Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AB2056

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
38598 / HA ZA 00-323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 14 juni 2001.

V O N N I S

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

eiseres:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. D.J.P.H. Stoelhorst;

tegen:

gedaagde:

Stichting CENTRUM VOOR DE KUNSTEN,

gevestigd te 6041 EC Roermond, Lindanusstraat 7,

procureur mr. O.W.J.H. van Crugten.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

de dagvaarding;

de conclusie van eis met 5 producties;

de conclusie van antwoord;

het vonnis van deze rechtbank d.d.3 augustus 2000;

het proces-verbaal van comparitie d.d. 10 november 2000;

de akte zijdens eiseres;

de akte zijdens gedaagde;

het vonnis van deze rechtbank van 1 februari 2001;

het proces-verbaal van descente van 13 februari 2001;

de conclusie na descente;

de antwoordconclusie na descente zijdens gedaagde.

De inhoud van deze stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten

Tussen partijen dient als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel niet voldoende weersproken en/of op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde producties, het navolgende als vaststaand te worden beschouwd.

op 27 november 1996 bevond eiseres zich in een cursuslokaal van het gebouw van gedaagde te Roermond in verband met het volgen van een cursus edelsmeden;

na het volgen van de cursus verliet eiseres het lokaal en betrad zij de gang van vorenbedoeld gebouw;

in deze gang vonden schrobwerkzaamheden plaats;

eiseres is ten val gekomen.

3. De vordering en de stellingen van eiseres

Eiseres heeft gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van

f. 78.032,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Eiseres heeft daartoe gesteld dat zij op de natte vloer is uitgegleden en daardoor ten val is gekomen. Nadat de vloer schoongemaakt was is deze zeperig en glad achtergebleven, hetgeen de val heeft veroorzaakt. Eiseres heeft gesteld dat de schoonmaakwerkzaamheden onzorgvuldig zijn uitgevoerd en dat zij ten tijde van het ongeval niet is gewaarschuwd dat er werd geschrobd. Op grond daarvan is gedaagde aansprakelijk voor het door eiseres overkomen ongeval.

Voor de verdere stellingen en de nadere onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de processtukken.

4. Het verweer van gedaagde

Gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring van eiseres in dan wel afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van eiseres in de kosten van het geding.

Gedaagde heeft erkend dat eiseres op 27 november 1996 in een der gangen van haar gebouw ten val is gekomen, maar zij heeft verder uitdrukkelijk betwist dat eiseres is uitgegleden omdat de vloer van de betreffende gang glad zou zijn. Gedaagde heeft tenslotte ook de aard en omvang van het letsel en daarmee de schade betwist.

Ook hier verwijst de rechtbank voor de verdere stellingen en de nadere onderbouwing daarvan naar de processtukken.

5. Het oordeel van de rechtbank

Kern van het geschil is de vraag of gedaagde aansprakelijk is voor de letselschade, die eiseres heeft opgelopen doordat zij in de gang van het gebouw van gedaagde ten val is gekomen vanwege gladheid van de vloer van die gang door schrobwerkzaam-heden waarvoor niet zou zijn gewaarschuwd.

Door eiseres is aangevoerd dat de gang op het moment dat zij het cursuslokaal verliet werd geschrobd met een schrobzuigmachine door medewerkers van een door gedaagde ingeschakeld schoonmaakbedrijf. Zij heeft verder aangevoerd dat de vloer daarna glad en zeperig achterbleef en dat daar door die medewerkers niet voor is gewaarschuwd.

Vooropgesteld moet worden dat gedaagde naar het oordeel van de rechtbank eindverantwoordelijk is voor de veiligheid van haar bezoekers en derhalve op grond van het bepaalde in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel aansprakelijk voor de schade die deze bezoekers mochten lijden indien en doordat die veiligheid door gedaagde niet in acht is genomen.

Teneinde de toestand van de vloer tijdens schrobwerkzaamheden te kunnen beoordelen, heeft de rechtbank een gerechtelijke plaatsopneming gelast. Van deze plaatsopneming is proces-verbaal opgemaakt. Zoals uit dat proces-verbaal blijkt, is geconstateerd dat de vloer van de gang van het gebouw van gedaagde vlak na het schrobben, terwijl die vloer nog vochtig is, donkerder van kleur is en stroever aanvoelt dan wanneer deze droog is. Verder is geconstateerd dat de vloer na het schrobben snel weer opdroogt. Tijdens de descente is daarenboven gebleken dat eiseres niet onmiddellijk na het betreden van de gang vanuit het cursuslokaal ten val is gekomen, doch eerst ruim halverwege die gang.

Door eiseres is aangevoerd dat ten tijde van het ongeval zowel een andere schrobmachine als een ander schoonmaakmiddel is gebruikt dan ten tijde van de descente, waardoor aan de constatering van de gladheid van de vloer tijdens de descente geen relevantie zou toekomen. Deze stelling is door gedaagde uitdrukkelijk weersproken. Zij heeft aangevoerd dat er nooit met een andere machine is gewerkt dan met de ter descente gedemonstreerde schrobmachine, die speciaal voor het schoonmaken van dit gebouw is aangeschaft en hier van meet af aan is ingezet. Door eiseres is geen bewijs van deze stelling aangeboden. Er is bovendien geen enkel (begin van) bewijs dat er sprake zou zijn van een andere schrobmachine.

Vast staat - enerzijds gesteld en anderzijds erkend - dat ten tijde van het ongeval inderdaad sprake was van een ander schoonmaakmiddel. Door gedaagde is uitdrukkelijk gesteld dat de samenstelling van beide schoonmaakmiddelen in beginsel gelijk is: het zijn beide neutrale schoonmaakmiddelen.

Echter, veronderstellenderwijze al uitgaande van de juistheid van de stelling van eiseres dat de vloer ten tijde van het ongeval natter en meer zeperig was dan tijdens de descente, kan dit eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet baten, nu door gedaagde uitdrukkelijk is gesteld dat door haar is gewaarschuwd dat er sprake was van schrobwerkzaamheden. En zelfs indien eiseres deze waarschuwing niet heeft gehoord, zoals door haar gesteld, had het voor eiseres duidelijk moeten zijn dat er geschrobd werd. Door gedaagde is immers onweersproken gesteld dat de schoonmaaksters zich nog mét de schrobmachine in de betreffende gang bevonden, terwijl vast staat dat eiseres in de richting van de schoonmaaksters liep. Verder heeft eiseres gesteld dat de vloer bij het verlaten van het leslokaal al nat dan wel vochtig was. Nu tijdens de descente is gebleken dat de vloer van de gang in natte toestand veel donkerder van kleur is dan wanneer deze droog is, moet dit voor eiseres zichtbaar zijn geweest. Bovendien is ter descente gebleken dat eiseres al ruim halverwege de gang was voordat zij ten val kwam: zij had toen reeds enkele tientallen meters in de - naar haar stelling natte - gang gelopen. Tenslotte is door gedaagde onweersproken gesteld dat eiseres, die reeds sedert jaar en dag cursussen bij gedaagde volgt, van de wekelijkse regelmaat waarmee de betreffende gang werd schoongemaakt, op de hoogte was.

Gezien al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat gedaagde niet aansprakelijk is voor de door eiseres opgelopen letselschade ten gevolge van de val in de gang van het gebouw van gedaagde. De vordering van eiseres dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

wijst de vordering van eiseres af;

veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak worden begroot op een bedrag van f. 5.340,= dan wel EUR 2.423,19, te weten f. 1.490,= aan griffierechten en f. 3.850,= aan salaris ten behoeve van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en ter openbare civiele terechtzitting van 14 juni 2001 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: mva.

Coll.: