Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AD6905

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-12-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
42375 / HA ZA 01-17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 42375 / HA ZA 01-17

Uitspraak : 6 december 2001

V O N N I S

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

eiseres:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. A.L. Stegeman;

tegen:

gedaagde:

DE STICHTING ZIEKENHUIZEN NOORD-LIMBURG,

gevestigd te 5912 BL Venlo, Tegelseweg 210,

procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedue blijkt uit de volgende stukken:

-de conclusie van eis met 6 bijlagen;

-de conclusie van antwoord met 9 bijlagen;

-de conclusie van repliek met 18 bijlagen;

-de conclusie van dupliek met 1 bijlage.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel niet voldoende weersproken dienen de navolgende feiten als vaststaand te worden aangemerkt:

-Begin 1996 is eiseres door haar huisarts verwezen naar orthopaedisch chirurg [de chirurg], die aan het door gedaagde geëxploiteerde ziekenhuis is verbonden.

-Tussen eiseres en gedaagde is een behandelingsovereenkomst zoals genoemd in

artikel 7:446 BW tot stand gekomen.

-Door [de chirurg] werd de diagnose coxarthrose van de rechterheup, eenvoudig

gezegd een "versleten" rechterheup, gesteld.

-Op 6 augustus 1998 is eiseres door [de chirurg] geopereerd waarbij de rechterheup

werd vervangen door een prothese.

-Na het ontwaken uit de narcose bleek dat eiseres als gevolg van een complicatie

van de heupoperatie uitval had van de nervus ischiadicus.

-Op 11 augustus 1998 werd door [de chirurg] en de neuroloog [achternaam] de diagnose ischiadicus-letsel gesteld.

-[de chirurg] heeft bij het verstrekken van de preoperatieve informatie eiseres niet

gewezen op het risico van ischiadicus-letsel bij een heupoperatie als de onder-

havige.

3,1 De stellingen en de vorderingen van eiseres

Eiseres is van mening dat gedaagde toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de door haar met eiseres gesloten behandelingsovereenkomst. Gedaagde, althans [de chirurg], had eiseres vóór de operatieve ingreep moeten wijzen op de daaraan verbonden risico's, meer in het bijzonder op het risico van ischiadicus-letsel. Doordat gedaagde in zijn informatieplicht tekort is geschoten, is aan eiseres

de mogelijkheid ontnomen een verantwoorde en afgewogen keuze te maken. Eiseres stelt zich op het standpunt dat indien zij wel preoperatief over het risico van ischia-dicus-letsel zou zijn geïnformeerd, zij van de ingreep zou hebben afgezien, althans

nader advies zou hebben ingewonnen. Omdat [de chirurg] in zijn informatieplicht toe-rekenbaar tekort is geschoten, is gedaagde schadeplichtig jegens eiseres. Eiseres vordert vanwege pijn, beperkingen en gederfde levensvreugde, die zij ten gevolge van het ischiadicus-letsel ondervindt een bedrag van f. 25.000,-- als immateriële

schade. Daarnaast bestaat de schade uit kosten die door eiseres gemaakt zijn in verband met het langer dan geplande ziekenhuisverblijf en de aanschaf van, nu en in de toekomst, aangepast schoeisel. Deze kosten worden door eiseres berekend op

f. 25.637,--. Eiseres stelt voorts dat zij in het traject voorafgaand aan deze procedure voor een bedrag van f. 5.000,-- buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.

Op grond van het vorenstaande vordert eiseres dan ook dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat gedaagde jegens eiseres aansprakelijk is wegens toe-

rekenbaar tekort schieten in de nakoming van verplichtingen uit hoofde van een

met eiseres gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst;

2. gedaagde zal veroordelen om aan eiseres een schadevergoeding te betalen van

f. 55.637,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

3. gedaagde zal veroordelen in de proceskosten.

3.2 Het verweer van gedaagde

Gedaagde, althans [de chirurg], kan als juist erkennen dat aan ingrepen als de onder-havige een gering risico op letsel van de nervus ischiadicus is verbonden en dat hij dit risico preoperatief niet heeft genoemd. Dit wordt echter niet verwijtbaar geacht. [de chirurg] heeft gedurende de 20 jaar dat hij als orthopaedisch chirurg werkzaam is vele heupoperaties verricht zonder een uitval van de nervus ischiadicus te hebben meegemaakt. Daarnaast stelt [de chirurg] een operatietechniek te hanteren waarbij het risico op de complicatie van ischiadicus-letsel geringer is dan het door eiseres genoemde percentage. Bovendien betrof het hier een medisch geïndiceerde ingreep, waarvoor geen reëele behandelingsalternatieven meer voorhanden waren. Mede gezien de aard en de progressie van de (pijn)klachten is het niet aannemelijk dat eiseres indien zij wel preoperatief bekend zou zijn geweest met de geringe kans van letsel van de nervus ischiadicus, besloten zou hebben van de ingreep af te zien. Vanwege het ontbreken van een causaal verband dient de vordering van eiseres dan ook te worden afgewezen.

