Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AE5163

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
2002/476, 493 en 464 WRO V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Met vrijstelling art. 19.3 WRO (nieuw) jo. art. 20.1.e Bro (nieuw) mag in casu tevens bouwvergunning worden verleend, nu strijdigheid met bestemmingsplan uitsluitend erin bestaat dat wordt gebouwd ten behoeve van een gebruik dat niet aan de gebruiksvoorschriften voldoet.

Bouwvergunning en vrijstelling (art. 19.3 WRO juncto art. 20.1.e Bro 1985) voor de inpandige verandering van een kantoor in een kinderdagverblijf. Genoemde werkzaamheden zijn bouwvergunningplichtig en gezien het concrete, beoogde gebruik, als kinderdagverblijf, is het bouwplan in strijd met de op het perceel gelegde bestemming “Woondoeleinden”.

Verzoekers hebben aangevoerd dat uit de tekst van art. 20.1.e Bro, waar sprake is van vrijstelling in verband met een gebruikswijziging, volgt dat deze vrijstelling niet ziet op een bouwactiviteit en dat met deze vrijstelling geen bouwvergunning kan worden verleend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dwingt de tekst van genoemde bepalingen niet tot een zo beperkte uitleg als door verzoekers wordt voorgestaan. Nu het onderhavige bouwplan aan de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsvoorschriften voldoet en de strijdigheid met het bestemmingsplan enkel en alleen is gelegen in de omstandigheid dat wordt gebouwd ten behoeve van een gebruik dat niet aan de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan voldoet, brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat met de onderhavige vrijstelling tevens een bouwvergunning mag worden verleend. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwwerk geheel en al is terug te voeren op het beoogde gebruik van het bouwwerk als kinderdagverblijf. De inpandige wijzigingen zijn daarvoor verder niet relevant. Niet valt dan ook in te zien dat, indien de verleende vrijstelling voor het gebruik als kinderdagverblijf de rechterlijke toets kan doorstaan, de verleende bouwvergunning in strijd zou zijn met het bestemmingsplan of de krachtens dat plan gestelde eisen.

Ten aanzien van de met toepassing van art. 20.1.e Bro verleende vrijstelling kan niet gezegd worden dat verweerder bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot vrijstelling over te gaan.

Ongegrond beroep.

Zie in dit verband ook uitspraak President rechtbank Arnhem van 26 april 2001 inzake nos. 2001/464 en 2001/472 WRO19 V1, opgenomen onder LJN AB2696 en in MS 2001, 245.

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

mr. J.J.A. Kooijman

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/726
Module Grondzaken 2002/66

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 2002/476, 493 en 464 WRO V1

Inzake : A+ 7 anderen, wonende te B, verzoekers,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, te Roermond, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

De brief d.d. 19 maart 2002 en 15 april 2002,

kenmerk: 2002/2838.

Datum van behandeling ter zitting: 13 juni 2002

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 maart 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift dat verzoekers hebben ingediend tegen zijn besluit van 8 november 2001, waarbij aan C, hierna te noemen vergunninghoudster, vergunning is verleend voor het veranderen van een kantoor in een kinderdagverblijf aan de […]weg 35 te B, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is door verzoekers bij schrijven van 6 mei 2002 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 02/493. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze zaak is geregistreerd onder nummer AWB 02/476.

Bij het eveneens in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 15 april 2002, verzonden op 22 april 2002, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek handhavend op te treden tegen de inrichting van vergunninghoudster gelegen aan de [...]weg 35 en het gebruik van het speelterrein. Tegen dit besluit is door verzoekers bij schrijven van 3 mei 2002 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb. Deze zaak is geregistreerd onder nummer AWB 02/464.

Met toepassing van artikel 8:26 is de vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen ter zake van verweerders besluit van 19 maart 2002 deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers en aan vergunninghoudster gezonden.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar van verzoekers is verschenen de heer A en de heer X. Voor vergunninghoudster is verschenen de heer mr. J.H.G. Elders. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer mr. R.J.H. Sassen, juridisch medewerker van het bureau bouwtoezicht van de gemeente Roermond.

II. OVERWEGINGEN.

Bij aanvraag van 10 juli 2001 heeft vergunninghoudster verzocht om vergunning voor het veranderen van een kantoor in een kinderdagverblijf aan de [...]weg 35A te B. Op 19 juli 2001 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om voor het bouwplan vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Het bouwplan heeft met ingang van 24 juli 2001 gedurende vier weken ter inzage gelegen. Naar aanleiding van deze publicatie zijn door verzoekers op 15 augustus 2001 bedenkingen ingebracht. Conform het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb zijn verzoekers op 10 september 2001 in de gelegenheid gesteld hun bedenkingen tegen het voornemen van verweerder om met toepassing van artikel 19, lid 3 van de WRO vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan “Roer” mondeling toe te lichten.

