Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AD7191

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
38876 / HA ZA 00-375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 20 december 2001

V O N N I S

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats], [adres],

procureur mr. O.J.H.M. van Eijndhoven,

eiser;

tegen:

ORGANICE B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

procureur mr. W.P. Wijers,

gedaagde.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de conclusie van eis met de dagvaarding van 16 mei 2000;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek tevens wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek;

- een akte ter rolle van 8 februari 2001 van [eiser];

- een antwoordakte, tevens akte houdende uitlating producties ter rolle van 1 maart 2001 van Organice;

- het vonnis van de rechtbank van 31 mei 2001 tot het houden van een comparitie;

- de rolbeslissing van de rechtbank van 28 juni 2001, waarin de comparitie is afgelast en partijen zijn toegelaten nog een akte te nemen;

- [eiser] heeft daarop ter rolle van 12 juli 2001 een akte (gedateerd 8 februari 2001) in het geding gebracht.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden:

2.1 [De partner van eiser] was werkzaam bij het Hoogheemraadschap Delfland. Op 24 september 1998 deed zij mee met een bedrijfsuitje. Onder verantwoordelijkheid van Organice daalde zij af van een zogenaamde togglebaan (hangend aan een touw langs een kabel van grotere hoogte naar beneden zwaaien). Daarbij werd verzuimd om gebruik te maken van een wel aanwezig zekeringskoord. [De partner van eiser] viel van een hoogte van tien meter naar beneden. Zij overleed als gevolg daarvan.

2.2 Organice erkent dat zij aansprakelijkheid is voor de gevolgen van het ongeval. Organice is verzekerd bij Amev Interlloyd. Organice heeft fl. 96.275,= aan voorschotten voldaan. Voorzover de vorderingen van [eiser] worden toegewezen, komt dit bedrag daarop in mindering.

2.3 [De partner van eiser] woonde sedert oktober 1993 samen met de heer [eiser]. Op 23 februari 1998 kochten [de partner van eiser en eiser] samen een perceel grond, waarop een woning zou worden gebouwd (productie 5.8 CvE). Zij laten op 30 juli 1998 een concept testament en samenlevingscontract opstellen, dat ten tijde van het overlijden van [de partner] nog niet is ondertekend (productie 5.13 en 5.14 CvE). De nieuwe woning met een hypotheek van fl. 850.000,= is in september 1999 opgeleverd.

2.4 Ten tijde van het ongeval beschikte [eiser] over een bruto inkomen uit arbeid van circa fl. 90.000,= en [de partner] van circa fl. 60.000,=.

3. Het geschil

3.1[eiser] vordert met name:

a. wegens begrafeniskosten fl. 31.805,87;

b. wegens gederfd levensonderhoud fl. 836.164,=;

c. wegens buitengerechtelijke kosten fl. 32.718,68;

3.2 Organice voert verweer tegen deze vorderingen. De stellingen en weren zullen -voor zover dienstig voor de beoordeling- daarin nader worden besproken.

4. Beoordeling van het geschil

Het beslissingskader

4.1 De vorderingen van [eiser] vinden hun grondslag in art. 6:108 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel luidt als volgt:

-1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;

b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;

c. aan degene die reeds vóór de gebeurtenis, waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.

-2. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, de kosten te vergoeden, voorzover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

-3. Hij die krachtens de vorige leden tot schadevergoeding wordt aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan.

De begrafeniskosten

4.2 Blijkens productie 3 CvE is het door [eiser] gevorderde bedrag als volgt opgebouwd. Daarbij is aangegeven of Organice met de post kan instemmen of niet.

a. Crematiekosten/uitvaartcentrum: fl. 14.990,30 (Organice akkoord)

b. Dankbetuigingen/ uitvaartcentrum: fl. 979,40 (Organice akkoord)

c. Gedenkteken: fl. 8.500,00

d. Crematorium/gemeente: fl. 140,00 (Organice akkoord)

e. Notariskosten: fl. 3.076,19

f. Rouwarrangement: fl. 400,00 (Organice akkoord)

g. Grafrechten (10 jaar): fl. 931,25

h. Grafrechten toekomst (stelpost): fl. 2.000,00

i. Gemeentelijke leges: fl. 18,00 (Organice akkoord)

j. Asbuskoker: fl. 293,75

k. Nabetaling gedenkteken: fl. 477,00

__________ +

totaal fl. 31.805,87

4.3 Het bedrag waarmee Organice instemt, bedraagt fl. 16.527,70. Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking. Met betrekking tot de totale uitgaven stelt Organice dat deze niet in overeenstemming zijn met de financiële omstandigheden van [de partner]; de gemiddelde begrafenis kost fl. 10.000,=. De notariskosten betwist Organice met verwijzing naar het handboek van Asser-Hartkamp 4-I, nummer 481. Voorts wijst Organice op de bestaande discussie over de vraag of verder verwijderde kosten dan de directe begrafeniskosten, zoals kist, rouwauto en bijkomende kosten als kaarten, advertenties en bloemen, wel voor vergoeding in aanmerking komen.

