Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AD3983

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-10-2001
Datum publicatie
03-10-2001
Zaaknummer
46582 KGZA 01-229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 37
Faillissementswet 40
Faillissementswet 98
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 303
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2001/267 met annotatie van mr. E. Loesberg

Uitspraak

Uitspraak: 3 oktober 2001.

V O N N I S

van de president

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

rechtsprekende in kort geding

in de zaak van:

eisers in kort geding bij exploten van dagvaarding d.d. 26 september 2001, gedaagden in reconventie:

1. Mr. Philip Willem SCHREURS qq,

wonende te Nederweert-Eind,

kantoorhoudende te Venlo, Deken van Oppensingel 11,

ter dezer zake optredende in zijn hoedanigheid van curator

in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VEKOMA MANUFACTURING B.V.;

en

2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VEKOMA RIDES B.V.,

gevestigd te 6063 BA Vlodrop, Schaapweg 18,

procureur voor beiden: mr. Y.W.P. Suiskens;

tegen:

gedaagden in conventie in kort geding bij voormeld exploten van dagvaarding:

1. gedaagde sub 1,

wonende te Horn,

2. gedaagde sub 2,

wonende te Waalre,

advocaat: mr. C.W.M. Vergouwen te Eindhoven;

tevens eiseres in reconventie in kort geding:

3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W.E.A. Development B.V.,

statutair gevestigd te Vleuten-De Meern, kantoorhoudende te

3454 JW De Meern, Zandweg 66,

procureur: mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

advocaat mr. M.M.A. Broeren te Rotterdam.

het verloop van de procedure

In conventie en in reconventie

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

· de inleidende dagvaardingen;

· de pleitnota van mrs. Schreurs en Suiskens en de door eisers in conventie, gedaagde in reconventie in het geding gebrachte producties;

· de pleitnotitie van mr. Vergouwen en de door Gedaagde sub 1 en Gedaagde sub 2 in het geding gebrachte producties;

· de pleitnotitie van mr. Broeren en de door W.E.A. in het geding gebrachte

producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2001.

De curator en mr. Suiskens hebben hun eis gewijzigd, doch deze eiswijziging is vervolgens, zoals de president heeft begrepen, weer ingetrokken.

vaststaande feiten

Bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 24 augustus 2001 zijn de navolgende vennootschappen van de Vekomagroep in staat van faillissement verklaard met aanstelling van eiser sub 1 tot curator:

Vekoma Manufacturing BV;

Vekoma International BV;

Vekoma Technology BV;

Vekoma Onroerend Goed BV;

Muermans Beheer BV;

Constructiebedrijf Gebroeders Muermans BV;

Transquest BV.

Deze groep, de Vekomagroep, was de grootste achtbanenbouwer ter wereld.

Op 27 augustus 2001 heeft de curator de arbeidsovereenkomsten met het merendeel van de 274 werknemers, waaronder gedaagden opgezegd.

Gedaagde sub 1 is per 1 augustus 1998 in dienst getreden van Vekoma Manufacturing in de functie van Executive Vice President Production, in welke functie hij deel uitmaakte van het directieteam. Vervolgens werd hij Vice President Quality Assurance en is geëindigd in de functie van Vice President Steel Structures.

Op de arbeidsovereenkomst zijn de volgende bedingen toepasselijk:

* Artikel 13 - Geheimhouding

Medewerker is verplicht om zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, absolute geheimhouding jegens eenieder, daaronder begrepen medewerkers van Vekoma, te betrachten over alles omtrent bedrijfsaangelegenheden in de ruimste zin des woords, hetwelk medewerker op welke wijze dan ook tijdens de arbeidsovereenkomst verkrijgt en waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat bekendmaking Vekoma kan benadelen. Deze geheimhoudingsverplichting omvat eveneens alle gegevens waarvan medewerker uit hoofde van zijn functie, van klanten of andere relaties van Vekoma, kennis neemt.

* Artikel 14 - Eigendommen van Vekoma

Alle goederen, waaronder begrepen software, op informatiedragers opgeslagen informatie en schriftelijke stukken cq. fotokopieën daarvan, welke medewerker van of ten behoeve van Vekoma tijdens de arbeids- overeenkomst onder zich krijgt, zijn en blijven uitsluitend eigendom van Vekoma. De medewerker is zodoende gehouden deze goederen op eerste verzoek van Vekoma, doch in ieder geval bij beëindiging van de dienstbetrekking, wederom aan Vekoma ter beschikking te stellen.

* Artikel 15 - Boetebeding

Medewerker is van rechtswege in gebreke door enkele overtreding of niet-nakoming van het bepaalde in de artikelen 11, 12, 13 en 14, in welke geval medewerker aan Vekoma een direct opeisbare, boete van f. 5.000,- per overtreding zal verbeuren, benevens een bedrag van f. 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, zijnde de genoemde bedragen een vergoeding voor alsdan door Vekoma geleden

en te lijden schade, welke schade door medewerker wordt erkend, onverminderd de overige rechten van Vekoma krachtens wet of onderhavige arbeidsovereenkomst, zoals ondermeer om een verbod en/of volledige schadevergoeding te vorderen, alsmede om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan indien die alsdan nog mocht bestaan.

* Artikel 16 - Concurrentiebeding

Medewerker zal, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming

van Vekoma, gedurende het bestaan der dienstbetrekking alsmede gedurende twee jaren na beëindiging daarvan, niet in enigerlei vorm waar ook ter wereld, gezien de bijzondere positie van Vekoma, een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van Vekoma vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook in of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook hebben, zulks op verbeurte van een direct opeisbare boete van f. 10.000,- per overtreding, vermeerderd met f. 1.000, - voor iedere dag waarop een overtreding voortduurt, te betalen aan Vekoma, onverminderd de overige rechten van Vekoma krachtens wet of onderhavige arbeidsovereenkomst, zoals ondermeer om een verbod enlof volledige schadevergoeding te vorderen, alsmede om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan indien die alsdan nog mocht bestaan. Ingeval van overtreding of niet-nakoming van een der bovenstaande verplichtingen is medewerker uit kracht van het enkele feit der overtreding in gebreke, zonder dat sommatie of enige andere formaliteit nodig zal zijn en zonder dat schade behoeft te worden aangetoond".

