Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AD8010

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
01/628 WAO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Gemeentewet 156
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 01 / 628 WAO K1

Inzake : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, eiser,

tegen : het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling USZO BV Heerlen, verweerder.

--------------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 24 april 2001,

kenmerk: sofinr. 069581435.

Datum van behandeling ter zitting: 15 oktober 2001.

--------------------------

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 18 september 2000 heeft verweerder geweigerd A te B in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 24 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat laatste besluit is door eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 oktober 2001, waar namens eiser is verschenen drs. J.W.M. Koppers, en waar verweerder zich, zoals aangekondigd bij brief van 4 september 2001, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN.

A, die sedert 16 juli 1980 als ambtenaar werkzaam was bij de gemeente B, is in verband met een gemeentelijke herindeling vanaf 1 januari 1990 in dienst van de gemeente Roermond. In verband met een bij betrokkene op 7 oktober 1999 ingetreden ongeschiktheid tot werken is op 15 juni 2000 bij verweerder een aanvraag om uitkering ingevolge de WAO ingediend. Bij besluit van 18 september 2000 is die uitkering geweigerd aangezien het verzuim van betrokkene geen verband zou houden met ziekte of gebrek.

Tegen dat besluit is op 28 september 2000 namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond een (inleidend) bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 9 februari 2001 is door verweerder aan eiser -kort samengevat- meegedeeld dat naar het oordeel van verweerder eiser niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt aangezien de gemeente als belanghebbende moet worden beschouwd. Voorts is daarbij verzocht aan te geven of het bezwaar spoedshalve door eiser is ingediend dan wel het maken van bezwaar aan eiser is gedelegeerd, met het verzoek aan te geven welk orgaan als procespartij moet worden aangemerkt. In antwoord daarop heeft eiser bij brief van 14 februari 2001 een delegatiebesluit ingezonden en meegedeeld dat de gemeente procespartij is.

Bij besluit van 24 april 2001 is daarop het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe werd overwogen dat de bestreden beslissing geen aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwde belangen raakt zodat het college niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Verder werd nog vermeld:

" Op grond van artikel 164 van de Gemeentewet is het College van burgemeester en wethouders bevoegd, in gevallen waarin de gemeente of het gemeentebestuur een beroeps- of bezwaarrecht heeft, spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken of schorsing van een aangevochten beslissing of een voorlopige voorziening terzake te verzoeken. In dat geval dient het College van Burgemeester en Wethouders, voor zover hier van belang, zijn beslissing tot het instellen van het bezwaar te laten bekrachtigen door de gemeenteraad in de eerstvolgende vergadering. Ook voorziet de Gemeentewet in de mogelijkheid om de bevoegdheid om de beslissing over het instellen van beroep of het maken van bezwaar te delegeren aan het College van Burgemeester en Wethouders. De vorengenoemde regelingen in de Gemeentewet "verschuiven" echter niet het "belanghebbende zijn" van de gemeente naar het College van Burgemeester en Wethouders. Deze regelingen handelen enkel over de bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad te beslissen dat de gemeente of het gemeentebestuur beroep instelt of bezwaar maakt. Ingevolge vaste jurisprudentie dient voor afloop van de beroepstermijn duidelijk te zijn wie beroep heeft ingesteld. Verwezen wordt naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 oktober 1998, JB 1998/280, de Voorzitter van de AbRS van 8 november 1995, JB 1995/335 en een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Breda van 24 mei 2000, kenmerk 99/1325 WAO POE. Het Lisv is van oordeel dat de vorengenoemde jurisprudentie van overeenkomstige toepassing is op bezwaarschriften.

Het Lisv constateert dat het bezwaarschrift is ingediend door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond. Uit de redactie van het bezwaarschrift blijkt niet dat wordt gehandeld door of namens de gemeente. In verband hiermee heeft u, met verwijzing naar het delegatiebesluit zoals laatstelijk vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van Roermond van 25 mei 2000, no.2000/7005, bij schrijven d.d. 14 februari 2001 bericht van oordeel te zijn dat daarmee de gemeente in deze procespartij is. Het Lisv is echter van oordeel dat ook in die situaties het College van Burgemeester en Wethouders duidelijk kenbaar dient te maken dat gehandeld wordt door of namens de gemeente.

Gezien de redactie van het bezwaarschrift van 28 september 2000 gaat het Lisv er vanuit dat het College van Burgemeester en Wethouders zich een zelfstandig recht aanmeet om bezwaar te maken. Aangezien de partijstelling vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van een bezwaar duidelijk moet zijn, verklaart het Lisv het bezwaar niet-ontvankelijk.".

Tegen dat besluit is beroep ingesteld en de rechtbank dient derhalve te beoordelen of verweerder op goede gronden tot het besluit kon komen eiser niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Het weigeren van een WAO-uitkering aan een ambtenaar die in dienst is van een gemeente raakt de (financiële) belangen van (de rechtspersoon) de gemeente zodat -gelet op de bevoegdheidsverdeling in de Gemeentewet tussen de organen van de gemeente - de raad van de gemeente de bevoegdheid toekomt om bezwaar te maken tegen een zodanige weigering en de raad van de gemeente, ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, als belanghebbende moet worden beschouwd.

In artikel 156 van de Gemeentewet is echter -voorzover hier van belang- aangegeven dat de raad aan het college van burgemeester en wethouders bevoegdheden van de raad kan overdragen.

De Raad van de gemeente Roermond heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en onder meer de bevoegdheid tot het maken van bezwaar en het instellen van beroep overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. In het delegatiebesluit is dat als volgt omschreven:

A. De raad van de gemeente Roermond heeft aan burgemeester en wethouders de volgende bevoegdheden overgedragen:

1. ……....

2. ....

3. ....

4. voor zover burgemeester en wethouders daartoe al niet bevoegd zijn op grond van artikel 164 van de Gemeentewet

a. ……..

b. het maken van bezwaar en het instellen van beroep, zowel administratief beroep als beroep op de administratieve rechter, en van hoger beroep, wanneer het recht daartoe aan de gemeente of aan de gemeenteraad toekomt, in alle gevallen met inbegrip van het vragen van voorlopige voorziening;

5. etc..

Op grond van dit delegatiebesluit moet worden vastgesteld dat de raad zijn bevoegdheid om bezwaar te maken tegen besluiten van verweerder als dat van 18 september 2000 heeft overgedragen aan eiser. Deze overdracht betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser bevoegd is om op eigen naam en voor eigen verantwoordelijkheid bezwaar aan te tekenen. Gelet immers op afdeling 10.1.2 van de Awb gaat bij delegatie de bevoegdheid van de delegans over op de delegataris, die vervolgens die bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent, terwijl de delegans de overgedragen bevoegdheid niet meer zelf kan uitoefenen. Dat houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat naast de gemeente eiser als belanghebbende in de zin van de Awb bij een besluit als het onderhavige moet worden aangemerkt. Aangezien de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden is overgedragen aan eiser is het belang van eiser, zolang geen toepassing is gegeven aan artikel 10:18 van de Awb ingevolge welke bepaling het bestuursorgaan het delegatiebesluit te allen tijde kan intrekken, immers rechtstreeks bij een besluit als het onderhavige betrokken. Eiser is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Beslist wordt als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat het Lisv aan eiser het door deze gestorte griffierecht ad ƒ 450,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn in tegenwoordigheid van A.R.O. Kuipers als griffier en in het openbaar uitgesproken op: 21 nov. 01

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 nov. 01

RV