4.4 [eiser] wijst erop dat de begrafeniskosten beoordeeld moeten worden in het licht van de omstandigheden, waarin [de partner] leefde. Daarbij speelt een rol dat zij in een grote organisatie werkzaam was en als persoon van 45 jaar middenin het leven stond. Gelet op het gezamenlijk bruto inkomen van [eiser en zijn partner] van circa fl. 150.000,= bruto per jaar en in het licht van bovengenoemde omstandigheden, waren begrafeniskosten van circa fl. 30.000,= reëel te noemen.

4.5 Art. 6: 108, lid 2 Burgerlijk Wetboek verplicht de aansprakelijke tot vergoeding van kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. De rechtbank is van oordeel dat onder de kosten van lijkbezorging die kosten moeten worden verstaan, die in het algemeen met een begrafenis in verband worden gebracht. Niet is in te zien waarom een asbuskoker of grafkist, een gedenkteken of grafsteen en grafrechten voor een bepaalde termijn daar niet bij zouden behoren. Notariskosten daarentegen vormen geen post, die in redelijk verband met een begrafenis staan. Ook voor toekomstige(r) grafrechten wenst de rechtbank vooralsnog (in afwachting van de uitkomst van het nader onderzoek uit de volgende paragraaf) de aanspraak te begrenzen. Aldus zijn de uitgaven voor de begrafenis van [de partner] concreet te stellen op fl. 26.729,68.

4.6 De wet bepaalt in voornoemd artikellid als bovengrens voor de te vergoeden begrafeniskosten, dat zij in overeenstemming moeten zijn met de omstandigheden van de overledene. De stelling van Organice dat de door [eiser] gevorderde begrafeniskosten niet met de omstandigheden in overeenstemming zijn, wordt niet door feiten en omstandigheden onderbouwd. De rechtbank zal Organice als eerste in de gelegenheid stellen die feiten en omstandigheden aan te voeren. [eiser] mag daar uiteraard op reageren. Daarbij stelt de rechtbank zich voor dat aansluiting wordt gezocht bij verzekeringspakketten, die door verzekeraars worden aangeboden. In concreto: welke begrafenisverzekering zou [De partner van eiser] in haar situatie bij leven (samenwonend met [eiser]) normaliter hebben afgesloten en welke kosten dekt die verzekering? Voordeel van dit criterium kan zijn dat het een enigszins objectiveerbare en voorspelbare uitkomst geeft. Uiteraard staat het partijen vrij om op basis van andere criteria de rechtbank voor te lichten over een te hanteren bovengrens voor de te vergoeden begrafeniskosten.

Kosten van levensonderhoud

4.7 [eiser en zijn partner] waren niet met elkaar gehuwd en waren als partners (nog niet) geregistreerd. De situatie van lid 1a van art. 108 BW doet zich derhalve niet voor. Wel woonden zij al enkele jaren samen en vormden zij daarmee een gezinsverband als bedoeld in lid 1c van art. 108 BW. Uit de omstandigheid dat [eiser en zijn partner] ten tijde van het ongeval van [de partner] druk doende waren om gezamenlijk een huis te bouwen en te financieren: hun financiële verwevenheid intensiveerden, leidt de rechtbank af dat zij de intentie hadden om nog lange tijd bij elkaar te blijven. Aannemelijk is derhalve dat het gezinsverband zonder het overlijden zou zijn voortgezet.

4.8 In deze zaak doet zich de situatie voor dat zowel [de partner] als [eiser] een op zichzelf behoorlijk inkomen genoten. Een zodanig inkomen, dat zij daar ieder afzonderlijk van konden/ kunnen rondkomen. De vraag is of alsdan voldaan is aan de wettelijke voorwaarden dat [de partner] geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van [eiser] voorzag en of [eiser] na het overlijden redelijkerwijs niet voldoende in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

4.9 Hoofdregel van het aansprakelijkheidsrecht is dat degene, die jegens een ander toerekenbaar tekort schiet of onrechtmatig handelt, verplicht is om alle schade te vergoeden, die de ander daardoor leidt. Artikel 6:108 BW vormt daarop in zoverre een uitbreiding, dat het hier niet schade betreft van de 'ander', de gelaedeerde zelf, maar van bepaalde personen, die in nauwe relatie tot de overledene stonden en in zekere mate voor wat betreft levensonderhoud en/of zorg voor het huishouden, van de overledene afhankelijk waren. De limitatieve opsomming van de kring van gerechtigden dient om deze uitbreiding van aansprakelijkheid nauwkeurig te bepalen en te begrenzen. De opsomming welke kosten in welke situatie voor vergoeding in aanmerking komen, dient volgens de rechtbank het doel dat voorkomen wordt dat de met name genoemde nabestaanden na het overlijden in een vermogensrechtelijk voordeliger situatie zouden geraken dan ervoor.

