zijn de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Stbl. 2001, nrs. 624 en 625) in werking getreden. Op grond van artikel 9 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Op grond van artikel 9, tweede lid, gelden besluiten die door of namens het Lisv zijn genomen als besluiten van het UWV en op grond van artikel 11, eerste lid, treedt het UWV in de onderhavige procedure als partij in de plaats van het Lisv. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het (bestuur van het) Lisv.

Bij besluit van 12 december 1997 heeft verweerder de voor eiseres geldende gedifferentieerde premie over 1998 vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) die de op […] 1999 overleden X in 1996 heeft genoten. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is namens eiseres door P.J.G. van Osta, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De stukken zijn doorgezonden naar gemachtigde van eiseres, met uitzondering van de stukken die medische gegevens bevatten betreffende wijlen X. Laatstgenoemde stukken zijn toegezonden aan de arts-gemachtigde van eiseres prof. dr. A. Zwaveling.

Het beroep is, gevoegd met de zaak 01/773, behandeld ter zitting van de rechtbank op 3 mei 2002, waar namens eiseres, zoals schriftelijk is aangekondigd, niemand is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door

M.J.H. Steeghs, medewerker van de afdeling bezwaar en beroep van GAK Nederland B.V., kantoor Venlo.

II. OVERWEGINGEN.

Aan X is bij besluit van 19 juni 1992 met ingang van 24 juni 1992 een WAO-uitkering toegekend. Deze uitkering was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Deze uitkering werd bij besluit van 20 april 1993 met ingang van 17 mei 1993 wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid ingetrokken. Op 16 mei 1994 is X in dienst getreden van eiseres. Op 5 september 1994 wordt X arbeidsongeschikt. Ter zake van die arbeidsongeschiktheid is X bij besluit van 14 juli 1995 met ingang van 4 september 1995 opnieuw voor een WAO-uitkering in aanmerking gebracht. De uitkering was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij besluit van 13 juni 1996 werd de WAO-uitkering met ingang van 3 augustus 1996 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

Bij besluit van 12 december 1997 heeft verweerder -onder meer- meegedeeld dat de ten aanzien van eiseres vastgestelde gedifferentieerde premie ingevolge de WAO voor 1998 is vastgesteld op de maximaal verschuldigde premie van 0,84%. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat toepassing van het bepaalde in artikel 4, eerste en tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO in het geval van eiseres ertoe leidt dat bij de bepaling van het ten aanzien van eiseres geldende individuele werkgeversrisicopercentage in aanmerking wordt genomen een bedrag van ¦ 18.143,53 aan WAO-uitkering die in 1996 aan haar (ex-)werknemer X is betaald.

Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt. Eiseres is van mening dat de ziekte van X, als gevolg waarvan aan hem een WAO-uitkering is toegekend, een voortzetting is van de ziekte in verband waarmee aan hem reeds eerder een WAO-uitkering is toegekend en dat derhalve de WAO-uitkering van X niet in aanmerking mag worden genomen bij de vaststelling van de door eiseres verschuldigde premie. Bij besluit van 20 juli 1998 is dat bezwaar ongegrond verklaard, welk besluit is vernietigd door de rechtbank bij uitspraak van 2 september 1999. Eerder, op 23 januari 1999, is X komen te overlijden.

Verweerder heeft berust in de uitspraak van de rechtbank en heeft de bezwaarprocedure tegen het besluit van 12 december 1997 opnieuw opgestart. In dat kader heeft verweerder de stukken betreffende de aan X toegekende WAO-uitkering aan gemachtigde van eiseres doen toekomen met uitzondering van de stukken die medische gegevens bevatten. De stukken met medische gegevens betreffende X zijn toegezonden aan de arts-gemachtigde van eiseres prof. dr. A. Zwaveling. Het bezwaar is wederom ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij onder meer overwogen als volgt:

''Uw bezwaar is zowel procedureel als inhoudelijk van aard. Het procedurele bezwaar richt zich tegen het feit dat de medische stukken (in eerste instantie) niet overgelegd zijn. Aan dit bezwaar is volledig tegemoetgekomen doordat de stukken op uw verzoek aan uw arts-gemachtigde zijn overgelegd. (…) Resteert uw inhoudelijke bezwaar. (…). Uit de stukken blijkt o.i. echter duidelijk dat dhr. X in 1994 zijn werk staakte in verband met een ongeval. In het kader van de eerste bezwaarzaak heeft de primaire verzekeringsarts dat ook al duidelijk aangegeven en in de transcriptie heeft de bezwaarverzekeringsarts eveneens aangegeven dat er duidelijk sprake is van een andere ziekte-oorzaak. Dat mogelijk later, d.w.z. na het ongeval, de ''oude'' klachten zijn toegenomen, doet aan voorafgaande niet af.''

Tegen dat besluit is het beroep van eiseres gericht. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit van verweerder de rechterlijke toets kan doorstaan.

De eerste grief die namens eiseres in beroep naar voren wordt gebracht is dat verweerder de medische stukken betreffende wijlen X ten onrechte uitsluitend aan de arts-gemachtigde en niet aan eiseres zelf heeft doen toekomen. Volgens eiseres had het belang van wijlen X moeten worden afgewogen tegen het belang van eiseres en weegt het belang van eiseres zwaarder.

De rechtbank is van oordeel dat deze grief geen doel treft en overweegt te dien aanzien als volgt.

Ingevolge artikel 88a, eerste lid, van de WAO heeft de werkgever slechts recht op inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, indien de werknemer hiervoor toestemming heeft gegeven. De rechtbank interpreteert deze bepaling aldus dat deze toestemming door de werknemer bij leven gegeven moet worden. De rechtbank ziet het recht op geheimhouding van medische gegevens ten opzichte van de werkgever als een hoogstpersoonlijk recht van de betrokken werknemer. De zeggenschap van de werknemer met betrekking tot zijn medische gegevens na zijn overlijden gaat derhalve niet over op diens nabestaanden. Ingevolge artikel 88a, tweede lid, van de WAO wordt de in het eerste lid van dat artikel bedoelde toestemming schriftelijk gegeven. Dat betekent dat toestemming van de werknemer niet mag worden verondersteld, ook niet indien de werknemer inmiddels is overleden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is verweerder er in het onderhavige geval terecht van uitgegaan dat X geen toestemming heeft verleend voor inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk met zijn medische gegevens. Verweerder heeft er voorts op goede gronden van afgezien zich tot de nabestaanden van X te wenden met een verzoek om toestemming.

Artikel 88b in verbinding met artikel 88c van de WAO bepaalt dat indien de werknemer geen toestemming geeft, de inzage in, danwel kennisname of toezending van enig stuk, dat medische gegevens bevat, voorbehouden is aan een gemachtigde van de werkgever die arts is. De gemachtigde van de werkgever, die arts is, treedt in de plaats van de werkgever bij de voorbereiding van een medisch besluit, het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift en de behandeling van een bezwaar of beroep, een en ander voor zover betrekking hebbend op medische gegevens. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bezwaarfase op goede gronden de medische stukken betreffende wijlen X uitsluitend aan de arts-gemachtigde ter beschikking heeft gesteld. Voor een afweging van belangen zoals door eiseres is bepleit, biedt de wet geen ruimte.

De tweede grief die eiseres in beroep naar voren brengt is dat aan het bestreden besluit geen deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid X die in 1994 is ontstaan, niet kan worden beschouwd als een voortzetting van diens arbeidsongeschiktheid ontstaan vóór indiensttreding bij eiseres. Ten aanzien van deze grief overweegt de rechtbank als volgt.

