Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AD6893

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-12-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
04/050572-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[Verdachte heeft] op of omstreeks 10 augustus 2001 te Baexem, in elk geval in de gemeente Heythuysen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], werkzaam als beveiligingsbeambte van het leven te beroven, met dat opzet met een scherp, althans puntig mes, in de richting van het lichaam van de zich in zijn verdachtes directe nabijheid bevindende [slachtoffer] gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

Parketnummer : 04/050572-01

uitspraak d.d. : 03 december 2001

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [achternaam]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in Het Keerpunt Opvang- en Behandelingscentrum, Pater Kustersweg 8, Cadier en Keer.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2001.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 10 augustus 2001 te Baexem, in elk geval in de gemeente Heythuysen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], werkzaam als beveiligingsbeambte van het leven te beroven, met dat opzet met een scherp, althans puntig mes, in de richting van het lichaam van de zich in zijn verdachtes directe nabijheid bevindende [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

voltooid; (art. 287 van het Wetboek van Strafrecht);

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen: hij op of omstreeks 10 augustus 2001 te Baexem, gemeente in elk geval in de Heythuysen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], werkzaam als beveiligingsbeambte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een scherp, althans puntig mes, in de richting van het lichaam van de zich in zijn verdachtes directe nabijheid bevindende [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(art. 302 van het Wetboek van Strafrecht);

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 augustus 2001 te Baexem, in elk geval in de gemeente Heythuysen, [slachtoffer], werkzaam als beveiligingsbeambte heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een scherp, althans puntig mes, een of meer stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van genoemde [slachtoffer], althans dreigend een scherp, althans puntig mes op genoemde [slachtoffer] heeft gericht, althans genoemde [slachtoffer] dreigend een scherp, althans puntig mes heeft voorgehouden, in elk geval op dreigende wijze ten opzichte van genoemde [slachtoffer] een scherp, althans puntig mes in zijn handen heeft gehouden; (art. 285 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 08 juli 2001 in de gemeente Roermond opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een (toegangs)deur van een appartementencomplex gelegen aan de Begijnhofstraat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Vesteda, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield of beschadigd; (artikel 350 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 02 augustus 2001 te Baexem, in elk geval in de gemeente Heythuysen, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Renault Clio, kleur: zwart, kenteken: [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd; (art. 350 van het Wetboek van Strafrecht);

4.

hij op of omstreeks 07 augustus 2001 te Baexem, in elk geval in de gemeente Heythuysen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruitje van een brandmelder en een ruit van een deur van een gebouw gelegen aan [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Asiel Zoekers Centrum, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; (art. 350 van het Wetboek van Strafrecht);

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Desgevraagd deelt de officier van justitie mede dat zij op grond van de gegevens die thans ten aanzien van verdachte zijn geregistreerd, bewust heeft gekozen om verdachte als minderjarige te dagvaarden. Dusdoende wenst de officier van justitie uitdrukkelijk de mogelijkheid van toepassing van het minderjarigenstrafrecht voor verdachte open te houden. Verdachte is geregistreerd als geboren op 25 juli 1984. Tegen een besluit ter vaststelling van (onder meer) verdachtes leeftijd is een bestuursrechtelijke procedure aanhangig waarop aldus de officier van justitie tot op heden niet onherroepelijk is beslist.

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangegeven dat naar haar mening een benadering als door de officier van justitie gevorderd gevolgd dient te worden en ten aanzien van verdachte kortgezegd de strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen (Wetboek van Strafvordering, Boek IV, Titel II) dient te worden toegepast.

Uit het strafdossier blijkt dat verdachte als vluchteling Nederland is binnengekomen en als alleenstaande minderjarige asielzoeker op 29 april 1999 bij het Aanmeldcentrum te Zevenaar in de asielprocedure is gegaan.

Drs. H.Th. van der Pas, universitair docent aan de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg heeft een verslag gedateerd 8 januari 2001 uitgebracht betreffende het in opdracht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie verrichte antropobiologisch onderzoek naar de leeftijd van verdachte.

De conclusies van dit onderzoek (betrouwbaarheid: 95% of hoger) zijn onder meer:

dat verdachte op 15 september 2000 een leeftijd wordt toegekend van 21 jaar of ouder;

dat de eigen opgave van verdachte, dat hij is geboren op 25 juli 1984, niet aannemelijk is;

Ter zitting heeft de officier van justitie stukken betreffende de asielprocedure overgelegd waaruit blijkt:

dat de aanvraag van verdachte tot toelating als vluchteling bij besluit van 27 maart 2001 van de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst niet is ingewilligd;

dat verdachte in voornoemd besluit van de IND van 27 maart 2001 niet als minderjarige wordt aangemerkt;

dat verdachte tegen dit besluit van 27 maart 2001 is opgekomen en de IND op 5 oktober 2001 het bezwaar ongegrond heeft verklaard;

dat verdachte tegen voormeld besluit van 5 oktober 2001 een voorlopig beroepschrift heeft ingediend.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het gesloten karakter van het strafrechtsysteem en gelet op het recht van verdachte op en het belang van verdachte en de maatschappij bij een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn in een efficiënte rechtspleging, niet kan worden gewacht op de uitkomst van de asielprocedure, waarin verdachte is gewikkeld en waarbij de vaststelling van de leeftijd onderdeel uitmaakt. De rechtbank zal daarom met inachtneming van de beschikbare gegevens zich ambtshalve een zelfstandig oordeel vormen omtrent de leeftijd van verdachte. Uitgangspunt is dat de wetsbepalingen met betrekking tot minderjarigen uitzonderingsrecht vormen, zodat voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht buiten redelijke twijfel moet staan dat de verdachte werkelijk minderjarig is. In dit geval moet redelijkerwijze betwijfeld worden of de verdachte, zoals hij stelt, inderdaad minderjarig is. De verdachte zelf heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan gedocumenteerd aangetoond, dat hij minderjarig is. Het strafdossier bevat daarentegen gegevens, waaruit kan worden afgeleid dat verdachte hoogstwaarschijnlijk meerderjarig is. De rechtbank neemt daarbij vooral in aanmerking het advies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg om een minimumleeftijd van 20 jaar aan te houden indien sprake is van een uitgerijpt sleutelbeen. Gelet op dat advies heeft de IND verdachte op 15 september 2000 een leeftijd van 20 jaar of ouder toegekend. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte op het tijdstip van de tenlastegelegde feiten, tenminste de leeftijd van 20 jaren heeft bereikt.

De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van de aan te nemen leeftijd van verdachte, in haar hoedanigheid van rechtsprekend college als bedoeld in artikel 495 van het Wetboek van Strafvordering, niet bevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen.

De rechtbank zal - van oordeel dat zij rechtsprekende ingevolge de bepalingen van het commune strafrecht daartoe wel bevoegd is - voorts op grond van het gestelde in artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat de voorlopige hechtenis nog zes dagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak van kracht zal blijven.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart zich niet bevoegd van de onderhavige zaak kennis te nemen;

bepaalt dat de voorlopige hechtenis van verdachte nog zes dagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak van kracht zal blijven.

Dit vonnis is gewezen door mrs H.A.M.J. Paulussen en P.C.G. Brants, beiden

kinderrechter en W.Th.M. Raab, plaatsvervangend kinderrechter, van wie mr.

P.C.G. Brants voorzitter, in tegenwoordigheid van H.M.M. Muijzers als griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 december

2001.

Mrs Paulussen en Raab zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.