Gedaagde sub 2 is per 1 januari 2000 in dienst getreden van Vekoma Manufacturing in de functie van Manager Product Support Europe. Daarna werd hij Vice President Customer Services en vervolgens tijdelijk Vice President Product Support Europe en is geëindigd als Executive Vice President Product Support, een functie met wereld wijde verantwoordelijkheid.

In de arbeidsovereenkomst met hem zijn ongeveer gelijkluidende bepalingen opgenomen als hierboven geciteerd.

Vekoma zat reeds maandenlang in ernstige financiële problemen. De Vekoma- aandeelhouders en -directie waren reeds sedert het einde van 2000 op zoek naar nieuwe investeerders. Deze gesprekken leiden niet tot resultaat, omdat tussentijdse cijfers van Vekoma niet beschikbaar of niet betrouwbaar zijn en er onvoldoende duidelijkheid is te verkrijgen over de positie onderhanden werk van Vekoma.

Vekoma is een projectmatig werkend bedrijf, dat per jaar een aantal achtbanen bouwt. Dit zijn projecten van enkele miljoenen guldens per stuk op een wereldwijde markt. Voor eventuele investeerders was uiteraard van groot belang te weten welke risico's en welke mogelijke baten aan deze projecten waren verbonden. Een tweede, terugkerend, probleem bij de gesprekken met investeerders is de mate waarin deze uiteindelijk zeggenschap de wensen te krijgen. Investeerders willen vanzelfsprekend graag de meerderheid in de aandeelhoudersvergadering en het algemeen directeurschap.

In de loop van dinsdag 21 augustus heeft in aanwezigheid van de huisbankier (RABO) een laatste gesprek plaats met twee mogelijke investeerders. Om diverse redenen, ketsen deze gesprekken in de loop van de dag definitief af: Vekoma's speurtocht naar geld is definitief mislukt. De Bank draait, zoals ze van tevoren reeds had aangekondigd, acuut de geldkraan dicht. Vermoed mag worden dat Vekoma meedeelt dat zij zich genoodzaakt ziet het faillissement aan te vragen.

Op woensdag 22 augustus 's ochtends wordt het voltallige personeel van Vekoma bijeengeroepen en naar huis gestuurd met het verzoek nadere berichten af te wachten.

Op donderdag 23 augustus verschijnen in de pers berichten over de bedrijfssluiting. Diverse personen betrokken bij Vekoma maken melding van het feit dat er hard wordt gewerkt aan een doorstart.

Op vrijdag 24 augustus direct na zijn benoeming gaat de curator met enkele kantoorgenoten naar Vlodrop voor een intakegesprek met de directie en haar raadslieden.

Al snel wordt het duidelijk dat Vekoma een seizoensgebonden bedrijf is. Het seizoen van pretparken loopt af in september. Met ingang van september doen pretparken eventueel bestellingen voor nieuwe attracties. Deze attracties worden vooral in de periode september-april gebouwd. Projecten hebben veelal een doorlooptijd van een half of anderhalf jaar. Het faillissement komt derhalve op een voor de onderneming zeer ongunstig tijdstip. Afnemers van Vekoma plegen in de eerste twee weken van september het gros van hun bestellingen te doen. Voor het einde van die periode moet een doorstart gerealiseerd zijn. De tijdsdruk is derhalve vanaf de eerste dag zeer hoog.

Eveneens wordt in het eerste gesprek al duidelijk dat Roger Houben, directeur van de Vekomagroep, niet zelfstandig bij machte is een doorstart te realiseren. Hem ontbreken daartoe eenvoudig de financiële middelen en hij beschikt ook nog niet over vergaande contacten met financieel draagkrachtige personen. Zijn speurtocht naar nieuw eigen vermogen moet in feite weer van voren af aan beginnen.

Elke potentiële financier van Roger Houben, maar ook elke andere potentiële gegadigde voor een doorstart zal grote behoefte hebben aan een adequaat inzicht in de status van het onderhanden werk, in de projectenportefeuille. De curator heeft meteen alles in het werk gesteld een dergelijk inzicht te krijgen en daartoe leden van het managementteam aan het werk gezet. Het bedrijf beschikte niet over een goede projectadministratie, zodat de werkelijke waarde van de actiefpost onderhanden werken slechts door moeizaam combineren van gegevens te verkrijgen was.

Op zaterdag 25 augustus heeft de curator het eerste gesprek met de Bank. Daarin komt aan de orde dat de Bank een vordering heeft van circa 13 miljoen en uitstaande bankgaranties ter waarde van 19 miljoen. Of de uitstaande bankgaranties ten laste van de Bank zullen worden getrokken, hangt nagenoeg geheel af van de vraag of de uitstaande projecten kunnen of zullen worden afgemaakt.

Op maandag 27 augustus 's ochtends heeft de curator het personeel toegesproken. Bij het personeel leefde, op basis van de berichten in de pers, vertrouwen in een spoedige doorstart. Dit vertrouwen leek enigszins voorbarig en de curator heeft het personeel dan ook een reëel en dus tamelijk somber beeld van de situatie op dat moment geschetst en gevraagd om minimaal een week geduld.

Later die dag heeft de curator een volgend gesprek met Houben enerzijds en de

Bank anderzijds over de mogelijkheden van een doorstart door Houben. Deze heeft aangegeven welke investeerders hij van plan was te benaderen en dat hij bereid was genoegen te nemen met een minderheidsbelang en beperkte managementbevoegdheden. Enig uitzicht op een financiële partner had Houben echter nog niet.

Zowel bij de Bank als bij de curator hadden enkele partijen van interesse blijk gegeven. Afgesproken is dat aan die partijen een informatie-memorandum zou worden toegestuurd en dat aan serieuze kandidaten, na ondertekening van een geheimhoudingsverklaring inzage in de projectenportefeuille zou worden geboden.

In de loop van de middag bemerkte de curator bij het managementteam, waaronder gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2, onvrede met het businessplan, zoals dat door Houben inmiddels was gedeponeerd bij de Bank. Zij gaven aan dat zij onder geen beding bereid waren in dienst te blijven bij Vekoma indien Houben een doorstart zou maken. De curator heeft aangegeven dat hij in het geheel niet exclusief sprak met Houben, maar ook geïnteresseerd was in gesprekken met andere kandidaten. Niet alleen omdat een doorstart-Houben op dat moment zeer onwaarschijnlijk was, maar ook omdat de aanwezigheid van meerdere kandidaten een betere afspiegeling van de werkelijke waarde van het bedrijf bij een doorstart zou bewerkstelligen.

