Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AE2204

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-12-2001
Datum publicatie
02-05-2002
Zaaknummer
01/876 AW K1
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 01/876 AW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : de Korpsbeheerder van de Politieregio [regio] en de Korpschef van de Politieregio [regio], gevestigd te [plaats A], verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 3 juli 2001,

kenmerk: 00B10.4783

Datum van behandeling ter zitting: 1 november 2001

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 3 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 19 december 2000 ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 3 juli 2001 is namens eiser door mr. H. Hartman, werkzaam bij ABVAKABO FNV NPB, bij schrijven van 23 juli 2001 bij deze rechtbank beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn nader aangevuld bij schrijven 18 oktober 2001.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep, gevoegd met de zaken 01/518, 01/757 en 01/794, is behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 november 2001, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Hartman voornoemd als zijn gemachtigde en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.T.J. Berns, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie.

II. OVERWEGINGEN.

Feiten

Eiser, geboren […] 1960, is van 1980 tot 1990 als executief politieambtenaar werkzaam geweest in de politiebasiszorg. Aan eiser is met ingang van 1 december 1992 eervol ontslag verleend in verband met het feit dat hij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie. Eiser werd herplaatsbaar geacht in functies buiten de executieve dienst. Eiser werd herplaatst in een administratieve functie bij de tactische recherche van de Rijkspolitie [provincie]. Bij besluit van 1 april 1994 heeft verweerder eiser met ingang van dezelfde datum aangesteld in de administratieve functie van documenten-analist bij het onderdeel proactieve veiligheidszorg/strategische analyse te [plaats B].

Bij wijzigingsbesluit van 22 december 1995 heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 1996 aangesteld als misdaadanalist bij de criminele inlichtingendienst, thans criminele inlichtingen eenheid, te [plaats A].

Op 12 maart 1999 is het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 (verder te noemen: Akkoord) getekend. In het Akkoord zijn afspraken opgenomen over het per 1 januari 2001 vervangen van het functioneel leeftijdsontslag (FLO) door een flexibele uittredingsregeling. Het gaat om de Aanvullende flexibele uittredingsregeling politie (AFUP) die is vormgegeven als een aanvulling op de Regeling flexibel pensioen en uittreden (FPU). In verband met het vervangen van FLO door de AFUP zijn overgangsmaatregelen getroffen. Deze overgangsmaatregelen zijn blijkens het Akkoord alleen van toepassing op degenen die op de datum van ondertekening van het Akkoord (12 maart 1999) en op 31 december 2000 FLO-gerechtigd zijn.

Ter uitvoering van het Akkoord is met ingang van 1 januari 2001 onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) gewijzigd. Artikel 88, eerste lid, van het Barp bepaalt sindsdien welke ambtenaren nog aanspraak kunnen maken op FLO en de daaraan verbonden bijzondere ontslaguitkering. In artikel 88b, eerste lid, van het Barp is omschreven wie na inwilliging van zijn verzoek om ontslag met het oog op een uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement recht heeft op een aanvulling op de uitkering op grond van dat reglement.

Bij schrijven van 29 september 2000 heeft de Chef Personeel en Organisatie van de Politieregio [regio] eiser geïnformeerd over de overgangsmaatregelen in verband met invoering van het samenstel van FPU en AFUP, verder ook wel aangeduid als FPU Politie. In dat schrijven is vermeld dat de overgangsmaatregelen gelden voor iedereen die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een executieve aanstelling heeft of een voor FLO- aangewezen functie vervult en dat eiser niet aan die voorwaarden voldoet.

Tegen deze zienswijze heeft eiser bij schrijven van 28 oktober 2000 bedenkingen ingebracht. Volgens eiser moet de functie van misdaadanalist worden aangemerkt als een executieve functie met name omdat het bezit van een politiediploma voor het uitoefenen van die functie is vereist. Volgens eiser is bij zijn aanstelling tot misdaadanalist verzuimd de aanstelling als burgerambtenaar te wijzigen in die van executief ambtenaar.

Bij besluit van 19 december 2000 heeft verweerder bepaald dat eiser niet onder de overgangsregeling van de FPU Politie valt, omdat hij noch op 12 maart 1999 noch op 31 december 2000 een aanstelling heeft als bedoeld in artikel 88 van het Barp. Volgens verweerder was eiser op de betreffende data niet aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Evenmin was hij aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie in een functie waaraan door het bevoegde gezag een leeftijdsgrens is verbonden. Als zodanige functies zijn slechts de parketpolitie, de technische ondersteuning en de tweede functionaris meldkamer aangewezen. Van een verzuim als door eiser bedoeld is volgens verweerder geen sprake.

Tegen dit besluit maakt eiser bij schrijven van 27 januari 2001 bezwaar. Voor de gronden van het bezwaar verwijst eiser naar zijn schrijven van 28 oktober 2000.

De bezwaren zijn behandeld op de hoorzitting d.d. 3 mei 2001 van de bezwarenadviescommissie. Deze commissie heeft op 27 juni 2001 verweerder geadviseerd eisers bezwaren ongegrond te verklaren. Aan dat advies legt de commissie het volgende ten grondslag:

1. Er is geen sprake geweest van een omissie bij de aanstelling van eiser in de functie van misdaadanalist aangezien hij ongeschikt was voor de executieve dienst en alleen als burgerambtenaar kon worden aangesteld.

2. Eiser is op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 niet aangesteld ter uitvoering van de politietaak. Eiser verricht ondersteunende en adviserende werkzaamheden die bestaan uit het vergelijken, analyseren en evalueren van aangeleverde criminele informatie en het uitvoeren van strategische en operationele analyses. Eiser is derhalve niet aangesteld om executief oftewel eerstelijns politiewerk te verrichten.

3. Eiser is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie. Aan de betreffende functie is door het bevoegde gezag geen leeftijdsgrens verbonden. Zulks is terecht niet geschied omdat de functie niet voldoet aan de daarvoor gestelde criteria in de inmiddels vervallen Regeling functioneel leeftijdsontslag administratief-technische functies. In de eerste plaats zijn eisers werkzaamheden niet vergelijkbaar met die van een ambtenaar die is aangesteld ter uitvoering van een politietaak, aangezien eisers werkzaamheden bij uitstek ondersteunend en dienend ten behoeve van de opsporingstaak zijn en adviserend ten behoeve van het operationeel en strategisch management. Eiser verricht geen extern gerichte werkzaamheden.

In de tweede plaats ondervindt eiser uit hoofde van zijn functie geen risico’s en ongemakken die vergelijkbaar zijn met die van een executieve ambtenaar.

Zo wordt eiser niet geconfronteerd met daders, slachtoffers of schokkende gebeurtenissen. In de derde plaats is ook het dienstrooster van eiser niet vergelijkbaar met dat van een executieve ambtenaar.

Bij besluit van 3 juli 2001 verklaart verweerder onder verwijzing naar het advies van de commissie eisers bezwaren ongegrond. Tegen dat besluit heeft eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld. De gronden van beroep kunnen als volgt worden weergegeven.

1. Verweerder is er ten onrechte van uitgegaan dat eiser is aangesteld in een functie voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie. Eiser is aangesteld als misdaadanalist bij een criminele inlichtingeneenheid. Een misdaadanalist bij een criminele inlichtingeneenheid houdt zich bezig met onderzoek naar en opsporing van strafbare feiten, een duidelijke politietaak. Dat eiser is aangesteld ter uitvoering van de politietaak blijkt voorts uit de door eiser overgelegde functiebeschrijving. Deze beschrijving is overigens, gelet op de door eiser daadwerkelijk in het kader van zijn functie verrichte werkzaamheden, niet geheel compleet. Dat de door eiser vervulde functie de uitvoering van de politietaak betreft, blijkt voorts uit het eveneens door eiser overgelegde functiebeeld van de misdaadanalist en de werkzaamheden die eiser in het kader van die functie verricht. Eiser wijst er in dat verband op dat:

- voor het werk door politie-ervaring verkregen vakkennis nodig is hetgeen tot uitdrukking komt in de aan de functie gestelde eisen;

- een misdaadanalist in zijn functie geconfronteerd wordt met menselijk leed, aangezien hij wordt ingezet bij huiszoekingen voor het analyseren van sporen en bij kapitale delicten, zoals moord, gijzeling en ontvoering, waarbij een schouw op de plaats van het misdrijf noodzakelijk is;

- een deel van het werk op onregelmatige tijden wordt verricht en vooraf niet is in te roosteren, aangezien eiser een onmiddellijke aanwezigheidsplicht heeft binnen de Recherche Assistentie Eenheid;

- de functie van misdaadanalist als een zeer kwetsbare functie wordt aangemerkt in het kader van de regeling op grond waarvan medewerkers die belast zijn met kwetsbare functies aan een veigheidsonderzoek worden onderworpen; en

- eiser in de uitoefening van zijn functie toegang heeft tot de politieregisters zonder dat hij autorisatie behoeft als bedoeld in artikel 14, eerste lid onder a van het Besluit politieregisters

2. Indien van een executieve functie geen sprake is, moet worden gezegd dat de functie voldoet aan de criteria voor aanwijzing als functie waaraan een leeftijdsgrens is verbonden. Er wordt immers onregelmatig gewerkt en aan de functie zijn ongemakken verbonden, zoals confrontatie met menselijk leed. Functies bij de parketpolitie, de technische ondersteuning en bij de meldkamer zijn door verweerder wel aangewezen als functies waaraan een leeftijdsgrens is verbonden. Een afdoende motivering voor het verschil in status tussen deze functies en de functie van misdaadanalist geeft verweerder niet.

3. Eiser mocht er gelet op zijn dienstverleden en op grond van de aanstelling in de functie van misdaadanalist van uitgaan dat de functie waarin hij was aangesteld een executieve functie betrof. Eiser wijst in dat verband op het Vacaturemagazine 1998.

4. De misdaadanalisten die bij IRT Zuid-Nederland werkzaam zijn, zijn wel executief.

5. Eiser dient in aanmerking te komen voor de overgangsvoordelen in verband met het vervangen van FLO door AFUP op grond van het bepaalde in het Aanhangsel II, onder 2B Politie - FPU, bij het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector Politie 1997-1998.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Tussen partijen is met name in geschil of eiser kan worden aangemerkt als een ambtenaar op wie artikel 88b van het Barp van toepassing is.

Artikel 88b van het Barp is van toepassing op:

a. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie die een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 de leeftijdsgrens van 60 jaar was verbonden, of

b. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993

die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 ook als zodanig was aangesteld en op 1 januari 2001 jonger is dan 50 jaar.

De rechtbank zal allereerst nagaan of eiser aangemerkt kan worden als een ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Daarna buigt de rechtbank zich over de vraag of eiser kan worden beschouwd als een ambtenaar als bedoeld in artikel 88b onder a van het Barp. Ten slotte zal de rechtbank aandacht besteden aan de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden.

Is eiser een ambtenaar aangesteld voor uitvoering van de politietaak?

Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of eiser op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 kon worden aangemerkt als een ambtenaar als bedoeld in artikel 88b onder b van het Barp, dat wil zeggen een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 3 van de Politiewet 1993 geeft aan wie als ambtenaren van politie in de zin van die wet moeten worden aangemerkt. Daartoe behoren blijkens het eerste lid en onder a van dat artikel ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Met het begrip politietaak wordt gedoeld op de taak die in artikel 2 van die wet wordt omschreven. Artikel 2 van de Politiewet 1993 bepaalt dat de politie tot taak heeft om in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Kenmerkend voor de politietaak is derhalve de ‘daadwerkelijke’ handhaving van de rechtsorde.

Het ‘daadwerkelijk’ karakter van de handhaving van de rechtsorde ziet naar het oordeel van de rechtbank op de noodzaak om (onmiddellijk) ‘op straat’ op te treden, ook ter voorkoming van eigenrichting, eventueel met gebruik van geweld.

Of een persoon is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak kan blijken uit de akte van aanstelling.

Indien de akte van aanstelling ter zake geen duidelijkheid biedt en voor de functie waarin betrokkene is aangesteld een functiebeschrijving is opgemaakt, moet voor de beantwoording van de vraag of een persoon is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de functiebeschrijving. De rechtbank acht de functiebeschrijving doorslaggevend omdat deze beschrijving een besluit is in de zin van de Awb, het belang van de functievervuller rechtstreeks bij de beschrijving van zijn functie is betrokken, de juistheid van de feitenvaststelling gelegen in de functiebeschrijving voorwerp is van volle toetsing door de rechter en een belanghebbende het bevoegde gezag kan verzoeken de functiebeschrijving te herzien indien de daadwerkelijk in het kader van de functie verrichte werkzaamheden niet sporen met de functiebeschrijving.

In gevallen, zoals onderhavige, waarin een functiebeschrijving is opgemaakt, hecht de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of een persoon is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak geen betekenis aan andere geschriften waarin een beeld van de in het kader van de functie te verrichten werkzaamheden wordt geschetst en evenmin aan de daadwerkelijk door betrokkene in het kader van die zijn functie verrichtte werkzaamheden. Voor zover eiser ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak zich beroept op het als bijlage bij zijn beroepschrift overgelegde functiebeeld gaat de rechtbank daaraan derhalve voorbij. Datzelfde geldt voor het beroep van eiser op onregelmatige karakter van zijn werkzaamheden en op de omstandigheid dat aan zijn werk ongemakken zijn verbonden. Ook de stelling dat de functiebeschrijving, gelet op de daadwerkelijk door eiser voor verweerder verrichte werkzaamheden, niet compleet is, acht de rechtbank voor de beoordeling van het bestreden besluit niet relevant.

In het onderhavige geval blijkt uit het wijzigingsbesluit van 22 december 1995 waarbij eiser met ingang van 1 januari 1996 is aangesteld als misdaadanalist bij de criminele inlichtingendienst, niet dat eiser is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Dat betekent dat dient te worden onderzocht of uit de functiebeschrijving van de functie waarin eiser is aangesteld blijkt of de betreffende functie er een is ter uitvoering van de politietaak. De door eiser als bijlage bij zijn beroepschrift overgelegde functiebeschrijving vermeldt met betrekking tot de functie-inhoud het volgende:

Functie-inhoud

Analyse criminele informatie

- Vergelijken, analyseren en evalueren van aangeleverde criminele inlichtingen.

- Zorgdragen voor input in geautomatiseerde gegevensbestanden, aanvullen ontbrekende informatie.

- Rubriceren, vervaardigen schema’s en overzichten van relaties/verbindingen tussen daders en dadersgroepen

- Uitvoeren van (complete) strategische en operationele analyses.

Advisering

- Op basis van abstracte informatie adviseren over tactische opsporingsaktie .

- Advisering rechercheleiding over prioriteiten en doelgroepen.

- Kwalitatieve en kwantitatieve toesting voortgang projecten.

Contacten

- Structurele interne contacten naar CID, opsporingseenheden, regionale infodesk etc.

- Participatie in netwerken, platforms, werkgroepen.

- Informatieverstrekking over mogelijkheden misdaadanalyse.

Overige werkzaamheden

- Ondersteunen van opsporingsnetwerken

- Aanpassing software aan gebruikerseisen

- Coachen collega’s bij onderzoeken

Uit de hierboven aangehaalde functiebeschrijving blijkt niet dat degene die in die functie is aangesteld (onmiddellijk) ‘op straat’ dient op te treden, ook ter voorkoming van eigenrichting, eventueel met gebruik van geweld. De beschrijving van de functie-inhoud laat zien dat degene die de functie vervult ondersteunende en adviserende taken heeft en niet zozeer extern, maar intern gerichte werkzaamheden dient te verrichten. Een en ander brengt mee dat eiser niet is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993. Hieraan staat niet in de weg dat uit de functiebeschrijving eveneens blijkt dat het bezit van een politiediploma en een ruime ervaring in recherche-onderzoeken als indicatieve functie-eisen worden gesteld.

Ook hetgeen voor het overige door eiser is gesteld kan er niet toe leiden dat gezegd moet worden dat eiser is aangesteld voor de uitvoering van de polititietaak. Dat geldt bijvoorbeeld voor de stelling dat de door eiser vervulde functie als een zeer kwetsbare functie wordt aangemerkt in het kader van de regeling op grond waarvan medewerkers die belast zijn met kwetsbare functies aan een veiligheidsonderzoek worden onderworpen en voor de stelling dat eiser in de uitoefening van zijn functie toegang heeft tot de politieregisters zonder dat hij autorisatie behoeft als bedoeld in artikel 14, eerste lid onder a van het Besluit politieregisters. Wat die laatste stelling betreft merkt de rechtbank nog op dat die stelling onvoldoende met feitelijke gegevens is onderbouwd.

Is eiser ambtenaar als bedoeld in artikel 88b onder a van het Barp?

De vraag waarvoor de rechtbank zich thans geplaatst ziet is of eiser op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 kon worden aangemerkt als een ambtenaar als bedoeld in artikel 88b onder a van het Barp. Het betreft dan de vraag of eiser een ambtenaar is, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 de leeftijdsgrens van 60 jaar was verbonden.

De rechtbank beantwoordt die vraag eveneens ontkennend. Verweerder heeft immers onweersproken gesteld dat het bevoegd gezag de functies waaraan een leeftijdsgrens was verbonden, heeft aangewezen in artikel 11 van de Overgangsregeling ATP regio [provincie] van 26 augustus 1993 en artikel 14 van de Overgangsregeling uniforme rechtspositie politieambtenaren regio [regio] van 17 december 1993. In de genoemde voorschriften wordt de functie van misdaadanalist niet genoemd. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder de door eiser vervulde functie heeft aangewezen als een functie waaraan tot 1 januari 2001 de leeftijdsgrens van 60 jaar was verbonden.

Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat verweerder de door hem vervulde functie had moeten aanwijzen als een functie waaraan de leeftijdsgrens van 60 jaar was verbonden. Deze grief gaat naar het oordeel van de rechtbank de omvang van het geding te buiten en kan derhalve niet in de beoordeling worden betrokken.

Het primaire besluit van 19 december 2000 behelst immers geen beslissing ter zake, zoals ook de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven. Verweerder heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd onder verwijzing naar het advies van de commissie. De commissie stelt in dat door verweerder overgenomen advies vast dat aan de door eiser vervulde functie door het bevoegde gezag geen leeftijdsgrens is verbonden. De commissie voegt eraan toe dat zulks terecht is geschied omdat de functie niet voldoet aan de daarvoor gestelde criteria, waarbij de commissie doelt op de criteria gesteld in de inmiddels ingetrokken Regeling functioneel leeftijdsontslag administratief-technische functies (Stcrt 1994, 82). Laatstgenoemde overweging strekt er kennelijk slechts toe te verklaren waarom de door eiser vervulde functie in het verleden niet is aangewezen als een functie waaraan een leeftijdsgrens van 60 jaar is verbonden.

Overige beroepsgronden

In beroep brengt eiser naar voren dat hij er, gelet op zijn dienstverleden en op grond van de aanstelling in de functie van misdaadanalist van uit mocht gaan dat de functie waarin hij was aangesteld een executieve functie betrof. Eiser wijst in dat verband op het Vacaturemagazine 1998 waarin is vermeld dat de functie van misdaadanalist een uitvoerende executieve functie betreft. Kennelijk stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft besloten.

De rechtbank verwerpt deze grief. Zij merkt in dit verband op dat gesteld noch gebleken is dat eiser afgaande op de informatie uit het Vacature Magazine 1998 iets heeft gedaan of nagelaten waardoor hij thans in een nadeligere positie is komen te verkeren. Eiser was trouwens reeds als misdaadanalist aangesteld op het tijdstip dat het Vacature Magazine 1998 verscheen, zodat niet kan worden gezegd dat de onjuiste informatie in het Vacature Magazine 1998 ertoe heeft geleid dat eiser in de functie van misdaadanalist werd aangesteld.

Voorts stelt eiser in beroep dat de misdaadanalisten die bij IRT Zuid-Nederland werkzaam zijn, wel als executieve ambtenaren worden aangemerkt. Voor zover eiser met die overigens nauwelijks onderbouwde stelling een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, kan de rechtbank eiser hierin niet volgen. Immers de misdaadanalisten die bij de IRT Zuid-Nederland werkzaam zijn, zijn niet door verweerder, maar door een ander bestuursorgaan aangesteld, zodat van gelijke gevallen niet kan worden gesproken.

Ter zitting is door de gemachtigde van eiser ten slotte nog naar voren gebracht dat eiser in aanmerking dient te komen voor de overgangsvoordelen in verband met het vervangen van FLO door AFUP op grond van het bepaalde in het Aanhangsel, onderdeel 2B onder a, bij het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector Politie (1997-1998). Daarin is onder meer bepaald dat voor de extra opbouw van aanspraken een relatie dient te worden gelegd met de zwaarte van de uitgeoefende functies en wordt aangegeven dat in de uitwerking bepaalde criteria zullen worden gehanteerd. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn betoog. Zij is van oordeel dat individuele politieambtenaren als eiser aan genoemd aanhangsel niet (rechtstreeks) rechtspositionele aanspraken ontlenen. Zij ontlenen dergelijke aanspraken slechts aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften en in dat kader gegeven beleidsregels en voorts aan anderszins bevoegdelijk gedane toezeggingen.

Gelet op het voorafgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van griffierecht.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2001.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 11 december 2001.

RV

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.