Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AD9821

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
07-03-2002
Zaaknummer
42452 / HA ZA 01 - 33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 7 maart 2002

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eisers:

1. [eiser],

wonende te [woonplaats], [adres],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

advocaat mr. G.A. van der Veen;

tegen:

gedaagde:

De publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE HELDEN,

zetelende te 5981 CC Panningen, Wilhelminaplein 1,

procureur mr. W.M.J. Weijers;

advocaat mr. R. Keuken.

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

-de conclusie van eis met 8 bijlagen;

-de conclusie van antwoord met 2 bijlagen;

-de conclusie van repliek met 14 bijlagen;

-de conclusie van dupliek met 2 bijlagen;

-de pleitnotities die door eisers en gedaagde zijn overgelegd ter gelegenheid van het

pleidooi dat op 20 november 2001 heeft plaatsgevonden.

2. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

-Eisers exploiteren aan de [adres] te [woonplaats] een varkenshouderij.

-Op 11 september 1989 is door gedaagde aan eisers een revisievergunning verleend

op grond van de toen van toepassing zijnde Hinderwet. Deze revisievergunning

geeft recht op 494 zogeheten mestvarkeneenheden, welke corresponderen met een

stankcirkel van het bedrijf van 180 meter.

-Op 14 juni 1996 hebben eisers bij het college van burgemeester en wethouders van

gedaagde een aanvraag ingediend voor een nieuwe revisievergunning op basis van

de Wet milieubeheer. Op basis van het toen geldende gemeentelijke ammoniak-

reductieplan en door toepassing van zogenaamde Groen-Labeltechniek, verzochten

eisers om meer dieren te mogen houden.

-Bij besluit van 29 juli 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders de

gevraagde milieuvergunning gedeeltelijk verleend, aangezien het college van me-

ning was dat het bedrijf over een wezenlijk geringere stankcirkel beschikte dan vol-

gens de aanvraag uit de vergunning van 11 september 1989 voortvloeide.

-Bij uitspraak van 22 oktober 1999 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State de gedeeltelijke weigering van de vergunning vernietigd, met als

motivering dat door gedaagde een onjuiste interpretatie was gegeven aan de

reikwijdte van de vergunning uit 1989.

-Naar aanleiding van deze vernietiging is op 11 januari 2000 aan eiseres een nieuwe

revisievergunning verleend. Deze nieuwe vergunning betekende toch nog een ge-

deeltelijke weigering van het aangevraagde, omdat volgens gedaagde een toename

van de ammoniakemissie en -depositie niet was toegestaan vanwege het op dat mo-

ment ontbreken van een ammoniakreductieplan.

-Bij uitspraak van 11 oktober 2000 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de

Raad van State het besluit van gedaagde van 11 januari 2000 vernietigd. De reden

voor deze vernietiging was gelegen in het feit dat gedaagde bij de bepaling van de

bestaande ammoniakrechten van eisers ten onrechte de emissiefactor 2,5 in plaats

van de emissiefactor 3 had toegekend.

-Op 13 oktober 2000 hebben eisers de aanvraag van 14 juni 1996 betreffende een

nieuwe revisievergunning ingetrokken.

3. Stellingen en vorderingen van eisers

Ten gevolge van de stelselmatige onjuiste vergunningverlening door gedaagde, welke geleid heeft tot een tweetal opeenvolgende vernietigingen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, hebben eisers hun bedrijf ten onrechte niet kunnen uitbreiden. Thans is realisatie van het destijds aangevraagde door gewij-zigde regelgeving illusoir geworden.Voor de onjuiste interpretatie van de eerdere verleende vergunning d.d. 11 september 1989 is gedaagde uit hoofde van onrecht-matige daad aansprakelijk. De schade die eisers dientengevolge lijden en die kort gezegd bestaat uit het structurele verlies van 418 zeugen en verlies door gemiste schaalgrootte, wordt begroot op circa 3,2 miljoen gulden.

