Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2002:AD8840

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
05-02-2002
Zaaknummer
43396 / HA ZA 01 - 199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 31 januari 2002.

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTTO UITZENDBUREAU B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Venlo,

procureur mr. P.J.W.M. Theunissen,

advocaat mr. G.J.P. Molkenboer,

tegen:

gedaagde:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats, adres,],

h.o.d.n. Taxi & Touringcar [gedaagde],

alsmede h.o.d.n. Eurosend Uitzendgroep B.V.,

procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

advocaat mr. M.J.M. Strijbosch.

Partijen worden aangeduid als:

eiseres: Otto;

gedaagde: [gedaagde].

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 15 februari 2001;

- de conclusie van eis met bijlagen;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- het vonnis van deze rechtbank van 17 mei 2001;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 juli 2001;

- de conclusie van repliek met bijlagen;

- de conclusie van dupliek met bijlagen;

- nadere conclusie tevens houdende akte vermeerdering van eis met bijlage;

- nadere antwoordconclusie.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

- In 2000 heeft [gedaagde] taxidiensten verricht voor Otto, daarnaast heeft [gedaagde] in 2000 gedurende enige tijd de vervoersplanning verzorgd voor Otto;

- In november 2000 stopt [gedaagde] zijn werkzaamheden bij Otto, de laatste factuur van [gedaagde] aan Otto dateert van 10 november 2000;

- Op 14 november 2000 wordt door [gedaagde] en drie medevennoten Eurosend Uitzendgroep BV i.o. opgericht;

- Otto en [gedaagde] zijn nimmer een concurrentie beperkend beding overeengekomen;

- Eurosend heeft contact gehad met voormalig werknemers van Otto;

- Otto heeft op 21 maart 2001 een klacht ingediend wegens laster door [gedaagde];

- Op 29 januari 2001 heeft Otto verlof tot beslaglegging gevraagd, welk verlof op 30 januari 2001 door de president is verleend.

3. Vordering en stellingen van Otto

Otto vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 82.581,94 (€ 37.474,05) vermeerderd met de wettelijke rente en de beslag- en proceskosten.

Otto stelt daartoe het volgende.

[gedaagde] heeft in 2000 taxidiensten uitgevoerd voor Otto en tevens gedurende enige tijd de vervoersplanning geregeld. Hiertoe heeft Otto [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfs- en werknemersinformatie doen toekomen. Begin november 2000 is er een einde gekomen aan de samenwerking tussen partijen. Vervolgens is [gedaagde] een eigen uitzendbureau begonnen: Eurosend Uitzendgroep BV. Vanaf half november 2000 constateerde Otto dat Eurosend bij herhaling haar klanten heeft benaderd en dat [gedaagde] -gebruikmakend van vertrouwelijke gegevens afkomstig van Otto- opdrachten van klanten van Otto heeft proberen te werven. Het onrechtmatig handelen blijkt temeer daar [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van diensten van voormalig werknemers van Otto, terwijl [gedaagde] wist dat zij een non-concurrentie-/geheimhoudingsbeding hadden getekend bij Otto. Daarnaast heeft [gedaagde] zich onrechtmatig gedragen door zich laatdunkend en krenkend uit te laten over Otto. Door de gedragingen van [gedaagde] heeft Otto schade geleden, onder andere doordat zij extra kosten heeft moeten maken, omzetverlies heeft geleden en tevens schade aan haar goede naam heeft geleden.

4. Verweer van [gedaagde]

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Otto in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

[gedaagde] voert daartoe het volgende verweer.

Naast taxidiensten heeft [gedaagde] in 2000 gedurende één maand gratis de vervoersplanning verzorgd, dit met het oog op een eventueel langdurige samenwerking met Otto. Toen de planning eenmaal op papier stond, besloot Otto het voortaan zelf te doen en is de samenwerking niet tot stand gekomen. Nadat de werkzaamheden bij Otto waren beëindigd, heeft [gedaagde] met drie medevennoten op 14 november 2000 Eurosend Uitzendgroep BV opgericht. [gedaagde] betwist dat zij heeft getracht -met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens- opdrachten van klanten van Otto te verkrijgen. [gedaagde] heeft van Otto nimmer een debiteuren- of relatiebestand ontvangen. Hij wist niet dat werknemers van Otto een non-concurrentie-/geheimhoudingsbeding hadden ondertekend. Ten aanzien van de laster stelt [gedaagde] dat hem woorden in de mond zijn gelegd. Als laatste stelt [gedaagde] dat de schadeclaim van Otto onvoldoende onderbouwd is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 De vraag die beantwoord dient te worden is of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen door [gedaagde] in de vorm van oneerlijke concurrentie. De rechtbank gaat ervan uit dat dit kan worden aangenomen indien komt vast te staan dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, welke hij heeft verkregen tijdens zijn werkzaamheden ten behoeve van Otto en vervolgens heeft gebruikt bij het benaderen van klanten van Otto.