Bij besluit van 8 november 2001 heeft verweerder onder ongegrondverklaring van de ingebrachte bedenkingen en met toepassing van artikel 19, lid 3 van de WRO ten behoeve van het bouwplan vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan en de gevraagde bouwvergunning verleend.

Op 15 november 2001 is door vergunninghoudster verzocht om met toepassing van het bepaalde in artikel 19, lid 1 van de WRO vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan teneinde een deel van het bestaande parkeerterrein in te richten en in gebruik te mogen nemen als speelplaats. In aanvulling op dit verzoek heeft vergunninghoudster op 11 maart 2002 een ruimtelijke onderbouwing bij verweerder ingediend.

Verzoekers hebben tegen vorenvermeld besluit van 8 november 2001 een bezwaarschrift ingediend en, ter voorkoming van onevenredig nadeel, de president verzocht de verleende vergunning te schorsen. Bij uitspraak van 6 december 2001 heeft de president het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op 22 januari 2002 hebben verzoekers hun bezwaar ten overstaan van de commissie als bedoeld in artikel 1 van de Verordening bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Roermond, nader mondeling toegelicht.

Bij het in de aanhef vermelde besluit van 19 maart 2002 heeft verweerder, in navolging van het advies van 7 maart 2002 van genoemde commissie, het bezwaarschrift ongegrond verklaard en zijn besluit van 8 november 2001 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is door verzoekers beroep ingesteld en tevens is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd om het bestreden besluit te schorsen. Aangevoerd is dat artikel 20, lid 1, onder e van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) alleen betrekking heeft op een wijziging in het gebruik van opstallen. De gevraagde bouwvergunning is verleend in strijd met het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet (Ww) nu op het perceel de bestemming “woondoeleinden” rust. Verder is aangevoerd dat bij de aanvraag een situatieschets was gevoegd, waarop de kantooruitbreiding van 1987 niet was ingetekend, zodat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Ten slotte is, onder verwijzing naar de toelichting op bestemmingsplan “Roer”, aangevoerd dat door verweerder onvoldoende is gemotiveerd waarom de onderhavige afwijking van het bestemmingsplan gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van het beroep annex verzoek gericht tegen verweerders besluit van 19 maart 2002 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

In geding is of verweerder bij zijn besluit van 19 maart 2002 op goede gronden heeft beslist de bij zijn besluit van 8 november 2001 verleende bouwvergunning te handhaven.

Ingevolge het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder c van de Ww mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk – strikt naar bouwkundige hoedanigheid – kan worden gebruikt conform de bestemming, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op een zodanig gebruik wordt opgericht.

Het onderhavige bouwplan ziet op een interne verandering van het gebouw bestaande uit het aanbrengen van stalen balken op de begane grond en boven de nieuwe deuropening, alsmede uit het doorbreken van enkele binnenmuren. Genoemde werkzaamheden zijn bouwvergunningplichtig en gezien het concrete, beoogde gebruik, als kinderdagverblijf, is het bouwplan in strijd met de op het perceel gelegde bestemming “Woondoeleinden”.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bouwvergunning voor de inpandige wijzigingen kan worden verleend met toepassing van het bepaalde in artikel 19, lid 3 van de WRO juncto artikel 20, lid 1, onder e van het Bro. Ingevolge artikel 19, lid 3 WRO kunnen burgemeester en wethouders (eveneens) vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. In artikel 20, lid 1, onder e van het Bro is bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking komt: een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².

Verzoekers hebben aangevoerd dat uit de tekst van artikel 20, lid 1, onder e Bro, waar sprake is van vrijstelling in verband met een gebruikswijziging, volgt dat deze vrijstelling niet ziet op een bouwactiviteit en dat met deze vrijstelling geen bouwvergunning kan worden verleend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dwingt de tekst van genoemde bepalingen niet tot een zo beperkte uitleg als door verzoekers wordt voorgestaan. Nu het onderhavige bouwplan aan de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsvoorschriften voldoet en de strijdigheid met het bestemmingsplan enkel en alleen is gelegen in de omstandigheid dat wordt gebouwd ten behoeve van een gebruik dat niet aan de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan voldoet, brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat met de onderhavige vrijstelling tevens een bouwvergunning mag worden verleend. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwwerk geheel en al is terug te voeren op het beoogde gebruik van het bouwwerk als kinderdagverblijf. De inpandige wijzigingen zijn daarvoor verder niet relevant. Naar dezerzijds oordeel valt dan ook niet in te zien dat, indien de verleende vrijstelling voor het gebruik als kinderdagverblijf de rechterlijke toets kan doorstaan, de verleende bouwvergunning in strijd zou zijn met het bestemmingsplan of de krachtens dat plan gestelde eisen. Ten aanzien van de met toepassing van artikel 20, lid 1, onder e Bro verleende vrijstelling is niet in geding dat aan de in dat artikel gestelde voorwaarden ten aanzien van het aantal woningen en vloeroppervlak is voldaan. Bestreden is dat afwijking van het bestemmingsplan gerechtvaardigd is te achten. De voorzieningenrechter is dienaangaande van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot vrijstelling over te gaan. Verweerder heeft in dit verband terecht zwaar laten wegen dat er een grote vraag naar kinderopvang is, dat er een gedeeltelijk leegstaand pand met een brede doeleindenomschrijving lag en het feit dat aldaar het initiatief voor een kinderdagverblijf werd genomen. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat de bezwaren van verzoekers zich met name richten op het buitengebeuren. Die bezwaren zullen in de vrijstellingsprocedure ex artikel 19, lid 1 WRO worden meegenomen. Verzoekers grief dat bij de aanvraag bouwvergunning een onjuiste situatietekening was gevoegd, kan reeds hierom geen doel treffen omdat verweerder in elk geval bij het nemen van de beslissing op bezwaar van de juiste gegevens is uitgegaan.