Op 1 januari 1998 is de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Stb. 1997, 175; de Wet Pemba) in werking getreden. Doel van deze wet is onder meer de werkgever te stimuleren om ten aanzien van arbeidsongeschiktheid een adequaat preventie- en reïntegratiebeleid te voeren. Bij wijze van financiële prikkel is de door de werkgever (die geen eigen-risicodrager is) te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van de aan (voormalige) werknemers uitgekeerde WAO-uitkeringen in een bepaald jaar. Daartoe is in artikel 76a van de WAO bepaald dat de premie die door de werkgever verschuldigd is, bestaat uit een basispremie en een gedifferentieerde premie. Artikel 78 van de WAO geeft aan dat verweerder voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie een (algemeen geldend) rekenpercentage vaststelt en voorts voor elk jaar, voor iedere werkgever, een opslag of korting waarmee voor die werkgever het rekenpercentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd.

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 78, zesde lid, van de WAO is tot stand gekomen het Besluit premiedifferentiatie WAO. Het Besluit premiedifferentiatie WAO geeft onder meer regels omtrent de wijze waarop de opslag of korting wordt berekend. In artikel 4 van het Besluit premiedifferentiatie WAO is bepaald op welke wijze de in artikel 78 van de WAO bedoelde opslag of korting wordt berekend.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit premiedifferentiatie WAO wordt een aan een (ex-)werknemer toegekende WAO-uitkering bij een werkgever in aanmerking genomen indien de werknemer op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot die werkgever in dienstbetrekking staat en de werknemer ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 52 weken als bedoeld in artikel 19 van de WAO heeft doorgemaakt.

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit premiedifferentiatie WAO ziet op de situatie dat een werknemer nadat een hem eerder toegekende WAO-uitkering met toepassing van artikel 43, eerste lid, van de WAO is ingetrokken, vervolgens voor WAO-uitkering in aanmerking wordt gebracht met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, van de WAO. De opnieuw toegekende WAO-uitkering wordt onder bepaalde voorwaarden toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer in dienst was ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de nadien ingetrokken WAO-uitkering werd genoten. De eerste voorwaarde is dat de werknemer opnieuw arbeidsongeschikt wordt binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de WAO-uitkering. De tweede voorwaarde is dat deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen. In die gevallen waarin de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid uit meerdere oorzaken is voortgekomen, moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld aan welke van die oorzaken het grootste gewicht toekomt. Aan de tweede voorwaarde is in die gevallen voldaan indien de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, moet worden aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de nadien opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid.

Gelet op het hiervoor omschreven wettelijk kader en de door eiseres naar voren gebrachte grief dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan X over de periode van 24 juni 1992 tot 17 mei 1993 WAO-uitkering heeft genoten moet worden aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de bij X op 5 september 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Zij hecht in dit verband met name betekenis aan de rapportage van 29 mei 1995 van verzekeringsgeneeskundige P. Hendrikx. In die rapportage wordt melding gemaakt van een diagnose en een tweetal nevendiagnosen. De rechtbank leidt hieruit af dat Hendriks de diagnose en niet de gestelde nevendiagnosen heeft aangemerkt als de belangrijkste oorzaak van de bij X op 5 september 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid. De door Hendriks gestelde diagnose wordt niet als oorzaak van de arbeidsongeschiktheid genoemd in de rapporten van 22 mei 1992, 26 juni 1992, 5 augustus 1992 en 26 oktober 1992 van verzekeringsgeneeskundige L. van de Beek. In genoemde rapporten werd verslag gedaan van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op basis waarvan aan X van 24 juni 1992 tot 17 mei 1993 WAO-uitkering is toegekend. De rechtbank wijst voorts een memo van 10 juni 1998 waarin het standpunt van verzekeringsgeneeskundige Verzijden wordt weergegeven en op de rapportage van 25 november 1999 van bezwaarverzekeringsarts P. Tjen. Ook deze ondersteunen de conclusie dat de belangrijkste oorzaak van de bij X op 5 september 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid een andere is dan de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan X van 24 juni 1992 tot 17 mei 1993 WAO-uitkering heeft genoten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank acht verder geen termen aanwezig voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING.

De rechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van

mr. Y.J.C.A. Roeffen als griffier en in het openbaar uitgesproken op

1 juli 2002.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 1 juli 2002

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.