5.2 Vooropgesteld dient te worden dat tussen partijen vast staat dat zij geen non-concurrentiebeding zijn overeengekomen. Derhalve stond het [gedaagde] vrij een uitzendbureau te starten, ook indien dit vervolgens opereert op dezelfde markt en met gebruikmaking van hetzelfde concept als het uitzendbureau van Otto.

5.3 Niet onrechtmatig acht de rechtbank het feit dat [gedaagde] lagere offertes heeft uitgebracht aan ondernemingen die tot de klantenkring van Otto behoren, nu vaststaat dat [gedaagde] niet aan een non-concurrentiebeding was gebonden en niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] ten opzichte van het bedrijf waarop de vordering betrekking heeft, Interpress, onware, misleidende, denigrerende of andere onrechtmatige mededelingen over Otto heeft gedaan.

5.4 De vraag is derhalve of [gedaagde] vertrouwelijk bedrijfsinformatie van Otto heeft verkregen, welke hij heeft kunnen gebruiken bij het benaderen van klanten van Otto. Otto heeft gesteld dat hij [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie heeft gegeven in verband met de vervoersplanning die [gedaagde] voor haar zou organiseren.

[gedaagde] betwist dit. Voor zover hij al bedrijfsinformatie heeft verkregen, is er geen sprake van vertrouwelijke informatie.

5.5 De rechtbank oordeelt als volgt. Er is sprake van vertrouwelijke informatie wanneer uit de aard van de gegevens duidelijk blijkt dat het dermate gevoelige bedrijfsinformatie betreft, bijvoorbeeld specifiek voor deze bedrijfsvoering, dat [gedaagde] had moeten begrijpen dat het in het maatschappelijk verkeer als onzorgvuldig wordt beschouwd hiervan gebruik te maken. Voorts is mogelijk dat partijen overeengekomen zijn dat de bedrijfsinformatie, welke [gedaagde] vanwege zijn werkzaamheden onder zich kreeg, vertrouwelijk was en dat hij als zodanig hiermee om diende te gaan.

5.6 Uit het door partijen gestelde blijkt niet dat zij zijn overeengekomen dat er sprake was van vertrouwelijke informatie, noch dat uit de aard van de gegevens viel af te leiden dat het in casu zodanig gevoelige bedrijfsinformatie betrof, dat deze als vertrouwelijk beschouwd diende te worden. Hierdoor is niet vast komen te staan dat er sprake was van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, welke op generlei wijze gebruikt mocht worden door [gedaagde].

5.7 Daarbij stelt Otto dat het onrechtmatige handelen temeer blijkt daar [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van voormalig werknemers van Otto, terwijl [gedaagde] op de hoogte was van het feit dat Otto met zijn werknemers een non-concurrentie /geheimhoudingsbeding was overeengekomen. [gedaagde] erkent contacten te hebben gehad met voormalig werknemers van Otto, echter hij betwist op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid van een dergelijk beding. Otto heeft vervolgens, anders dan op haar weg had gelegen, nagelaten haar stellingen nader te onderbouwen. De rechtbank zal de stelling van Otto dat [gedaagde] op de hoogte was van het bestaan van dit non-concurrentiebeding, derhalve als onvoldoende onderbouwd passeren.

5.8 Derhalve kan niet worden gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, in die zin dat er sprake is geweest van oneerlijke concurrentie.

5.9 Tevens heeft Otto gesteld schade te hebben geleden aan haar goede naam als gevolg van het feit dat [gedaagde] laster heeft gesproken tegen werknemers en opdrachtgevers van Otto. Dit wordt door [gedaagde] betwist.

Wat hier van zij, de rechtbank is van oordeel dat onvoldoende concreet feiten zijn gesteld waaruit valt af te leiden wat de schade is als gevolg van de laster en indien moet worden aangenomen dat de schade bestaat uit het ter comparitie gestelde hogere verloop van medewerkers en de daaruit voortkomende hogere wervings- en administratiekosten, als ook opgevoerd bij de eisvermeerdering, dat eveneens onvoldoende is gesteld waaruit het causale verband valt af te leiden tussen de laster en deze schade.

5.10 [gedaagde] heeft eveneens gemotiveerd betwist het door Otto opgevoerde bedrag aan schade geleden als gevolg van werkzaamheden uitgevoerd door Deloitte & Touche. De rechtbank stelt voorop dat het te rade gaan bij een dergelijk bedrijf een vrijwillige keuze is van Otto, waarbij de daaruit voortkomende kosten voor haar rekening komen en in principe niet worden gezien als schade, tenzij anders gesteld. De rechtbank is van oordeel dat geheel niet is gesteld waarom er in dit geval wel sprake is van schade en dat daarnaast onvoldoende is gesteld met betrekking tot het causale verband tussen deze schade en enig onrechtmatig handelen van [gedaagde].

5.12 De rechtbank wijst alle vorderingen af. Otto zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Hierbij zal de rechtbank tevens de kosten van de anticipatieprocedure betrekken.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Otto in de proceskosten van [gedaagde], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 431,09 aan griffierechten en

€ 1.996,- aan salaris ten behoeve van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.L.M. Magnée en ter openbare civiele terechtzitting van 31 januari 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

type: JvB.

Coll: