Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AE3850

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
04/050552-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/050552-01

uitspraak d.d. : 19 maart 2002

TEGENSPRAAK overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte (de stichting)]

adres : [adres]

plaats : [vestigings[pleegplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2002.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 1999 tot en met 2 maart 2001 te [pleegplaats], in elk geval in de gemeente [gemeente] en/of in de gemeente [gemeente], grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

a.

op het door haar, verdachte, beheerde en bij (jonge) kinderen in gebruik zijnde speelveld een metalen (verplaatsbaar) (handbal)doel heeft geplaatst, wetende, althans behorende te weten, dat een onverankerd doel (gemakkelijk) kan

omvallen en/of omgeduwd kan worden, in elk geval gekanteld kan worden, en/of er niet voor heeft gezorgd althans niet zodanige maatregelen heeft genomen dat dit doel niet kon omvallen en/of kon worden omgeduwd en/of kon worden

gekanteld, en/of

b.

wetende, althans behorende te weten, dat een metalen (handbal)doel onverankerd op het speelveld stond waar (jonge) kinderen aan het spelen waren, niet althans niet in voldoende mate heeft voorzien in een sluitend systeem betreffende het toezicht op die spelende kinderen op voornoemd speelveld,

tengevolge waarvan op 2 maart 2001 [slachtoffer] - die tezamen met andere kinderen op voornoemd speelveld met het onverankerde (handbal)doel een (risicovol) spel aan het spelen was, welk (risicovol) spel, (mede) als het gevolg van het niet, althans niet in voldoende mate hebben voorzien in een sluitend systeem van toezicht op die spelende kinderen, niet (tijdig) werd ontdekt en waarbij dat doel omviel en/of werd omgeduwd, in elk geval werd gekanteld, en (vervolgens) dat (handbal)doel (met kracht) op het (onder)lichaam van [slachtoffer] is gevallen - zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden, welk overlijden (derhalve) aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest.

(artikel 307 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vordering worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 mei 1999 tot en met 2 maart 2001 te [pleegplaats] aanmerkelijk onvoorzichtig en nalatig

a.

op het door haar, verdachte, beheerde en bij (jonge) kinderen in gebruik zijnde speelveld een metalen verplaatsbaar doel heeft geplaatst, behorende te weten dat een onverankerd doel (gemakkelijk) omgeduwd kan worden, en er niet voor heeft gezorgd althans niet zodanige maatregelen heeft genomen, dat dit doel niet kon worden omgeduwd, en

b.

wetende, dat een metalen doel onverankerd op het speelveld stond waar (jonge) kinderen aan het spelen waren, niet in voldoende mate heeft voorzien in een sluitend systeem betreffende het toezicht op die spelende kinderen op voornoemd speelveld,

tengevolge waarvan op 2 maart 2001 [slachtoffer] - die tezamen met andere kinderen op voornoemd speelveld met het onverankerde doel een (risicovol) spel aan het spelen was, welk (risicovol) spel, (mede) als het gevolg van het niet in voldoende mate hebben voorzien in een sluitend systeem van toezicht op die spelende kinderen, niet werd ontdekt en waarbij dat doel werd omgeduwd, en dat doel (met kracht) op het lichaam van [slachtoffer] is gevallen - zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden, welk overlijden aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

Voor zover het vonnis is uitgewerkt, staan de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vermeld in de alsdan aan het vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

8.2 Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De rechtbank onderkent dat het zeer prijzenswaardig is, dat organisaties als verdachte zich voortdurend inzetten ten behoeve van de ontspanning en ontplooiing van de jeugd, waarbij door diverse volwassenen zonder contraprestatie vele inspanningen worden verricht. Deze waardering voor hetgeen de [verdachte (de stichting)] (hierna ook: de Stichting) doet, laat echter onverlet dat op verdachte een bijzondere zorgplicht rust om de veiligheid van de doelgroep zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat in casu om (zeer) jeugdigen (de groep waartoe het slachtoffer behoorde werd gevormd door jongens in de leeftijd van 10 tot 12 jaar) die bij uitstek worden aangetrokken door de actieve beoefening van diverse vormen van sport en spel. Kinderen van die leeftijd kunnen, naar de ervaring leert, zelf niet alle gevaren van het eigen gedrag overzien; zij zijn zich met name in een sport- en/of spelsituatie onvoldoende bewust van daaraan verbonden risico's.

Gelet hierop rustte en rust op de Stichting een verzwaarde plicht om de door verdachte gestimuleerde activiteiten met zoveel mogelijk waarborgen voor de veiligheid van deze kinderen te omgeven. Hoewel in de praktijk een volledig feilloos toezicht op die kinderen niet kan worden gegarandeerd, is juist gelet op deze praktische beperking het ontstaan van ongelukken voorzienbaar en dient degene die voor de activiteiten verantwoordelijk is ervoor zorg te dragen dat de plaats waar gesport/gespeeld wordt zo veilig mogelijk is. Dit houdt in concrete zin in, enerzijds dat men zorg dient te besteden aan de veiligheidsaspecten van ter plaatse aanwezige sport- en spelvoorzieningen en overige materialen, zeker indien het om objecten gaat waarvan een zeker gevaar uitgaat (bij voorbeeld door hun aard of gewicht).

Anderzijds rust op de Stichting de plicht om een zo adequaat mogelijk toezicht te realiseren.

