Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AE2539

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-05-2002
Datum publicatie
16-05-2002
Zaaknummer
37374 / HA ZA 00 - 116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 mei 2002.

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

1. ROYAL NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ([land]),

3. [eiseres sub 3],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

eisers;

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur: mr. O.W.J.H. van Crugten,

gedaagde.

Partijen worden aangeduid als:

eisers: Royal c.s.;

gedaagde: [gedaagde].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de processtukken als vermeld in het tussenvonnis van 11 mei 2000;

- de processtukken als vermeld in het tussenvonnis van 26 oktober 2000;

- de conclusie na enquête van de zijde van eisers;

- de conclusie na enquête van de zijde van gedaagde.

2. Vaststaande feiten

2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten. Op 13 maart 1998 bezocht [gedaagde] met zijn zwager en diens echtgenote de kunst- en antiekbeurs ('TEFAF') te Maastricht. Zij bezochten de stand van eisers sub 3. Achteruitlopend heeft [gedaagde] een 'Monstrans'klok uit 1630 omgestoten die opgesteld stond in de stand van [eiseres sub 3] (vraagprijs ƒ 1.200.000,--). Hierdoor is schade aan de klok ontstaan van in totaal ƒ 150.000,--.

3. Vordering en stellingen van Royal c.s.

3.1 Royal c.s. vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om tegen kwijting aan Royal, althans eisers sub 2, althans eiseres sub 3, te betalen de som van ƒ 155.463,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 1998 tot aan de dag van voldoening, alsmede de som van ƒ 2.500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der voldoening met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2 Royal c.s. stelt daartoe het volgende.

Op 13 maart 1998 heeft [gedaagde] tijdens een bezoek aan de TEFAF een Monstransklok uit 1630 omgestoten, die opgesteld stond in de stand van [eiseres sub 3]. Hierdoor is een schade ontstaan van in totaal ƒ 150.000, -- (voor onder meer waardevermindering en reparatiekosten), te vermeerderen met expertisekosten ad ƒ 5.463,75, in totaal derhalve ƒ 155.463,75.

[gedaagde] is aansprakelijk voor deze schade, omdat hij, meters achteruit lopend, de klok heeft omgestoten. Deze onzorgvuldige gedraging kan hem worden toegerekend.

3.3 [eiseres sub 2] (eiseres sub 2) heeft de aan haar in eigendom toebehorende Monstransklok in consignatie gegeven aan [eiseres sub 3].

3.4 De schade is, ingevolge een overeenkomst van verzekering, onder aftrek van het eigen risico van ƒ 10.000,--, uitgekeerd door diverse verzekeraars. Door deze verzekeringsuitkering zijn deze verzekeraars tot op het uitgekeerde bedrag getreden in de rechten die [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ter zake van deze schade tegen derden, waaronder [gedaagde], geldend kan maken.

3.5 Royal heeft zowel van de verzekeraars last en volmacht om de vordering tot vergoeding van het gehele schadebedrag in eigen naam tegen gedaagde in te stellen en betaling in ontvangst te nemen. Royal heeft deze last en volmacht aanvaard. Voor wat betreft het eigen risico van ƒ 10.000,-- hebben [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] aan Royal last en volmacht gegeven om de vordering op eigen naam tegen gedaagde in te stellen ter incasso en nadere verrekening. Aan Royal komt derhalve de hele vordering toe. Subsidiair wordt de vordering ingesteld door [eiseres sub 2] en meer subsidiair door [eiseres sub 3].

3.6 Royal vordert voorts ter vaststelling van aansprakelijkheid en/of ter verkrijging van voldoening buiten rechte advocaatkosten van ƒ 2.500,--.

4. Verweer van [gedaagde]

4.1 [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring van Royal c.s. in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van Royal c.s. in de kosten van dit geding.

4.2 [gedaagde] voert daartoe het volgende verweer. [gedaagde] erkent dat hij op 13 maart 1998 op de TEFAF een bezoek heeft gebracht aan de stand van [eiseres sub 3] en dat hij daarbij ongelukkigerwijs tegen een houten pilaar met daarop een Monstransklok is aangelopen. [gedaagde] ontkent onrechtmatig te hebben gehandeld alsmede dat hij aansprakelijk is voor de schade.

4.3 Al kijkend naar een ± 2.25 meter hoog staand Amsterdams horloge deed [gedaagde] een paar stappen achteruit. Bij de tweede/derde pas liep hij tegen een houten pilaartje aan waarop de Monstransklok stond opgesteld. De pilaar begon te wankelen als gevolg waarvan de klok op de grond viel en beschadigd werd.

4.4 Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, doordat [gedaagde] na twee á drie stappen tegen een pilaar met klok opliep, waarbij [gedaagde] er niet op hoefde te rekenen dat een dergelijke dure klok zo maar kon omvallen.

4.5 Subsidiair beroept [gedaagde] zich op eigen schuld van Royal c.s. in de zin van artikel 6:101 BW. De eigenaresse dan wel de standhouder had zorg dienen te dragen voor een betere beveiliging en plaatsing van het kostbare object. De pilaar en klok waren kennelijk onvoldoende stevig opgesteld of onvoldoende stevig verankerd om de lichte aanraking van [gedaagde] te kunnen dragen. Op eenvoudige wijze had Royal c.s. veiligheidsmaatregelen kunnen nemen.

4.6 Meer subsidiair stelt [gedaagde] dat de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW ertoe dient te lijden dat de schade voor eigen rekening van eisers blijft.

4.7 Gelet op de in het geding gebrachte stukken stelt [gedaagde] dat [eiseres sub 3] alle rechten en vorderingen die zij terzake van schade geldend kon maken aan Royal heeft overgedragen. [eiseres sub 3] hebben derhalve geen vordering meer. Ook [eiseres sub 2] heeft geen vordering meer. Derhalve dienen [eiseres sub 3] en [eiseres sub 2] niet ontvankelijk verklaard te worden in hun vordering.

4.8 De vordering terzake van expertisekosten ad ƒ 5.463,85 dient te worden afgewezen; ook de vordering terzake van buitengerechtelijke kosten ad ƒ 2.500,-- dient te worden afgewezen, nu slecht één sommatiebrief van de advocaat van Royal c.s. d.d. 15 april 1999 is ontvangen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of [gedaagde] zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hij daardoor in beginsel aansprakelijk is voor de door Royal c.s. gestelde schade. Zoals onder 2.1 is weergegeven staat vast dat door toedoen van [gedaagde] de Monstransklok beschadigd is geraakt. [gedaagde] botste, achteruit lopend, tegen een pilaar waarop zich de Monstransklok bevond, waardoor de Monstransklok viel en beschadigd raakte.

5.2 Bij tussenvonnis van 26 oktober 2000 heeft de rechtbank als bewijsopdracht geformuleerd dat eisers feiten en omstandigheden dienen te bewijzen, waaruit valt af te leiden dat gedaagde bij het zonder omkijken achteruitlopen in de gegeven omstandigheden een zodanig groot risicio heeft genomen dat hij er op bedacht had moeten zijn dat de klok zou beschadigen. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft Royal c.s. de heer [getuige 1], mw. [getuige 2] en de heer [getuige 3], doen horen. In contra-enquête heeft [gedaagde] zichzelf, de heer [getuige 4] en mw. [getuige 5] doen horen.

5.3 Uit de verklaringen blijkt dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] het voorval niet hebben zien gebeuren. Getuige [getuige 2] en de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben het voorval wel zien gebeuren. Hun verklaringen zijn eensluidend op het punt dat [gedaagde] achteruit lopend zonder om te kijken, tegen de pilaar met de Monstransklok is gebotst. De verklaringen van de getuigen verschillen als het gaat om de vraag vanuit welke positie [gedaagde] is begonnen met achteruitlopen en hoeveel stappen hij precies heeft gezet voordat hij met de Monstransklok in aanraking kwam.

5.4 Het antwoord op de vraag of een veroorzaker van schade aansprakelijk is, hangt mede af van een onderzoek naar de mate van zorgvuldigheid die mocht worden verlangd in de specifieke situatie waarin de schade is ontstaan. Onzorgvuldigheid kan worden aangenomen wanneer een bezoeker van een stand van de TEFAF zich schuldig maakt aan een gevaarlijke gedraging waaruit een gevaar voor de tentoongestelde zaken ontstaat en waarop de standhouder niet bedacht hoefde te zijn, en waarvan de bezoeker zich dientengevolge had dienen te onthouden, dan wel waarvan de mate van waarschijnlijkheid dat daaruit schade zal ontstaan, zodanig groot is dat daardoor het niet-nalaten daarvan als onzorgvuldig kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde], door tijdens een kunst- en antiekbeurs achterwaarts te lopen zonder om te kijken in een stand waarin kostbaarheden zijn uitgestald, zoals is komen vast te staan uit de getuigenverklaringen, een zodanig groot risico genomen dat hierdoor schade zou ontstaan, dat de verwezenlijking van dit risico aan hem dient te worden toegerekend. Hierbij kan in het midden blijven vanuit welke positie hij achterwaarts is gaan lopen en hoeveel stappen hij exact heeft gezet voordat hij met de Monstransklok in aanraking kwam. [gedaagde] had er rekening mee moeten houden dat er in de stand kostbaarheden waren opgesteld en dat hij daarmee, achterwaarts lopend zonder om te kijken, in botsing zou kunnen komen. Voorts had hij er rekening mee moeten houden dat de botsing met een kunst- of antiekvoorwerp met een grote mate van waarschijnlijkheid schade tot gevolg heeft. Aldus moet geoordeeld worden dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Royal c.s. heeft gehandeld en dat hij in beginsel aansprakelijk is voor de daaruit voor Royal c.s. voortvloeiende schade.

5.5 De rechtbank ziet echter aanleiding tot het verminderen van de vergoedingsplicht van [gedaagde], nu zij van oordeel is dat er sprake is van omstandigheden waardoor de schade is ontstaan, die aan Royal c.s. toegerekend kunnen worden. Uit de verklaring van [Al.] ter comparitie is - niet weersproken - gebleken dat de Monstransklok niet bevestigd was aan de pilaar omdat dat ook niet mogelijk was met zo een klassiek stuk. Wel was de pilaar verzwaard met twee gewichten (zandzakken) van elk zeven kilo. De rechtbank is van oordeel dat uit het feit dat de klok niet bevestigd was aan de zuil, en dat kennelijk ook niet mogelijk was, dient te worden afgeleid dat de inrichters van de stand een andere positie voor de klok hadden dienen te kiezen, teneinde het gevaar voor omlopen of omstoten van de losstaande Monstransklok zoveel mogelijk te beperken. Geen enkele getuige heeft aangegeven dat [gedaagde] ruw of hard tegen de pilaar zou zijn aangelopen. Kennelijk was dus al een lichte aanraking voldoende om de klok te doen vallen. Gelet op de opstelling in het midden van de ingang van de stand, en gelet op het feit dat het gaat om een zeer kostbare klok, had het op de weg van Royal c.s. gelegen zodanige voorzorgsmaatregelen tegen beschadiging van de Monstransklok te nemen, dan een enkele lichte aanraking van de zuil niet een schade als gevolg had als thans in het geding is. Hieraan doet niet af dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben verklaard dat de Monstransklok zo'n 5 tot 6 keer eerder is tentoongesteld op beurzen, waarbij de klok ook altijd op een prominente plaats stond, zonder dat daarbij iemand ooit tegen de Monstransklok is aangelopen of er anderszins een risicovolle situatie ontstond en dat beide getuigen hebben verklaard dat de Monstransklok op een veilige plek stond.

5.6 Gelet op deze omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding te oordelen dat de ontstane schade ingevolge artikel 6:101 BW over beide partijen verdeeld dient te worden. Nu de door [gedaagde] gemaakte fout beduidend ernstiger is dan hetgeen aan Royal c.s. kan worden toegerekend, stelt de rechtbank de verdeling van de schade over partijen vast in de verhouding 25% - 75% ten nadele van [gedaagde]. Over het schadebedrag aan de klok ad ƒ 150.000,-- bestaat tussen partijen geen verschil van mening, zodat de rechtbank op de volgende verdeling uit komt. Voor rekening van [gedaagde] komt een bedrag van ƒ 112.500,-- (€ 51.050,27)¸ en voor rekening van Royal c.s. een bedrag van ƒ 37.500,-- (€ 17.016,76).

5.7 Royal c.s. heeft een bedrag ad ƒ 5.463,85 aan expertisekosten gevorderd. [gedaagde] heeft dit bedrag betwist en Royal c.s. uitgenodigd zich hierover nader uit te laten. Nu elke onderbouwing van dit bedrag is uitgebleven, dient deze vordering te worden afgewezen.

5.8 Voorts heeft Royal c.s. een bedrag ad ƒ 2.500,-- aan buitengerechtelijke (incasso)kosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Royal c.s. heeft wel gesteld dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, maar nagelaten is een omschrijving te geven van de verrichtingen. [gedaagde] heeft gesteld dat (slechts) één sommatiebrief van de advocaat van Royal c.s. ontvangen is.

Derhalve dient er van te worden uitgegaan, dat vóór de aanvang van het geding geen andere of meer kosten zijn gemaakt dan die welke ter voorbereiding van een geding in het algemeen redelijk en noodzakelijk zijn. Die kosten moeten worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 56 en 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

5.9 Partijen verschillen niet van mening dat [eiseres sub 3] en [eiseres sub 2] alle rechten en vorderingen ter zake aan Royal hebben overgedragen. Hen komt derhalve geen vorderingsrecht meer toe. Hun vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.10 [gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

verklaart eisers sub 2 en sub 3 niet-ontvankelijk in hun vordering;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Royal tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 51.050,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 1998;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Royal, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 1.365,88 aan griffierechten,

€ 44,72 aan explootkosten, en

€ 3.084,00 aan salaris ten behoeve van de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en op de openbare civiele terechtzitting van 16 mei 2002 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: JMED