Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AE1009

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-03-2002
Datum publicatie
03-04-2002
Zaaknummer
43862 / HA ZA 01 - 282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 43862 / HA ZA 01-282

Uitspraak: 21 maart 2002.

V O N N I S

I N H O G E R B E R O E P

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

appellant:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen;

tegen:

geïntimeerde:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN OG'S CONFECTIE-INDUSTRIE,

gevestigd te 5961 TS Horst, Doolgaardstraat 8,

procureur mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

Partijen worden aangeduid als:

appellant : [appellant];

geïntimeerde: Van Og.

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de processtukken van eerste aanleg;

- het vonnis van de kantonrechter te Venlo, op 17 januari 2001 gewezen in de procedure tussen [appellant], thans appellant, en Van Og, thans geïntimeerde;

- de dagvaarding in hoger beroep van 7 maart 2001 waarbij [appellant] tijdig in hoger beroep is gekomen tegen voormeld vonnis;

- de memorie van grieven met bijlagen, waarbij [appellant] drie grieven heeft opgeworpen;

- de memorie van antwoord waarbij Van Og de grieven heeft bestreden;

- de pleitnota van mr. E.E. Verkade;

- de pleitnota van mr. S.O. Voogt.

De inhoud van deze stukken geldt hier als herhaald en ingelast.

2. De procedure in eerste aanleg

De rechtbank verwijst hiervoor naar de overgelegde processtukken van eerste aanleg.

3. Procedure in hoger beroep

[appellant] heeft de navolgende - kort samengevatte - grieven, voorzien van een toelichting, tegen het vonnis van de kantonrechter gericht.

I. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat de bescherming van de CAO niet verder strekt dan de aldus geformuleerde minimum-garanties, hetgeen inhoudt dat de werknemers die boven-CAO afspraken maken in beginsel die bescherming niet genieten.

II. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat met "verdiende salarissen" enig ander salarisbegrip dan het in de CAO gegarandeerde minimumsalaris zou zijn bedoeld.

III. a. De kantonrechter heeft ten onrechte ten nadele van [appellant] overwogen

dat tussen partijen nooit afspraken zijn gemaakt over de indexering op grond van de CAO.

b. De kantonrechter heeft ten onrechte ten nadele van [appellant] overwogen dat [appellant]'s variabele salaris is aangepast te zijnen gunste waarbij gesteld noch gebleken is dat deze aanpassing was gerelateerd aan een door [appellant] gewenste indexering conform de CAO.

c. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat het op de weg van [appellant] had gelegen om, ingeval van onvrede over zijn (vaste) salaris, in een veel eerder stadium hierover met zijn werkgever in onderhandeling te treden en, bij het uitblijven van het gewenste resultaat daarvan, hiertegen de geëigende maatregelen te nemen en voorts, dat [appellant], door dit na te laten, zich thans jegens zijn (voormalige) werkgever in een positie heeft gebracht die op gespannen voet staat met de eisen van redelijkheid en billijkheid die [appellant] jegens Van Og in acht dient te nemen.

Bij memorie van antwoord heeft Van Og de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis van de kantonrechter te Venlo van 17 januari 2001, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure.

4. Beoordeling van het geschil

Naar het oordeel van de rechtbank hangen de eerste en tweede grief van [appellant] nauw met elkaar samen en richten deze grieven zich tegen de uitleg die de kantonrechter, mede in het licht van de strekking van de CAO-bepalingen, heeft gegeven aan het begrip "verdiende salarissen". De rechtbank zal deze grieven in het navolgende dan ook gezamenlijk bespreken.

Strekking CAO-bepalingen

De rechtbank is van oordeel dat een Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) in beginsel de strekking heeft van een minimum garantie met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. In dit licht dient ook artikel 12 van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst bezien te worden. In dit artikel wordt bepaald dat een beding tussen een werkgever en een werknemer dat strijdig is met een CAO waaraan beiden gebonden zijn, nietig is. De vraag echter of artikel 12 van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst ook inhoudt dat bedingen die ten gunste van de werknemer afwijken van de CAO door nietigheid worden getroffen, wordt in de rechtspraak steeds ontkennend beantwoord. Afwijken ten gunste van de werknemer is dus mogelijk. Zulks is evenwel niet mogelijk als de CAO, of de betreffende CAO-bepaling een maximum- of een standaardregeling betreft.

In de onderhavige zaak staat tussen partijen onweersproken vast dat op de arbeidsovereenkomst, zoals die heeft bestaan tussen partijen, de CAO voor de Confectie-Industrie van toepassing is. Tevens staat tussen partijen onweersproken vast dat deze CAO een zogenaamde minimum-CAO is. De bepalingen in de CAO omtrent de salarissen zijn dan ook minimum garanties hetgeen betekent dat afwijking van deze bepalingen ten gunste van de werknemer mogelijk is. De rechtbank is van oordeel, dat ingeval een werknemer een dergelijke "boven-CAO-afspraak" maakt met zijn werkgever in beginsel de bescherming van de minimum garanties ten aanzien van het (de afspraak) betreffende onderdeel van de CAO niet geniet.

Voor de beantwoording van de vraag of een tussen werkgever en werknemer gemaakte afspraak strijdig is met de CAO-bepalingen, dient elk beding afzonderlijk te worden bekeken. Anders dan Van Og is de rechtbank van oordeel dat "salaris" en "prijscompensatie" twee afzonderlijk te onderscheiden aspecten zijn. Niet alleen worden beide onderdelen afzonderlijk genoemd in de CAO-bepalingen, belangrijker acht de rechtbank dat de beide aspecten naar hun aard verschillend zijn. Salaris, oftewel loon is een vergoeding waar de werknemer recht op heeft en waartegenover hij verplicht is zekere arbeid te verrichten voor de werkgever. Prijscompensatie daarentegen wordt weliswaar berekend over het loon, en (veelal) ook gelijktijdig met het loon voldaan, doch is geen rechtstreekse vergoeding voor de door de werknemer verrichtte arbeid, maar een tegemoetkoming voor het verlies van koopkracht, veroorzaakt door bijvoorbeeld inflatie.

In de onderhavige zaak staat tussen partijen onweersproken vast dat [appellant] (vrijwel) steeds een salaris ontving dat boven het CAO-loon lag. Het salaris van [appellant] bestond uit de componenten vast loon en provisie. Prijscompensatie is door Van Og gedurende het hele dienstverband niet toegepast. De stelling van Van Og dat prijscompensatie ook niet toegepast hoefde te worden omdat het door [appellant] ontvangen salaris boven het CAO-loon lag, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank is van oordeel dat "pakketvergelijking" van deze twee afzonderlijke aspecten niet mag plaatsvinden omdat hiermee aan de strekking van de CAO, het garanderen van een bepaald minimumniveau aan arbeidsvoorwaarden, voorbij wordt gegaan. Immers, ingeval het toegestaan zou zijn om in het ene geval ten nadele van de werknemer en in het andere geval ten voordele van de werknemer van de CAO af te wijken, zolang de eindbalans maar positief is, onstaat hoe dan ook een situatie waarin wordt teruggekomen op het principiële uitgangspunt dat de CAO een bepaald minimum garandeert.

Een afspraak als de onderhavige (geen prijscompensatie, maar wel boven-CAO-loon) zou er bovendien toe kunnen leiden dat deze afspraak de ene maand wel en de andere maand niet als geldig zou moeten worden aangemerkt, afhankelijk van de gegenereerde provisie. Zulks strookt uiteraard niet met de eisen van rechtszekerheid.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de omstandigheid dat [appellant] een salaris verdiende dat boven de CAO-salarissen uitstijgt, in het algemeen geen rechtvaardiging vormt voor het niet toepassen van prijscompensatie.

Verdiende salarissen

De hoogte van het salaris van [appellant] vormt evenwel niet het enige aspect dat van doorslaggevende betekenis is voor de beantwoording van de vraag of Van Og prijscompensatie had dienen toe te passen.