Eiseres vorderen dan ook dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal veroordelen om aan eisers te voldoen:

1. circa 3,2 miljoen gulden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het

moment waarop gedaagde een juist besluit op de aanvraag had moeten nemen

tot aan de dag der algehele voldoening;

2. de kosten die eisers hebben moeten maken ten behoeve van deskundige bijstand

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 1999 tot aan de dag

der algehele voldoening;

3. de kosten die eiseres buiten rechte hebben moeten maken om hun vordering op

gedaagde te incasseren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het mo-

ment van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. de proceskosten van dit geding.

4. Verweer van gedaagde

Gedaagde erkent dat zij onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld, door een onjuiste interpretatie te geven aan de reikwijdte van de revisievergunning van eisers van 11 september 1989 en door een onjuiste emissiefactor toe te passen, welke onrechtmatigheid haar kan worden toegerekend.

Eisers hebben echter geen enkele poging ondernomen om de door hen gepreten-deerde schade te beperken. Zo hebben eisers de mogelijkheid om door middel van een voorlopige voorziening reeds een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te vragen bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onbenut gelaten. Het niet aanwenden van deze spoedvoorziening past niet in het beeld van ondernemers die op korte termijn een bedrijfsuitbreiding willen realiseren. Voorts hebben eisers, zowel na de afgifte van de eerste milieuvergunning op 29 juli 1997 als na afgifte van de tweede milieuvergunning op 11 januari 2000, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid het wel vergunde deel het door hen aangevraagde alvast te rea-liseren.Tenslotte hebben eisers iedere mogelijkheid om de schade te beperken op eigen initiatief ontnomen door direct na de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State van 10 oktober 2000 de aanvraag ten behoeve van een revisievergunning in te trekken. Hierdoor is het niet meer mogelijk om indachtig voornoemde uitspraak alsnog op juiste gronden een milieuvergunning af te geven.

De hoogte van de door eisers gepretendeerde schade wordt door gedaagde betwist. De door eisers als bijlage 13 bij de conclusie van repliek overgelegde schadebere-kening staat geheel buiten de werkelijkheid. Eisers zijn in deze schadeberekening uitgegaan van een groot aantal aannames. Ernstig betwijfeld wordt of de door eisers

beoogde uitbreiding wel realistisch was, zowel met betrekking tot de financierbaar-heid als met betrekking tot het economisch rendement. Gedaagde stelt zich dan ook op het standpunt om, conform de berekening van de door gedaagde ingeschakelde deskundige, eisers een schade te vergoeden van f. 65.000,--.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Het onrechtmatig handelen door gedaagde

In de conclusie van antwoord heeft gedaagde reeds feitelijk erkend dat zij tot twee-maal toe door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is gecorri-geerd in het kader van de milieuvergunningverlening aan eisers. Bij dupliek heeft gedaagde uitdrukkelijk erkend dat zij door een onjuiste interpretatie te geven aan de reikwijdte van de revisievergunning van 11 september 1989 en door het hanteren van een onjuiste omrekeningsfactor tot tweemaal toe onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld, welke onrechtmatigheid haar toegerekend kan worden. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank reeds na de eerste conclusiewisseling vast dat er

door gedaagde twee fouten zijn gemaakt die gekwalificeerd kunnen worden als onrechtmatig handelen jegens eisers. Desondanks heeft de raadsman van eisers tijdens het pleidooi gemeend, door uitgebreid te verwijzen naar de toepasselijke jurisprudentie, de rechtbank nog te moeten overtuigen van de onrechtmatigheid van gedaagdes handelen.

5.2 De schadebeperkingsplicht van eisers

Hoewel gedaagde erkent dat haar handelwijze juridisch te kwalificeren is als onrecht-matig handelen en zij in beginsel aansprakelijk is voor de door eisers geleden scha-de, verweert zij zich door te stellen dat eisers de schade hadden kunnen beperken. Ten eerste hebben eisers de mogelijkheid om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te vragen bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak onbenut gelaten. Ten tweede hebben eisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid het wel vergunde deel van het door hen aangevraagde alvast te realiseren en ten derde wordt eisers verweten dat zij de aanvraag om een milieuvergunning hebben ingetrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank komt gedaagde op grond van voornoemde rede-

nen in deze zaak geen beroep op schending van de schadebeperkingsplicht toe. Zo-

als eisers redelijkerwijs mochten veronderstellen zou een voorlopig rechtmatigheids-oordeel door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak geen wijziging heb-ben gebracht in het standpunt van gedaagde. Gedaagde verkeerde immers in de volle overtuiging dat er sprake was van een juiste besluitvorming. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor de hand dat een voorlopig oordeel, tijdens een lopende beroepsprocedure, bij gedaagde tot het inzicht zou hebben geleid dat er sprake diende te zijn van wijziging van de reeds genomen besluiten. Dat eisers alvast hadden moeten gaan bouwen op basis van een milieuvergunning, waartegen notabene nog beroep loopt, kan naar het oordeel van de rechtbank in het kader van een schadebeperkingsplicht niet gevergd worden. Bouwen op grond van een rechtens aantastbare milieuvergunning brengt immers het risico met zich mee dat, indien de milieuvergunning niet onaantastbaar wordt, de bouw ongedaan moet worden gemaakt en de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van eisers komt. Het verweer van gedaagde tenslotte dat eisers de aanvraag om een milieuvergun-ning kort na de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 10 oktober 2000 hebben ingetrokken, waardoor het voor gedaagde onmo-gelijk werd om opnieuw te beschikken, treft naar het oordeel van de rechtbank ook geen doel. Door de aanvraag begin oktober 2000 in te trekken hebben eisers juist schadebeperkend gehandeld. Zou gedaagde immers op dat moment een nieuw besluit op de aanvraag hebben genomen dan zou er, vanwege het ontbreken van een geldend ammoniakreductieplan, verdere aantasting van de rechten van eisers hebben plaatsgevonden en zou de beoogde bedrijfsuitbreiding waarschijnlijk illusoir geworden zijn. Door de aanvraag in te trekken en te wachten met het indienen van een nieuwe aanvraag op het komende ammoniakreductieplan, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek voldaan aan hun schadebeperkingsplicht.

5.3 De schade

Hoewel eisers de onrechtmatigheid van gedaagdes handelen tot en met het pleidooi uitgebreid aan de orde hebben gesteld, hebben eisers in deze procedure nagelaten de door hen gevorderde schade te onderbouwen. Weliswaar worden door eisers gro-te hoeveelheden stukken overgelegd maar deze stukken worden niet nader toege-licht. In ieder geval is in de gedingstukken niet terug te vinden wat de betekenis is van de door eisers overgelegde stukken voor het onderhavige geschil en het is niet de taak van de rechtbank om dergelijke (ongesorteerde) stukken uit te zoeken, te rangschikken en op hun eventuele betekenis voor het geding te onderzoeken (Ge-meenschappelijk Hof van Justitie Nederlandse Antillen en Aruba 21 juni 1989, NJ 1992/41). Gedaagde daarentegen heeft de door eisers gevorderde schade gemoti-veerd betwist. In een bij de conclusie van dupliek overgelegd schaderapport, dat op

verzoek van gedaagde is opgemaakt, wordt de totale schade van eisers inclusief renteverlies vastgesteld op f. 65.000,--. Het voert te ver dat de rechtbank uit de tij-dens het pleidooi door eisers gedane weersprekingen van dit schaderapport a con-trario moet afleiden welke de uitgangspunten zijn die eisers aan hun vorderingen ten grondslag leggen. De rechtbank ziet dan ook geen andere grond dan toekenning van het schadebedrag zoals door gedaagde begroot, in huidige valuta een bedrag van € 29.495,71.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde om aan eisers te betalen een bedrag van € 29.495,71

(f. 65.000,--);

compenseert de proceskosten tussen partijen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorrraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.F.M. Schrickx, O.M. de Lange en F. Oelmeijer

en op de openbare civiele terechtzitting van 21 februari 2002 uitgesproken in aanwe-zigheid van de griffier.

type: mw