Het managementteam is in de daaropvolgende dagen gegroeid tot vier personen, te weten gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2, David en Joris. De laatste is aan het einde van de strijd om de doorstart alsnog afgehaakt.

Het managementteam of leden daarvan heeft contact gezocht en gekregen met Price Waterhouse Coopers Business Recovery (PWC), in de persoon van de heer

Van der Vorst. PWC heeft eind 2000 een diepgravend onderzoek gedaan naar de problemen bij Vekoma en destijds voorstellen gedaan waarin het managementteam zich veel meer herkende dan in de recente doorstartplannen van Houben. Na de nodige strubbelingen heeft PWC een onderzoek aangevangen voor een op dat moment naamloos gehouden cliënte van PWC. Later is gebleken dat W.E.A. de desbetreffende cliënte was.

In de week van woensdag 29 augustus tot en met dinsdag 4 september heeft het managementteam een compleet businessplan in elkaar gedraaid en zeer actief gezocht naar partijen die hen financieel zouden kunnen ondersteunen. Uiteindelijk is een groep geformeerd, bestaande uit de heren gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2, de heer David, W.E.A. (vertegenwoordigd door de heer H), het LIOF en Muraco.

Aan de andere kant is omstreeks 31 augustus de heer Houben in contact gekomen met Huisman, een staalconstructiebedrijf uit Schiedam en een oude relatie van Vekoma.

Op maandag 3 september hebben beide partijen een eerste gesprek gehad met de Bank en de curator. In beide gevallen streefde men naar voorfinanciering door de Bank van Vekoma-nieuw, terwijl eveneens in beide gevallen nog geen volledige duidelijkheid kon worden geboden over de omvang van het nieuwe eigen vermogen. Beide partijen spraken over behoud van werkgelegenheid voor circa 140 mensen.

Woensdag 5 en donderdag 6 september

Het businessplan dat door Houben ter beoordeling was voorgelegd voorzag in behoud van werkgelegenheid voor 140 man. Doordat Huisman, ook wanneer even minder werk te doen was bij Vekoma, de diensten van het Vekoma personeel goed zou kunnen gebruiken bij het uitvoeren van werkzaamheden voor haar eigen volle orderportefeuille, was er sprake van grote synergie en een belangrijke garantie voor continuïteit, ook als de opstartfase problematisch zou zijn.

Op woensdag 5 september heeft Huisman/Houben een bod neergelegd dat de Bank garandeerde dat de schuldpositie verder absoluut niet zou oplopen. Het verlies van de Bank bleef daarmee "beperkt" tot 13 miljoen. Voor de Bank was belangrijk dat Huisman/Houben voor de benodigde kredieten aan zou kloppen bij Huisman's huisbankier ABN AMRO. Aan Huisman/Houben is meegedeeld dat de curator het bod van het managementteam wenste af te wachten. Huisman/Houben stelde overigens een uiterste termijn van vrijdag 7 september om 12.00 uur. Het managementteam heeft uiteindelijk toegezegd uiterlijk op vrijdag 10.00 uur met een bod te komen.

Het bod van het managementteam voorzag uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de Bank op een termijn van ongeveer een jaar volledig zou worden afgelost. Ondanks verzoeken daartoe kon of wenste deze groep daarover echter geen zekerheid bieden. Voor de activa zouden min of meer reële bedragen worden betaald, maar het onderhanden werken (waarin, als gezegd, voor de Bank een risico van 19 miljoen zat verscholen) zou voor rekening en risico van de Bank worden afgemaakt. Voor de uitwerking van de plannen had men nog minimaal 5 dagen nodig. Tenslotte wilde men in aanvang slechts 57 personeelsleden in dienst nemen om vervolgens pas bij gebleken succes uit te groeien naar ongeveer 140 mensen.

Voor de boedel kwam als een onaangename verrassing het betrekkelijk lage aantal de werknemers, waardoor de boedelvordering van de bedrijfsvereniging (voor de overgenomen loonverplichting over de opzeggingsperiode) aanzienlijk hoger uit zou vallen dan in het plan Huisman/Houben.

Huisman/Houben heeft in de loop van de dag haar bod verhoogd tot een bedrag in contanten van 2,5 miljoen en volledige overname van de uitstaande bankgarantieverplichtingen. Het managementteam heeft aangegeven niet in staat te zijn een bod te doen waarin zekerheid voor de positie van de Bank was opgenomen.

Op grond daarvan is in de loop van de middag van 7 september 2001 overeenstemming bereikt met partij Huisman/Houben en is deze overeenstemming wereldkundig gemaakt, van de zijde van Huisman overigens onder het voorbehoud van toestemming van de Raad van Commissarissen en de OR, welk voorbehoud gold tot maandag 10 september 16.00 uur.

Op 14 september 2001 is de overeenkomst tot koop en verkoop van de activa van de Vekomagroep door partij Huisman/Houben ondertekend. Daarbij is in artikel 19 het volgende opgenomen:

19.1

De curator is gehouden al het redelijkerwijs noodzakelijke te doen c.q. na te laten dat nodig is of zal blijken te zijn om te geraken tot overdracht van de activa indien zulks niet op de in deze Overeenkomst bepaalde wijze mocht blijken te zijn.

19.2

De curator zal in het kader van de afwikkeling van het faillissement de gerechtvaardigde belangen van de door Koper voort te zetten onderneming(en) zoveel als redelijkerwijs mogelijk trachten in acht te nemen".

stellingen van de curator en Vekoma Rides B.V.

Naar achteraf is gebleken is in de periode van zaterdag 8 tot en met dinsdag 11 september het managementteam onmiddellijk begonnen met de positie van de doorstarter - onder de naam Vekoma Rides B.V., eiseres in conventie sub 2 - te ondermijnen.

Zoals uit de door gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 overgelegde verklaringen blijkt, zijn gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 en de heer David in dat weekend volop aan de slag gegaan om de 17 key-people, de laag direct onder het directieniveau te benaderen en te bewegen in dienst te treden bij het door hen op te richten bedrijf.

In de loop van de avond van 10 september is, naar achteraf is gebleken, een bijeenkomst georganiseerd in de Oranjerie te Roermond waarvoor het managementteam alle sleutelfiguren van Vekoma heeft benaderd. Een aantal van hen zijn gegaan en werden bewogen bij ben in dienst te treden.

In de loop van de ochtend van 11 september wordt bij Huisman/Houben duidelijk dat het managementteam tot ieders verrassing probeert de key-people te ronselen. Zonder het merendeel van die mensen is het natuurlijk uitgesloten Vekoma-nieuw succesvol door te starten. Het wordt een zeer spannende dag en diep in de avond deelt Huisman mee zich op het gemaakte voorbehoud te beroepen tenzij er opnieuw 24 uur verlenging verleend wordt, zodat Huisman tijd heeft met de individuele afdelingshoofden te overleggen. Onder die druk moest de curator zwichten.

In deze periode van 15 tot en met vrijdag 21 september hebben gedaagden opnieuw pogingen in het werk gesteld een doorstart alsnog te frustreren, nu door de engineers van Vekoma te benaderen. Deze engineers vormen het hart van Vekoma en zonder hen is bedrijfsvoering niet mogelijk. Aan deze engineers was in enkele gevallen al een aanbod gedaan om in dienst te treden bij Vekoma-nieuw (Vekoma Rides B.V.) maar de formele afwikkeling daarvan was nog niet afgerond. Op 18 september jl. heeft Vekoma-nieuw moeten merken dat inmiddels circa 7 engineers hun vertrek bij Vekoma-nieuw hadden aangekondigd. In de loop van 21 september jl. liep dit aantal op naar 11 en is contact opgenomen met de raadsman van gedaagden met het herhaald verzoek de reeds gerealiseerde doorstart en de werkgelegenheid van 150 mensen niet in gevaar te brengen en het werven van mensen te staken.

Uitdrukkelijk hechten eisers er aan op te merken dat gedaagden nauw betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen omtrent een mogelijke doorstart van de Vekomagroep. Daarenboven zijn Gedaagden als geen ander op de hoogte van het reilen en zeilen van de Vekomagroep. Zij kennen uit hoofde van hun functie de klanten en alle belangrijke relaties van de Vekoma-groep. Uit hoofde van hun functie hebben zij tevens de beschikking over allerlei belangrijke informatie zoals bijvoorbeeld ontwerpen, tekeningen en dergelijke. Als geen ander weten gedaagden de wegen te bewandelen die noodzakelijk zijn een concurrerend bedrijf op te richten. Voor de Vekomagroep zijn zogenaamde engineers van eminent belang. Het zijn met name deze mensen die ontwerpen maken en het technisch aanspreekpunt zijn voor klanten. Juist deze mensen zijn door gedaagden benaderd om bij hen in dienst te treden.

De medewerkers die af hebben gezien van het in dienst treden bij Vekoma Rides B.V. zijn met name engineers.

Thans trachten zij de goodwill van de Vekomagroep aan zich te trekken zonder enige vergoeding en ten detrimente van Vekoma Rides B.V., die een aanzienlijke overnamesom heeft betaald. Uit hoofde van hun functie alsmede hun betrokkenheid bij de diverse onderhandelingen ter zake van de doorstart, is het voor eisers noodzakelijk dat gedaagden zich houden aan de bedingen zoals verwoord in hun respectieve arbeidsovereenkomsten. Het optreden door gedaagde is in strijd met het geheimhoudingsbeding (artikel 13) en concurrentiebeding (artikel 16) zoals dat door hen met Vekoma-oud is gesloten en is overigens onrechtmatig met name ook ten opzichte van Vekoma Rides B.V..

De curator zal dan ook een voorschot vorderen van de contractueel bedongen boete ter zake van overtredingen van deze bedingen. De handelwijze van gedaagden is onrechtmatig ten opzichte van Vekoma Rides B.V. omdat ten gevolge van deze (door het geheimhouding- en concurrentiebeding verboden) handelwijze een succesvolle doorstart en daardoor de werkgelegenheid van zo'n 150 werknemers onder druk komt te staan. Het structureel wegtrekken van know-how in de vorm van (oud) medewerkers van Vekoma-oud en (toekomstige) medewerkers van Vekoma Rides B.V., althans het stelselmatig actief benaderen van medewerkers om bij hen in dienst te treden in de wetenschap dat daardoor know-how bij Vekoma Rides B.V. verdwijnt, is niet zorgvuldig. Gedaagden hebben dit echter willens en wetens gedaan en in sommige gevallen met succes.

vorderingen in conventie

Gedaagden

1. te verbieden inbreuk te maken op het geheimhoudingsbeding zoals bedoeld in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst ten opzichte van eiser sub 1 na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van een ten behoeve van eiser sub 1 en/of sub 2 te verbeuren boete van f. 5.000,-- per overtreding en f. 500,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt;

2. te veroordelen tot betaling aan eiser sub 1 van een boete van f. 2.500,-- bij wijze van voorschot aan eiser sub 1 wegens het overtreden van voormeld geheimhoudingsbeding op 10 september 2001;

3. te verbieden in strijd met het concurrentiebeding zoals verwoord in artikel 16 van de arbeidsovereenkomst met eiser sub 1 te handelen, zulks op straffe van een ten behoeve van eiser sub 1 en/of sub 2 te verbeuren direct opeisbare boete van f. 10.000,-- per overtreding, vermeerderd met f. 1.000,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt;

4. te verbieden om gebruik te maken van software en schriftelijke stukken c.q. fotokopieën daarvan zoals bedoeld in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst met eiser sub 1 op straffe van een ten behoeve van eiser sub 1 en/of sub 2 te verbeuren direct opeisbare boete van f. 5.000,-- per overtreding benevens een bedrag van f. 500,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt;

5. te verbieden werknemers te benaderen van eiser sub 2 en klanten van eiser sub 2 op straffe van een dwangsom ten behoeven van eiser sub 1 en/of sub 2 van

f. 10.000,00 bij iedere overtreding na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

6. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Gedaagden

1. te verbieden inbreuk te maken op het geheimhoudingsbeding zoals bedoeld in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst met eiser sub 1 ten opzichte van eiser sub 1 na berekening van het ten dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van een ten--behoeve van eiser sub 1 te verbeuren boete van f. 5.000,-- per overtreding en

f. 500,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt;

2. te veroordelen tot betaling aan eiser sub 1 van een boete van f. 5.000,-- bij wijze van voorschot aan eiser sub 1 wegens het overtreden van het voormelde geheimhoudingsbeding op 10 september 2001;

3. te verbieden in strijd met het concurrentiebeding zoals verwoord in artikel 16 van de arbeidsovereenkomst met eiser sub 1 te handelen, zulks op straffe van een dwangsom van een ten behoeve van eiser sub 1 te verbeuren direct opeisbare boete van f. 10.000,-- per overtreding na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

4. te verbieden om gebruik te maken van software en schriftelijke stukken c.q. fotokopieën daarvan zoals bedoeld in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst met eiser sub 1 op straffe van een ten behoeve van eiser sub 1 te verbeuren direct opeisbare boete van f. 5.000,-- per overtreding benevens een bedrag van

f. 500,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt;

5. te verbieden werknemers van eiser sub 2 en van klanten van eiser sub 2 te benaderen op straffe van een dwangsom van f. 10.000,-- bij iedere overtreding na betekening van het in deze te wijzen vonnis ten behoeve van eiser sub 1 en/of sub 2;

6. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Gedaagde sub 3 W.E.A.

1. te verbieden (oud) werknemers van eiser sub 1 en/of eiser sub 2 te benaderen enlof in dienst te nemen of te houden na berekening van het te dezen te wijzen vonnis zulks op straffe van een dwangsom van f. 100.000,-- per overtreding en per dag dat deze voortduurt ten behoeve van eiser sub 1 en/of sub 2;

2. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

het oordeel van de President

overeenkomst tot koop en verkoop van de activa van Vekoma

Aldus luidt de titel van de op 14 september 2001 gesloten overeenkomst tussen de curator en Vekoma Rides BV i.o.. Bij deze overeenkomst worden verkocht: de onroerende zaken, de inventaris, de voorraden, de vorderingen, het onderhanden werk en de orderportefeuille, de intellectuele eigendom en de know-how van de hierboven vermelde gefailleerde vennootschappen.

Uit deze opsomming van verkochte goederen en zaken blijkt dat het niet enkel betrof een activa transactie, maar dat materieel de onderneming werd overgedragen.

Het betrof echter geen overneming als bedoeld in artikel 7:663 B.W., zodat niet de rechten en verplichtingen ten aanzien van de werknemers van rechtswege overgingen.

De werknemers waren door Vekoma oud ontslagen en moesten door Vekoma Rides door het aangaan van nieuwe arbeidscontracten in dienst genomen worden. Daarbij zijn zoals boven aangegeven niet alle werknemers betrokken geworden, maar ongeveer 140 werknemers van Vekoma oud.

Gedaagden hebben geen nieuw dienstverband met Vekoma Rides gewenst.

non-concurrentiebeding en faillissement

Gedaagden hebben het navolgende betoog naar voren gebracht.

Artikel 37 lid 1 van de Faillissementswet luidt: "Indien een wederkerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zowel door de schuldenaar als door de wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelik is nagekomen en de curator zich niet binnen een hem daartoe door de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen, verliest de curator het recht zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderden".

Gedaagden zijn van mening dat bovengenoemde arbeidsovereenkomst te kwalificeren is als een wederkerige overeenkomst die zowel door hen als door de failliete vennootschap slechts gedeeltelijk was nagekomen, aangezien zij aangegaan was voor onbepaalde tijd.

Nu de curator gedaagden heeft ontslagen heeft hij daarmee te kennen gegeven, zonder dat hem daartoe overigens schriftelijk een termijn is gesteld, dat hij de overeenkomst geen gestand zou doen en geen zekerheid zou stellen voor de nakoming zijdens de boedel ervan. Ingevolge artikel 37 lid 1 Faillissementswet kan de curator dan van gedaagden geen nakoming van de overeenkomst meer vorderen. De bepaling spreekt uitdrukkelijk over de overeenkomst en niet over de bepalingen van de overeenkomst met uitzondering van een concurrentiebeding of geheimhoudingsbeding. Met andere woorden de curator kan geen nakoming van

welke bepaling dan ook uit de arbeidsovereenkomsten van gedaagden afdwingen.

De President kan gedaagden in dit betoog niet volgen. Artikel 37 van de Faillissementswet ziet op wederkerige overeenkomsten (onderhanden werk), niet zijnde arbeidsovereenkomsten. Hebben beide partijen niet of slechts gedeeltelijk voldaan dan heeft de wederpartij van de gefailleerde de bevoegdheid de curator te sommeren te verklaren of hij de overeenkomst gestand wenst te doen. Geeft de curator deze verklaring niet dan wordt de overeenkomst van rechtswege ontbonden net dit gevolg dat de wederpartij voor schadevergoeding kan opkomen.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing artikel 40 van de Faillissementswet (en dit niet als lex specialis ten opzichte van artikel 37 als lex generalis gelijk de curator heeft betoogd, maar als geheel zelfstandige bepaling). Lid 1 van artikel 40 van de Faillissementswet luidt als volgt:

Werknemers in dienst van de gefailleerde kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen en hun kan wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd, en wel met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van zes weken.

Dit houdt ondermeer in dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan toch tussentijds opzegbaar is. Bovendien kan de arbeidsovereenkomst tegen elke dag worden opgezegd.

In dit geval zijn aan alle werknemers van Vekoma-oud ontslag aangezegd.

Dit ontslag is geen ander ontslag als het ontslag als bedoeld in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Na een dergelijk ontslag blijft het non-concurrentiebeding in stand, evenwel na faillissement met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen,

In deze is van belang het bepaalde in artikel 2:19 Burgerlijk Wetboek, luidende als volgt:

1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

c. na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie;

Alle vennootschappen van de Vekoma-groep zijn rechtspersonen. Zij zullen te zijner tijd hetzij door opheffing hetzij door insolventie ophouden te bestaan.