4.10 De rechtbank is van oordeel dat gelet op de financiële verwevenheid die [eiser en zijn partner] hadden en voorstonden, gezegd kan worden dat [de partner] voor een groot deel mede in het levensonderhoud van [eiser] voorzag. Het feit dat [eiser en zijn partner] zich in een overgangssituatie bevonden, waarbij hun financiële verwevenheid (en de deelname van [de partner] daarin) zou toenemen, interpreteert de rechtbank ten gunste van de deelname in het levensonderhoud van [eiser] door [de partner]. Als uitgangspunt wordt derhalve niet genomen de deelname in het levensonderhoud, zoals die concreet voor het overlijden was, maar de deelname, zoals partijen die op korte termijn beoogden en aan de realisering waarvan concreet uitvoering gegeven werd.

4.11 In dat verband kan van [eiser] niet verlangd worden dat hij afziet van het betrekken van de woning die [eiser en zijn partner] samen aan het bouwen waren. Aangenomen moet worden dat de kosten van die woning, die beoogd waren uit beider inkomen te worden voldaan, in de toekomt door uitsluitend [eiser] moeten worden opgebracht. In bijlage 9 conclusie van eis worden de kosten van rente en aflossing gesteld op fl. 49.299,96 minus belastingvoordeel ad fl. 19.472,= is fl. 29.827,96 per jaar. Aan gas, water, electra werd uitgegeven fl. 2.897,99 (circa 241,= per maand). De gemeentelijke belastingen waren fl. 1.537,61 per jaar. Opstal- en inboedelverzekering waren fl. 695,52 per jaar. Aangenomen wordt dat deze direct met bewoning in verband staande kosten ad fl. 34.959,08 na overlijden gelijk zullen blijven.

4.12 Aan overige vaste lasten voert [eiser] het bedrag van fl. 47.807,34 (fl. 3.983,95 per maand) op. De rechtbank ziet aanleiding dit bedrag te matigen. Zo zal de post levensverzekeringen (fl. 14.040,=) worden geschrapt, nu in de vergoeding voor de woonkosten een deel vermogensvorming is opgenomen. De autokosten (fl. 11.413,43) zal de rechtbank enigszins matigen. De kosten van recreatie (fl. 6.431,=) worden door de rechtbank niet als kosten van levensonderhoud aangemerkt. Een en ander resulteert erin dat de rechtbank het bedrag aan vaste lasten vaststelt op fl. 60.000,= (inclusief belastingvoordeel). De rechtbank verzoekt partijen om met inachtneming van dit bedrag opnieuw de schade te kapitaliseren. Daarbij wordt het standpunt van Organice onderschreven dat na aflossing van de hypotheek, de vaste lasten aanzienlijk zullen verminderen.

4.13 Met betrekking tot de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp, stelt de rechtbank vast dat deze kosten gevorderd kunnen worden naast de kosten van levensonderhoud. Aangenomen wordt dat [eiser en zijn partner] het huishouden samen moesten verzorgen. Door het wegvallen van [de partner] is het redelijk om te veronderstellen dat [eiser] enige hulp in de huishouding zal benodigen. Het daarvoor benodigde bedrag wordt vastgesteld op fl. 4.000,= per jaar. Partijen worden verzocht ook dit deel van de schade te kapitaliseren.

Buitengerechtelijke kosten

4.14 De rechtbank ziet geen reden om de buitengerechtelijke kosten ad fl. 36.916,23 te matigen. De onderhavige schadeberekening is van ingewikkelde aard. Niet gebleken is dat [eiser] onnodige of niet-gemaakte schadeposten opvoert.

Slotsom

4.15 De zaak wordt verwezen naar de rol teneinde partijen (eerst [eiser] en dan Organice) in de gelegenheid te stellen om met inachtneming van dit vonnis nadere informatie aan de rechtbank te verstrekken over de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding. Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

Verwijst de zaak naar de rol van 3 januari 2002 voor akte inlichtingen / conclusie na tussenvonnis zijdens [eiser] en naar de rol van 31 januari 2002 voor antwoordakte en -conclusie na tussenvonnis zijdens Organice;

Houdt voor het overige iedere beslissing aan;

Sluit hoger beroep van dit vonnis uit, anders dan tegelijk met het eindvonnis.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.H. Smits, F. Oelmeijer en H.H. Dethmers en ter openbare civiele terechtzitting van 20 december 2001 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: HD