In het onderhavige geval gaat het om een zeer zwaar doel dat op het slachtoffer is gevallen. Verdachte had op grond van de aanwezigheid aan het doel van vier grondplaten met daarin openingen bestemd voor verankeringen in de grond kunnen en moeten vaststellen dat het mogelijk was om het doel op vier plaatsen in de grond te verankeren. Deze mogelijkheid van verankering (en daarmee: van een solide plaatsing waardoor het doel niet, althans aanzienlijk veel moeilijker, kon worden omgeduwd) behelsde tevens een signaal dat hiermee de veiligheid ter plaatse aanmerkelijk kon worden verhoogd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de Stichting dat signaal heeft miskend. Zij heeft nagelaten het doel aan een deugdelijk onderzoek te onderwerpen dan wel heeft zij uit praktische overwegingen (de gemakkelijke verplaatsbaarheid) ervoor gekozen het doel niet te verankeren.

De rechtbank beschouwt dit nalaten van de Stichting als een vermijdbaar gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voorzienbaar is dat jongens in de leeftijd van 10 tot 12 jaar bij het spelen riskante handelingen verrichten. Enkele jeugdleiders van de Stichting hadden zelfs al vóór 2 maart 2001 daadwerkelijk geconstateerd dat kinderen op het doel klommen, eraan hingen en dat de doelen zelfs omgekiept op het grasveld lagen. Nu niet door verdachte als onwaarschijnlijke gebeurtenis terzijde kon worden gesteld dat het doel zou kunnen omvallen, had de Stichting zich - gelet op haar specifieke verantwoordelijkheid - meer behoren te bekommeren om de veiligheidsaspecten in deze. Door het bewuste doel op de daarvoor geëigende plaatsen in de grond te verankeren, had het tragische gevolg van de dood van [slachtoffer] op een eenvoudige wijze kunnen worden voorkomen.

Met betrekking tot het vereiste toezicht overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Voornoemde bijzondere zorgplicht brengt met zich dat de Stichting zowel tijdens als enige tijd voor en enige tijd na de groepsbijeenkomsten voldoende toezicht dient te houden op de zich op het terrein van de Stichting bevindende groepsleden.

Dat de Stichting zich van deze zorgplicht bewust is, blijkt onder meer uit haar huishoudelijk reglement waarin is bepaald dat de groepsleiders van een half uur voor de groepsbijeenkomst tot een half uur na de groepsbijeenkomst de verantwoordelijkheid dragen over hun groep.

Uit het dossier komt naar voren dat de kinderen in beginsel buiten moeten wachten totdat de groepsleiding hen binnenhaalt. Een en ander brengt met zich dat de Stichting ook voor een vorm van toezicht moet zorgdragen als de kinderen buiten wachten en spelen voor de aanvang van de groepsbijeenkomst of na afloop als ze wachten om opgehaald te worden.

Uit het dossier komt eveneens naar voren dat vaker slechts één groepsleider vroeg genoeg ter plaatse aanwezig was om de in het huishoudelijk reglement opgenomen verplichting te vervullen. Zo ook op de bewuste avond. De toen als enige aanwezige groepsleider bevond zich rondom het tijdstip van het ongeval in het leidershok van waaruit geen enkel uitzicht bestaat op het speelveld.

Mede gelet op deze ligging van het leidershok moet worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van slechts één leider onvoldoende is om adequaat toezicht te houden op de buiten wachtende en spelende kinderen.

Hoe groter de zorgplicht jegens een ander, des te eerder is bij een vermijdbaar gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg sprake van de schuld als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht. Gezien al het vorenstaande en gelet op de bewijsmiddelen acht de rechtbank de schuld van verdachte van voldoende ernst om dat strafbare feit bewezen te verklaren.

9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 307 juncto 51 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen

11.1 De algemene overwegingen

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 5 maart 2002 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € EUR 2.200,00.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft primair gesteld dat vrijspraak dient te volgen en subsidiair aangevoerd dat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf dient te worden uitgesproken.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder enerzijds rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezenverklaarde feit persoonlijk leed en psychische schade bij de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] teweeg heeft gebracht;

en anderzijds met:

- de omstandigheid dat verdachte de ouders van [slachtoffer] op respectvolle wijze heeft benaderd;

- de omstandigheid dat ook verdachte en haar vrijwilligers zijn getroffen door de dood van [slachtoffer];

- de omstandigheid dat verdachte na het tragische gebeuren op 2 maart 2001 (aanvullende) veiligheidsmaatregelen heeft getroffen;

- de omstandigheid dat de verdachte zich belangeloos voor de ontspanning en ontplooiing van jongeren inzet;

- de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister nog niet eerder is veroordeeld.

Met het opleggen van een voorwaardelijke geldboete wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de vaststelling van de geldboete heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte in een mate waarin dat nodig wordt geacht met het oog op een passende bestraffing van verdachte.

Verdachte wordt door die vaststelling in haar vermogen niet onevenredig getroffen.

De rechtbank heeft bij die vaststelling in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat het vermogen is en wordt gegenereerd uit bijdragen van ouders van bij de [verdachte (de stichting)] aangesloten kinderen.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 307.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een geldboete van € EURO 1.000,00;

bepaalt, dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vonnis gewezen door mrs. N.J.L.M. Tuijn, M.J.A.G. van Baal en A.K. Kleine, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

19 maart 2002.