Bestaat de rechtspersoon/werkgever niet meer dan kan deze geen beroep meer doen op het bestaan van het concurrentiebeding. Anderzijds kan de ex-werknemer geen concurrerende activiteiten ontplooien ten aanzien van een rechtspersoon/oud-werkgever, die niet meer bestaat. Na ontbinding van de rechtspersoon/werkgever heeft derhalve het non-concurrentiebeding zijn werking verloren,

In deze procedure is het evenwel de vraag hoe de rechtstoestand is ten aanzien van een failliete rechtspersoon, die nog niet is ontbonden, immers het is de curator die zich thans op de werking van het non-concurrentiebeding beroept.

De curator doet dit beroep wetende dat de rechtspersoon te zijner tijd zal worden ontbonden en bovendien wetende dat de rechtspersoon/werkgever geen activiteiten meer ontplooit (artikel 98 Faillissementswet is ten deze niet van toepassing). Bovendien heeft de curator zelve de werknemers ontslagen op grond van artikel 40 Faillissementswet.

Onder deze omstandigheden heeft een curator geen enkel belang zich op de werking van dit beding te beroepen. In dit geval doet artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek opgeldt: zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.

De conclusie uit het vorenstaande is dat na ontslag van de werknemer op basis van artikel 40 Faillissementswet (feitelijk) de werking van het non-concurrentiebeding is komen te vervallen.

non-concurrentiebeding en Vekoma Rides B.V. en functiewisseling

Het beding is aangegaan met Vekoma-oud en niet met Vekoma Rides B.V.. Nu het geen overname betreft als bedoeld in artikel 7:663 Burgerlijk Wetboek kan Vekoma Rides B.V. geen rechten ontlenen aan een beding, waarbij zij geen partij is geweest.

Gedaagden zijn nog ingegaan op het feit dat hun functie bij Vekoma-oud een zodanige wijziging had ondergaan, dat het non-concurrentie beding geen gelding meer heeft omdat deze na de functiewisseling niet opnieuw schriftelijk is aangegaan. Gezien het hierboven overwogene behoeft de president daar niet nader op in te gaan. Bovendien was dit in dit kort geding onvoldoende duidelijk naar voren gekomen.

geheimhoudingsbeding

Hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het non-concurrentiebeding geldt mutatis mutandis evenzeer voor het geheimhoudingsbeding dat Gedaagden zijn aangegaan met de rechtspersoon/oud-werkgever, die door het faillissement zal ophouden te bestaan.

slotconclusie ten aanzien van het geheimhoudingsbeding en het non-concurrentiebeding

De vorderingen sub 1, 2 en 3 ten aanzien van gedaagden dienen te worden afgewezen.

vordering sub 4 ten aanzien van gedaagde terzake van een verbod gebruik te maken van software en schriftelijke stukken

Ook deze vordering is gebaseerd op de arbeidsovereenkomst die deze gedaagden met Vekoma-oud zijn aangegaan. Vekoma Rides B.V. kan daar geen rechten aan ontlenen. Zolang Vekoma-oud als rechtspersoon nog niet is ontbonden kan de curator de rechten uit de arbeidsovereenkomst uitoefenen ten aanzien van gedaagden.

Desalniettemin zal de President deze vordering afwijzen om reden dat deze vordering onvoldoende is gespecificeerd. Er is met name niet vermeld om welke software en schriftelijke stukken het gaat. Een zo ruim en algemeen verbod is vragen om problemen bij de executie daarvan.

Volgens het arbeidscontract zijn deze zaken eigendom van Vekoma-oud. Het zou gedaagde sieren, ingeval zij dergelijke zaken onder zich hebben, dat zij deze zaken vrijwillig afgeven aan de curator, immers het gebruik maken van eigendommen van een ander zonder daartoe gerechtigd te zijn is onrechtmatig.

vordering sub 5 ten aanzien van gedaagden en vordering sub 1 ten aanzien van W.E.A. terzake van een verbod werknemer van Vekoma-oud en/of Vekoma Rides B.V. en klanten van Vekoma Rides B.V. te benaderen; ten aanzien van W.E.A. tevens een verbod deze werknemers in dienst te nemen of te houden

Vekoma Rides B.V. baseert deze vordering op de volgende stelling:

Ten tijde van het verzoek van gedaagden aan de medewerkers om bij hen in dienst te treden, wisten gedaagden dat Verkoma Rides B.V. voornemens was ongeveer 150 medewerkers over te nemen. Desalniettemin hebben gedaagden structureel en stelselmatig, zoals ook uit de verklaringen blijkt, gepoogd een aantal (belangrijke) medewerkers over te halen bij hen in dienst te treden en zijn zij daar in bepaalde gevallen in geslaagd. Gebleken is dat met name de technische bovenlaag van de Vekomagroep door gedaagden is "weggetrokken". Gedaagden zijn, uitgerekend met behulp van de speciale kennis en gegevens die zij van en door hun dienstverband bij Vekoma-oud hebben verkregen in staat schade te berokkenen aan Vekoma Rides B.V.. Het doelbewust wegtrekken van personeel is onrechtmatig ten opzichte van Vekoma Rides B.V.. Dusdoende handelen gedaagden in strijd met de zorgvuldigheid die het maatschappelijk betaamt.

Vekoma Rides B.V. licht deze stellingname als volgt toe.

Voor het geval dat het concurrentiebeding niet meer toepasselijk zou zijn, wordt door Vekoma Rides B.V. aangevoerd dat een werknemer gebonden of niet door een concurrentiebeding jegens zijn de werkgever geen onrechtmatige daad mag plegen. De onrechtmatige concurrentie zou kunnen voortvloeien uit:

· de werknemer was tegen beloning in dienst van de (voormalig) de werkgever;

· de werknemer heeft relaties met een duurzaam karakter ontwikkeld;

· de werknemer probeert die relaties na dienstverband stelselmatig van zijn

voormalig de werkgever af te nemen;

· hij doet zulks met behulp van de speciale kennis en gegevens die hij van of bij de werkgever heeft gekregen voor de opbouw van diens debiet.

Uit de jurisprudentie blijkt met name dat de werknemer die tegen beloning een bedrijfsdebiet met een duurzaam karakter voor zijn inmiddels voormalig werkgever heeft helpen opbouwen, onrechtmatig handelt door dit vervolgens stelselmatig en in substantiële mate af te breken, wanneer hij daarbij gebruik maakt van de hulpmiddelen, zoals bijzondere know-how en bedrijfsgoodwill, die hij bij diezelfde voormalige werkgever vertrouwelijk, dat wil zeggen: "in het kader van de bedrijfsuitoefening ter beschikking heeft gekregen.

Dat is wat hier gebeurt: Gedaagde sub 1 en Gedaagde sub 2, die uit hoofde van hun functie een uitermate belangrijke positie binnen de Vekomagroep bekleedden, die in het verlengde van hun functie alsmede in het bijzonder met name door de onderhandelingen omtrent de doorstart alles maar dan ook alles weten van de Vekomagroep, juist die gedaagden handelen nu onrechtmatig door het actief en stelselmatig wegtrekken van personeel van Vekoma-oud en het benaderen van relaties van Vekoma Rides B.V..

Gedaagden hebben daartegen het volgende verweer aangevoerd, welk verweer door W.E.A. is onderschreven:

Overigens gaat het in casu om een zestal personen van de voormalige 274 werknemers van Vekoma. Van deze zes is er geen enkele afkomstig uit de zogenaamde trein-engineering-groep, één uit de track-engineering-groep en twee uit de electrische engineering-groep, van wie één persoon overigens zelfs voor geen goud bij Vekoma Rides B.V. in dienst zou willen treden. Geen van deze mensen zou in de onderneming van Vekoma Rides B.V. afdelingshoofd worden of kreeg een daarmee vergelijkbare functie aangeboden, noch vormden zij de "technische bovenlaag" van het oude Vekoma. Daarnaast zijn er voor Vekoma Rides B.V. nog genoeg bekwame arbeidskrachten beschikbaar, gelet op het feit dat zij slechts 150 van de 274 personeelsleden overneemt en mede gelet op de huidige neerwaartse conjunctuur en daarmee gepaard gaande ontslaggolven.

Feitelijk is het zo gegaan dat gedaagden nimmer personeel dat al een mondelinge of schriftelijke overeenkomst had met Vekoma Rides B.V. heeft benaderd bij hen te komen werken. Ook in de toekomst zullen zij zulks niet doen. Gedaagden richt(t)en zich slechts op een specifiek deel van de werkeloze beroepsbevolking. Vekoma Rides B.V. heeft eerst op of omstreeks 12/13 september jl. aan een gedeelte van het voormalige personeel van Vekoma een mondeling aanbod gedaan om bij haar in dienst te treden. Eerst op 14 september jl. werd een schriftelijke concept-arbeidsovereenkomst aangeboden, welke dusdanig van aard was dat deze volledig herzien moest worden en pas vanaf 21 september 2001 aan de werknemers ter ondertekening werd aangeboden.

De President oordeelt hierover als volgt.

Uit de door Vekoma Rides B.V. geciteerde jurisprudentie blijkt dat die uitspraak handelt om relaties van de werkgever, die door een voormalige werknemer worden uitgespannen.

Hier gaat het in de eerste plaats om een failliete werkgever, waarvan het personeel na doorstart door een derde maar voor een deel wordt overgenomen door deze derde. Voor het personeel geldt wel een concurrentiebeding, maar gelijk hierboven overwogen is daaraan de werking ontnomen. De werknemers zijn bovendien vrij in hun keuze voor een nieuwe dienstbetrekking bij Vekoma Rides B.V. of bij een andere werkgever. Zes voormalige werknemers van Vekoma zijn in dienst getreden bij W.E.A.. Gesteld noch gebleken is dat gedaagden doorgaan met personeel te werven dat reeds een arbeidsovereenkomst met Vekoma Rides B.V. heeft gesloten. Reeds daarom is er geen reden het gevorderde verbod op te leggen, dit los van het feit dat het gedaagden vrij staat personeel te werven ook onder voormalige werknemers van Vekoma. De vrije keuze van de werknemer staat hierbij centraal. Gedaagden hebben geen hoger salaris geboden dan dat zij reeds bij Vekoma verdienden of hebben anderszins handelingen verricht die indruisen tegen het goed werknemer zijn van gedaagden, hetgeen ook geldt na afloop van het arbeidscontract.

Op de tweede plaats ziet de vordering op het uitspannen van klanten van Vekoma Rides B.V., waarvan de kennis door gedaagden vergaard is tijdens hun dienstbetrekking bij Vekoma-oud. Deze vordering is niet met concrete voorbeelden geadstrueerd. Tijdens de mondelinge behandeling is door eisers voornamelijk gesproken over het wegtrekken van personeel en het non-concurrentiebeding. De vrees voor het uitspannen van klanten moet dan gevonden worden in het feit dat gedaagden, naar de stelling van eisers, een concurrerende onderneming hebben opgericht. Het beoordelingscriterium zal dan onder meer moeten zijn of deze vrees reeds thans zodanig is dat Vekoma Rides B.V. het gevorderde verbod kan vorderen. Gedaagden betwisten dat hun opgerichte onderneming concurrerend is. Zij spreken van een complementerende onderneming. Het is bij de behandeling van het kort geding te onduidelijk gebleken op welke wijze Vekoma Rides B.V. en de onderneming van gedaagden concurrerend zullen gaan optreden. Bovendien zijn de klanten - attractieparken - vrij algemeen bekend. Gezien alle vaagheid die op dit punt nog heerst acht de president een toewijzing van de vordering niet gerechtvaardigd.

confidentiality agreement

Ter onderbouwing van de vordering sub 5 wordt door eisers een beroep gedaan op deze overeenkomst, die met gedaagden zou zijn gesloten. Op grond van deze overeenkomst hadden gedaagden als potentiële overnemende partij recht op inzage van vertrouwelijke gegevens van Vekoma. Vertrouwelijke gegevens zijn niet die gegevens die met name gedaagden reeds kenden uit hoofde van hun arbeidsverhouding (artikel 2). De artikelen 7 en 8 houden kort gezegd in dat de contracterende partijen geen werknemers en klanten van Vekoma wervend mogen benaderen gedurende een periode van 3 jaren (artikel 16).

Niet gebleken is dat gedaagden misbruik hebben gemaakt van vertrouwelijke informatie. De werknemers die gedaagden hebben benaderd waren hun reeds veel eerder bekend. Van het benaderen van klanten is niet gebleken.

Een beroep op deze overeenkomst wordt dan ook ten onrechte gedaan. W.E.A. betwist overigens deze overeenkomst te zijn aangegaan, doch dat kan thans in het midden blijven.