Immers, de betreffende bepalingen in de CAO, spreken telkens (in de opvolgende CAO-perioden) over prijscompensatie welke toegepast dient te worden op de salaristabel en de verdiende salarissen. In de CAO met looptijd 1 april 1998 tot 1 juli 2000 is zulks te lezen in artikel 23 lid 8, in de voorgaande CAO's in artikel 5 lid 7.

De vraag die derhalve nog beantwoording behoeft is welke uitleg gegeven dient te worden aan "verdiende salarissen". Met de kantonrechter is Van Og van mening dat met het begrip "verdiende salarissen" niets anders bedoeld kan zijn dat het in de CAO gegarandeerde minimumsalaris. [appellant] daarentegen is van mening dat met het begrip "verdiende salarissen" die salarissen bedoeld worden die niet vermeld staan in de CAO, derhalve de werkelijk verdiende (boven-CAO-) salarissen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit punt als volgt. Voor de uitleg van de bepalingen van een CAO zijn de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Zoals eerder overwogen is de onderhavige CAO een minimum-CAO. Zulks blijkt onder meer uit artikel 23 lid 3 en lid 4 van de CAO met looptijd 1 april 1998 tot 1 juli 2000 (voorheen artikel 5 lid 3 en 4). In lid 3 wordt - kort gezegd - bepaald dat een werkgever tenminste een salaris dient te betalen dat gelijk is aan het CAO-salaris, behorende bij de functiegroep en met inachtneming van de leeftijd van de werknemer en het aantal functiejaren. In lid 4 wordt bepaald dat werknemers die een functie vervullen die niet is omschreven in de CAO, recht hebben op ten minste een salaris dat vergelijkbaar is met een genoemd CAO-salaris in een in zwaarte vergelijkbare functie.

De CAO-bepalingen laten derhalve expliciet en in duidelijke bewoordingen ruimte voor de werkgever en werknemer om een salaris overeen te komen dat (ten gunste van de werknemer) afwijkt van de CAO-salarissen. In dit licht bezien kan niet anders worden geconcludeerd dat met verdiende salarissen niet alleen de minimum CAO-salarissen bedoeld worden, maar óók die salarissen die afwijken van de minimum CAO-salarissen.

Het vorengaande vindt eveneens steun in de tweede volzin van artikel 23 lid 8, waarin een regeling omtrent arbeidsduurverkorting is opgenomen. Ook hier wordt gesproken over "tabel" (bedoeld wordt de salaristabel) en "verdiende salarissen". Nu arbeidsduurverkorting voor alle werknemers van toepassing is, zullen alle (uur)salarissen met het genoemde percentage van 2,7% verhoogd dienen te worden, ook de boven-CAO-salarissen, zodat ook in dit kader de rechtbank niet anders kan concluderen dan dat met "verdiende salarissen" niet alleen de minimum CAO-salarissen bedoeld worden, maar óók die salarissen die afwijken van de minimum CAO-salarissen.

De rechtbank merkt voorts op dat een andere uitleg van het begrip "verdiende salarissen" haar overigens onredelijk voorkomt. Zoals in het vorengaande reeds overwogen is het doel van prijscompensatie het compenseren van koopkrachtverlies. Hoewel in een individueel geval de exacte omvang van koopkrachtverlies afhankelijk kan zijn van meerdere, deels persoonsgebonden omstandigheden, zal een bepaalde mate van koopkrachtverlies steeds alle werknemers treffen. Het komt de rechtbank onredelijk voor indien alleen die werknemers die een minimum CAO-salaris verdienen gecompenseerd zouden worden voor dit - alle werknemers treffende - koopkrachtverlies.

De eerste en de tweede grief treffen doel. De rechtbank zal derhalve het vonnis van de kantonrechter vernietigen.

Toepassing prijscompensatie

Nu vast staat dat [appellant] recht heeft op prijscompensatie dient nog beoordeeld te worden of deze prijscompensatie over het gehele salaris, dan wel alleen over de vaste component berekend dient te worden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste, berekening over de vaste component, het geval dient te zijn en overweegt daartoe als volgt. Onder het begrip "loon" in de zin van het Burgerlijk Wetboek moet in zijn algemeenheid worden begrepen datgene wat als bedongen tegenprestatie voor de arbeid door de werkgever aan de werknemer verschuldigd is of zal zijn. Hieronder valt ook bedongen provisie. Voor de vraag wat de (gemiddelde) hoogte is van het door [appellant] verdiende salaris hebben partijen derhalve op goede gronden zowel de vaste component als de provisie in hun berekening betrokken.

Voor de vraag waarover de prijscompensatie berekend dient te worden dient naar het oordeel van de rechtbank niet te worden uitgegaan van dit loonbegrip. Het salaris van [appellant] heeft bestaan uit een vaste component en een variabele component. De variabele component, provisie, is daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van de door [appellant] te verrichten arbeid te weten de door [appellant] gegenereerde omzet. De vaste component vormt het basisinkomen waar [appellant] te allen tijde recht op had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de prijscompensatie uitsluitend over de vaste component van het salaris van [appellant] berekend dient te worden.

Van Og heeft ten aanzien van de door [appellant] in het geding gebrachte berekening gesteld dat [appellant] ten onrechte reeds vanaf 1 augustus 1991 (datum indiensttreding) de verhogingen heeft toegepast op zijn salaris. De rechtbank overweegt te dien aanzien dat vast staat dat [appellant] met ingang van 1 augustus 1991 in dienst is getreden bij Van Og en dat zijn salaris vanaf die datum steeds heeft bestaan uit een vaste en een variabele component. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, had Van Og de procentuele verhogingen in verband met de prijscompensatie reeds vanaf 1 augustus 1991 moeten toepassen. Dat de aanspraak op achterstallig salaris van [appellant] inmiddels voor een deel is verjaard, om welke reden [appellant] achterstallig salaris vordert vanaf 21 april 1994, doet daaraan niet af. Nu Van Og de vordering van [appellant] voor het overige niet heeft betwist, zal de rechtbank de (subsidiaire) vordering van [appellant] tot een bruto bedrag van f 48.112,95, zijnde € 21.832,70 toewijzen.

Wettelijke verhoging

[appellant] heeft over het achtersallige salaris de wettelijke verhoging wegens vertraging als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek gevorderd. De wettelijke verhoging is door de werkgever verschuldigd als het aan hem is toe te rekenen dat het in geld vastgesteld loon later wordt betaald dan drie dagen na de betalingsdag die door de artikelen 7:623 en 7:624 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangegeven. De strekking van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek is geen andere dan de aanspraak van de werknemer op stipte loonbetaling. De in het artikel genoemde vergoeding wegens te late betaling is naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet zozeer bedoeld als een vertragingsvergoeding, maar veeleer als een prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen. In dit licht bezien acht de rechtbank het van belang dat het niet betalen van de prijscompensatie door Van Og niet uitsluitend onwil is geweest, maar veel meer het gevolg is geweest van een geschil tussen partijen omtrent de uitleg van de CAO-bepalingen, een geschil dat zelfs niet door de Vakraad beslecht is kunnen worden. Gelet hierop acht de rechtbank termen aanwezig om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.

Van Og zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Venlo, op 17 januari 2001 gewezen, met zaaknummer 66758/CV/00-1031 en doet opnieuw recht;

veroordeelt Van Og om aan [appellant], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen de som van € 21.832,70 (EENENTWINGTIGDUIZEND ACHTHONDERD TWEEËNDERTIG EURO EN ZEVENTIG CENT), ter zake achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 1999 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Van Og in de proceskosten in hoger beroep van [appellant], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op € 2.903,71, bestaande uit € 48,74 explootkosten en € 650,= aan salaris procureur in eerste aanleg en € 685,21 aan griffierechten, € 22,76 aan explootkosten en € 1.497,= aan salaris procureur in hoger beroep;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.H. Smits, H.H. Dethmers en E.P.J. Rutten en op de openbare civiele terechtzitting van 21 maart 2002 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: ER