Uit het voorgaande volgt dat verweerders besluit om met toepassing van artikel 19, lid 3 van de WRO juncto artikel 20, lid 1, onder e van het Bro vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de inpandige verandering van een kantoor in een kinderdagverblijf de rechterlijke toets kan doorstaan. Het daartegen gerichte beroep (AWB 02/493) moet dan ook voor ongegrond worden gehouden en de gevraagde voorlopige voorziening (AWB 02/476) dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van verweerders besluit van 15 april 2002 (AWB 02/464) overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Bij brief van 4 april 2002 hebben verzoekers verweerder gevraagd handhavend op te treden tegen de inrichting en het gebruik van het speelterrein bij het kinderdagverblijf. Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit van 15 april 2002, verzonden op 22 april 2002, heeft verweerder meegedeeld niet voornemens te zijn handhavend op te treden. Tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend en tevens is de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe is aangevoerd dat verweerder zich niet aan de gemaakte afspraak heeft gehouden om handhavend op te treden tegen een gebruik van de huidige parkeerplaats als speelplaats voordat daartoe vrijstelling is verleend.

Vast staat dat op het gehele perceel de bestemming “Woondoeleinden” rust en dat een inrichting en in gebruikneming van (een gedeelte) van het perceel als speelplaats ten behoeve van een kinderdagverblijf in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan. In het geval dat er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en mogelijkheden tot legalisering van de onwettige toestand ontbreken is een bestuursorgaan in beginsel gehouden over te gaan tot toepassing van bestuursdwang. Van die beginselplicht tot handhaven kan worden afgezien als de uitkomst van een belangenafweging daartoe aanleiding geeft. In dit geval is sprake van het gedogen van een met de wet strijdig handelen.

Een bestuursorgaan dient terughoudend om te gaan met het gedogen van een met de wet strijdige situatie. Alvorens daartoe over te gaan dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb een zorgvuldige afweging van alle relevante belangen plaats te vinden en moet in het bijzonder worden bezien of de voor een of meer belanghebbende nadelige gevolgen van het gedoogbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Voorts mag uiteraard ook anderszins geen sprake zijn van strijdigheid met geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Verweerder heeft bij zijn weigering handhavend op te treden laten wegen dat op 18 juni 2002 de procedure als bedoeld in artikel 19, lid 1 van de WRO daadwerkelijk in gang is gezet teneinde de gevraagde vrijstelling te verlenen voor de functieverandering van de buitenruimte. Hieruit volgt dat met verweerder moet worden geconcludeerd dat er een concreet zicht bestaat op legalisatie en dat de bestaande illegale situatie als tijdelijk moet worden beschouwd. Door het belang van vergunninghoudster en het algemeen belang, dat met uitbreiding van kinderopvang is gediend, rekening houdend met het concreet zicht op legalisatie, te laten prevaleren boven het belang van de omwonenden, die vrezen hinder te ondervinden van de buiten spelende kinderen, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijk gegeven van een kennelijk onredelijke belangenafweging. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat door vergunninghoudster de nodige maatregelen, waaronder plaatsing van een omheining op geruime afstand van de perceelsgrens, zijn genomen om eventuele hinder tot een minimum te beperken. De voorzieningenrechter volgt ten slotte verzoekers niet in hun stelling dat op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2001 verweerder gehouden zou om handhavend op te treden aangezien een dergelijke toezegging zijdens verweerder niet is gedaan.

Op grond van voorgaande overwegingen komt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

Mitsdien is beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep met nummer AWB 02/493, gericht tegen verweerders besluit van 19 maart 2002, ongegrond;

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening met de nummers AWB 02/476 en 02/464 af.

Aldus gedaan door mr. J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2002.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 19 juni 2002

RG

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Voor het overige staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.