Overigens wordt telkenmale in de overeenkomst gesproken van “Company” waarmee blijkens de participerende partijen Verkoma-oud wordt bedoeld. Er is geen clausule opgenomen op grond waarvan de rechtspersoon, die uiteindelijk de overnemer blijkt te zijn, rechten kan ontlenen.

De vordering sub 5 dient derhalve te worden afgewezen.

slotconclusie ten aanzien van alle vorderingen van eisers

Op grond van vorenstaande overwegingen dienen de vorderingen van eisers te worden afgewezen. Eisers dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding veroordeeld te worden.

reconventie

stellingen van W.E.A.

Op 22 september j.l. heeft de heer R een arbeidsovereenkomst gesloten met W.E.A.. Op grond van deze arbeidsovereenkomst treedt R met ingang van 1 oktober 2001 bij W.E.A. in dienst.

Nadat R de arbeidsovereenkomst had getekend, heeft Vekoma Rides B.V. R onder grote druk gezet en hem ertoe aangezet om ook een arbeidsovereenkomst met Vekoma Rides B.V. aan te gaan. Dit is ook in strijd met de afspraak die W.E.A. en Vekoma Rides B.V. op maandag 24 september hebben gemaakt. Op dat moment vond namelijk een overleg plaats tussen W.E.A. en Vekoma Rides B.V., waarbij onder meer werd besproken dat W.E.A. Vekoma Rides B.V. op allerlei gebied wilde bijstaan en dat beide partijen graag in de toekomst met elkaar wensten te gaan samenwerken. Voorwaarde voor W.E.A. was, dat Vekoma Rides B.V. geen druk zou uitoefenen op de werknemers die reeds een arbeidsovereenkomst met W.E.A. hadden gesloten. Dit heeft Vekoma Rides B.V. echter toch gedaan.

Op 25 september jl. is R namelijk onder druk een arbeidsovereenkomst aangegaan met Vekoma Rides B.V.. R is hiertoe aangezet door Vekoma Rides B.V. onder het dreigement dat het hem verboden zou zijn om bij W.E.A. werkzaamheden te gaan verrichten. Vekoma Rides B.V. deed hierbij ten onrechte een beroep op het beding van non-concurrentie dat in zijn arbeidsovereenkomst stond die hij destijds met de Vekoma-groep had gesloten.

De arbeidsovereenkomst tussen R en Vekoma Rides B.V. is onder een wilsgebrek (bedreiging, dwang, misbruik van omstandigheden) tot stand gekomen en is dan ook vernietigbaar. Daarnaast is de arbeidsovereenkomst aangegaan in strijd met de afspraak die W.E.A. en Vekoma Rides B.V. hadden gemaakt.

Omdat R per 1 oktober a.s. zijn werkzaamheden bij W.E.A. wenst te gaan verrichten heeft W.E.A. heeft er recht en een spoedeisend belang bij dat de curator en Vekoma-nieuw op uiterlijk 1 oktober a.s., althans binnen een door de president, nader te bepalen termijn, schriftelijk aan R te laten weten dat het hem volledig vrijstaat om per 1 oktober a.s. in dienst te zijn bij W.E.A. en om voor W.E.A. werkzaamheden te verrichten. De curator zal daarbij ook dienen te bevestigen dat het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in de destijds met de Vekoma-groep gesloten arbeidsovereenkomst niet geldt. Vekoma Rides B.V. zal ook dienen te bevestigen dat er geen arbeidsovereenkomst met haar tot stand is gekomen.

vordering in reconventie

dat het de president behage gedaagden in reconventie te veroordelen om voor 1 oktober 2001, dan wel binnen een nader door de president te bepalen termijn, schriftelijk aan R te bevestigen dat het hem vrij staat om per 1 oktober 2001 werkzaamheden voor W.E.A. te gaan verrichten, waarbij de curator eveneens verklaart dat het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in de destijds met de Vekoma-groep gesloten arbeidsovereenkomst niet geldt en waarbij Vekoma Rides B.V. eveneens verklaart dat er met haar geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, op verbeurte van een dwangsom van f. 50.000,-- indien het schrijven van een dergelijke brief binnen de bepaalde termijn uitblijft alsmede van een bedrag van f. 50.000,-- per dag dat dit nalaten voortduurt, of althans een zodanige voorziening te treffen die de president redelijk voorkomt, zulks met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure en deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

het oordeel van de president

Vaststaat tussen partijen dat R eerst een arbeidsovereenkomst is aangegaan met W.E.A. en vervolgens met Vekoma Rides B.V.. Vaststaat ook dat Rheinfeld als de belanghebbende in deze geen partij is in dit kort geding.

Gedaagden stellen dat R niet onder druk is gezet om een overeenkomst met Vekoma Rides B.V. aan te gaan.

Gedaagden hebben voorgesteld R alsnog in volledige vrijheid een keus te laten maken tussen eiser en gedaagden. W.E.A. heeft hiermee niet ingestemd.

De president is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is. Bij toewijzing zou een heel belangrijke beslissing genomen worden waarbij de persoon van R rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen. Zo een beslissing kan niet genomen worden zonder dat R daarbij partij is en zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen.

De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen. W.E.A. dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding veroordeeld te worden.

B E S L I S S I N G

De president van de rechtbank:

in conventie

wijst de vorderingen van eisers af;

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding,

aan de zijde van gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 tot aan deze uitspraak begroot op f. 2.900,-- (EUR 1.315,96), te weten:

·f. 400,-- aan griffierechten en

·f. 2.500,-- aan salaris ten behoeve van de raadsman

en

aan de zijde van W.E.A. Development B.V. tot aan deze uitspraak begroot op

f. 2.900,-- (EUR 1.315,96), te weten:

·f. 400,-- aan griffierechten en

·f. 2.500,-- aan salaris ten behoeve van de procureur;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt W.E.A. Development B.V. in de kosten van dit geding,

aan de zijde van mr. Schreurs q.q. en Vekoma Rides B.V. tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van f. 500,-- (EUR 226,89) aan salaris ten behoeve van de procureur

in conventie en in reconventie

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.M. Schrickx als president, en door deze ter openbare civiele terechtzitting van 3 oktober 2001 uitgesproken in tegenwoordigheid van A.G.T. Creemers als griffier.