De hoogte van de gevorderde schade wordt door gedaagde bovenmatig geacht. Dit geldt zowel ten aanzien van het gevorderde smartegeld als de kapitalisatiefactor die eiseres ten aanzien van diverse materiële schadeposten hanteert. Daarnaast worden de kosten die door eiseres zouden zijn gemaakt slechts voor een bedrag van f. 120,--

met bescheiden onderbouwd.

Gedaagde concludeert eiseres in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van eiseres in de kosten van de procedure.

4. Het oordeel van de rechtbank

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde, althans [de chirurg], toerekenbaar tekort is geschoten ten aanzien van het verstrekken van preoperatieve informatie daar hij niet gewezen heeft op het risico van ischiadicus-letsel. Het recht op informatie van de patiënt is neergelegd in artikel 7:448 van het Burgerlijk Wet-boek. De hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze informeren. In artikel 7:448 lid 2 letter b is de informatieplicht ten aanzien van de risico's van de behandeling nader uitgewerkt. Bij het verstrekken van informatie laat de hulpverlener zich leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijs dient te weten ten aanzien van de te verwach-ten gevolgen en de risico's daarvan voor de gezondheid van de patiënt. Gaat het om een niet gebruikelijk doch verstrekkend gevolg dan is informatie over dat, zij het gering, risico aangewezen. Uit de overgelegde stukken, bijlage 8 tot en met 10 bij de conclusie van repliek, blijkt dat volgens in deze zaak geraadpleegde deskundigen het risico van ischiadicus-letsel zich na een heupoperatie in circa 0,5 tot 2% van de ge-vallen verwezenlijkt. Naar het oordeel van de rechtbank is, gezien de mogelijkheid van totale uitval van de nervus ischiadicus, dit percentage niet zodanig verwaarloos-baar klein dat dat gezegd kan worden dat [de chirurg] eiseres in redelijkheid niet op dit risico had moeten wijzen. Dit betekent dat [de chirurg] inzake zijn informatieplicht toe-rekenbaar tekort is geschoten, hetgeen gedaagde in beginsel schadeplichtig maakt.

Eiseres stelt dat indien zij preoperatief over het risico van ischiadicus-letsel zou zijn geïnformeerd, zij van de ingreep zou hebben afgezien, althans nader advies zou hebben ingewonnen. Uit de overgelegde stukken blijkt eiseres sedert 1995 kampt met pijnklachten en lichamelijke beperkingen ten gevolge van coxarthrose, waar-

door ze haar werkzaamheden in een plantenkwekerij heeft moeten opgeven. Op 4 februari 1998 heeft [de chirurg] aan eiseres geadviseerd een operatie te ondergaan strekkende tot het aanbrengen van een heupprothese. Aan deze heupoperatie is

een langdurig traject voorafgegaan. Sedert begin 1996 heeft [de chirurg] gepoogd de klachten van eiseres, conservatief, met pijnstillers, fysiotherapie en een afneem-

baar lumbostaat, te behandelen. Uit de bij de conclusie van antwoord overgelegde bijlagen blijkt dat gezien het geringe effect van de behandeling en toename van de pijnklachten eiseres steeds veel eerder dan was afgesproken terugkwam voor controle. In september 1997 heeft eiseres zich voor een second opinion gewend tot orthopaedisch chirurg [achternaam], verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Maas-tricht. Ondanks dat [achternaam] een andere ingreep dan een totale heupprothese ad-viseerde, heeft eiseres op 4 februari 1998 aangegeven het advies van [de chirurg] en zijn collega [achternaam] te zullen opvolgen. De rechtbank acht het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat eiseres, indien haar preoperatief door [de chirurg] was medege-

deeld dat er een kans op ischiadicus-letsel van 0,5 - 2% bestond, nogmaals gekozen zou hebben voor niet meer reëel gebleken alternatieve behandelingsmethoden, zo-

als pijnbestrijding, dan wel nogmaals een nader advies zou hebben ingewonnen. De

rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres als redelijk handelend patiënt zou heb-ben toegestemd in de onderhavige heupoperatie ook indien haar was medegedeeld dat er een geringe kans op ischiadicus-letsel bestond.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de wijze waarop tekortgeschoten is in de uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende informatieplicht en de door eiseres ge-stelde schade. Dit betekent dat gedaagde niet aansprakelijk gesteld kan worden

voor die schade. De vorderingen van eiseres zullen dan ook worden afgewezen.

Het algemeen geformuleerde bewijsaanbod van eiseres zal de rechtbank als verder

niet relevant passeren.

Nu eiseres ten aanzien van een van de materiële geschilpunten, te weten schending van de informatieplicht, in het gelijk wordt gesteld, acht de rechtbank termen aanwe-zig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

wijst af de vorderingen van eiseres;

compenseert de proceskosten tussen partijen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.M. Schrickx en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van 6 december 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

type: mw