Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AB2055

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
39894 / HA ZA 00-536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 14 juni 2001

V O N N I S

I N H O G E R B E R O E P

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

appellanten:

1. [appellant],

2. [appellant],

beiden wonende te [woonplaats], Eindhovenseweg 91B;

procureur mr. J.A. Wagenaar,

tegen:

geïntimeerde:

de gemeente WEERT,

gevestigd te Weert, Beekstraat 54,

procureur mr. P.J.W.M. Theunissen.

1. Het verloop van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende door partijen in hoger beroep overgelegde stukken:

- het door de kantonrechter te Roermond onder zaaknummer 59921/CV/99-1989 gewezen vonnis van 11 april 2000 tussen thans appellanten (verder in het enkelvoud aangeduid als [appellanten]) en thans geïnti-meerde (verder aangeduid als De Gemeente) en alle in dat vonnis genoemde gedingstukken met producties;

- de appèldagvaarding van [appellanten] d.d. 6 juli 2000 en de memorie van grieven van [appellanten] met één productie;

- de memorie van antwoord met vier producties;

- een akte houdende producties van [appellanten];

- een antwoordakte van De Gemeente.

De inhoud van deze stukken wordt geacht hier te zijn her-haald en ingelast.

2. De bestreden uitspraak van de kantonrechter

Bij voormeld vonnis van de kantonrechter werd - kort samengevat - in conventie de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het perceel [adres] te [woonplaats] en het bij [appellanten] in gebruik zijnde deel van het tegenoverliggende perceel [adres] te [woonplaats] (verder aangeduid als de huurovereenkomst) ontbonden, werd [appellanten] veroor-deeld tot ontruiming, het ontruimd houden en ter vrije beschikking van De Gemeente stellen van voormeld perceel en voormeld perceelsgedeelte, tot betaling van achterstallige huurpenningen met de wettelijke rente alsmede tot betaling van een bedrag van ƒ 120,-- per maand over de periode van 1 november 1999 tot de dag der algehele ontruiming. In reconventie werd het door [appellanten] gevorderde afgewezen, terwijl [appellanten] zowel in de conventie als in de reconventie in de proceskosten werd veroordeeld.

3. De grieven en vordering van [appellanten]

[appellanten], tijdig van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen, heeft daartegen drie grieven aangevoerd. Naar de mening van [appellanten] heeft de kantonrechter ten onrechte het niet nakomen van de betalingsverplichting als redengevend voor de ontbinding van de huurovereenkomst geacht, heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat [appellanten] in strijd met artikel 7 van de huurovereenkomst heeft gehandeld en dat [appellanten] het gehuurde terrein langer heeft gebruikt dan is toegestaan en heeft de kantonrechter ten onrechte de vorderingen van De Gemeente toegewezen. Voor de door [appellanten] gegeven toelichting op de grieven verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de memorie van grieven. [appellanten] heeft verder gesteld het geschil in volle omvang aan het oordeel van de rechtbank te willen onderwerpen, echter met dien verstande dat [appellanten] afziet van de reconventionele vordering als ingesteld in eerste aanleg.

[appellanten] heeft gevorderd het vonnis van de kantonrechter te ver-nietigen en - opnieuw rechtdoende - primair: voor recht te verklaren dat [appellanten] vanaf 1 november 1997 gerechtigd is de betaling van de huurpenningen op te schorten totdat De Gemeente aan [appellanten] een definitieve standplaats heeft toegewezen, zodanig dat [appellanten] op of direct bij die standplaats zijn vier kermisattracties kan opslaan en repareren, respectievelijk de transportmiddelen daar kan stallen en subsidiair [appellanten] een terme de grâce te verlenen voor de betaling van de huurpenningen vanaf 1 november 1997 tot en met de periode waarvan de huurpenningen zijn vervallen op het moment van het te wijzen vonnis, kosten rechtens.

4. Het verweer van De Gemeente

De Gemeente heeft de grieven gemotiveerd bestreden. De rechtbank verwijst daarvoor naar de memorie van antwoord. De Gemeente heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring van [appellanten] in zijn hoger beroep, althans tot ontzegging van zijn vordering met bekrachtiging van het aangevallen vonnis van de kantonrechter, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

5. Het oordeel van de rechtbank

[appellanten] heeft gesteld af te zien van de reconventionele vordering zoals ingesteld in eerste aanleg. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat [appellanten] deze vordering in hoger beroep niet meer aan haar oordeel wil onderworpen. De rechtbank beschouwt deze vordering als ingetrokken en zij zal daaraan dan ook geen verdere bespreking meer wijden.

Tegen de door de kantonrechter in zijn vonnis als vaststaand aangenomen feiten, zijn geen grieven gericht, zodat ook de rechtbank van die feiten uitgaat.

De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden op de gronden dat [appellanten] een betalingsachterstand had in de huurpenningen, dat [appellanten] artikel 7 van de huurovereenkomst heeft overtreden en dat [appellanten] het gehuurde langer heeft gebruikt dan was toegestaan. In het licht van de omstandigheden, zoals die waren op het ogenblik van zijn beslissing, kon de kantonrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst komen. Wanneer die omstandigheden sedertdien anders zijn geworden - en dat is zo met betrekking tot de betalingsverplichting van [appellanten] en het door De Gemeente inmiddels uitgevoerde onderzoek naar het permanent gebruik van het terrein ter plaatse door andere huurders - dan dient de rechtbank daarmee in haar beslissing rekening te houden.

Inmiddels heeft [appellanten] op 14 november 2000 een bedrag van ƒ 1.740,-- aan achterstallige huurpenningen over 1997/1998 en 1998/1999 voldaan en op 3 januari 2001 een bedrag van ƒ 3.079,11 aan huurpenningen over 1 november 1999/2000 en 2000/1 februari 2001 alsmede rente en kosten. [appellanten] heeft ten aanzien van de laatstgenoemde betaling gesteld daarmee aan de volgens De Gemeente bestaande betalingsverplichtingen te hebben voldaan. De Gemeente heeft deze stelling niet betwist, doch aangevoerd dat [appellanten] laatstgenoemd bedrag één dag te laat heeft betaald. In deze procedure neemt de rechtbank dan ook als vaststaand aan dat [appellanten] in zoverre zijn betalingsverplichtingen met betrekking tot de huurovereenkomst ten opzichte van De Gemeente is nagekomen, waaraan de geringe overschrijding van de betalingstermijn niet afdoet. Voorts heeft De Gemeente nog aangevoerd dat [appellanten] de over de maand februari 2001 te betalen vergoeding niet vóór 1 februari 2001, zelfs nog niet op 15 februari 2001 heeft betaald. Voor het geval De Gemeente met deze stelling ziet op de veroordeling door de kantonrechter dat [appellanten] aan De Gemeente ƒ 120,-- per maand moet betalen vanaf 1 november 1999 tot de dag der algehele ontruiming, dan volgt uit die veroordeling niet dat [appellanten] dat bedrag per maand bij vooruitbetaling moet voldoen. Aan deze stelling gaat de rechtbank dan ook voorbij.

[appellanten] heeft zowel in eerste aanleg als in appèl een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en dit beroep in appèl nader uitgewerkt. Hij heeft thans gesteld dat hij door De Gemeente (in rechte) wel wordt aangesproken op het niet-nakomen van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, terwijl meerdere huurders ter plaatse al twee tot drie jaren geen huur meer hebben betaald, dat ook andere huurders handelen in strijd met artikel 7 van de huurovereenkomst en dat ook bij andere huurders ter plaatse sprake is van permanente bewoning gedurende het hele jaar, zonder dat De Gemeente die andere huurders aanspreekt op de niet-nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. De Gemeente heeft erkend dat er huurders zijn met een huurachterstand, maar dat met hen een betalingsregeling is getroffen of in behandeling is.

[appellanten] heeft aangegeven dat andere huurders een salonwagen, woonauto's, een SRV-wagen en een zeecontainer ter plaatse permanent hebben opgeslagen. Verder heeft [appellanten] nog gesteld dat alle huurders het gehuurde ter plaatse al jarenlang permanent in gebruik hebben en dat de onderverdeling in twee periodes als bedoeld in de huurovereenkomst een dode letter is.

De door [appellanten] gestelde opslag is door De Gemeente niet betwist, zodat deze als vaststaand moet worden aangemerkt. Wel heeft De Gemeente gesteld dat de zeecontainer een transportmiddel is zodat deze ingevolge de huurovereenkomst aanwezig mag zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de container - gelet ook op de foto daarvan die De Gemeente in eerste aanleg in het geding heeft gebracht - niet als een transportmiddel in de zin van de huurovereenkomst aan te merken. Een container is een grote kist van bepaalde, gestandaardiseerde afmetingen voor goederenvervoer met een transportmiddel als trein, vrachtauto of (zee-)schip; de container zelf is geen transportmiddel. Ook de overige, hiervoor genoemde zaken van de andere huurders zijn niet aan te merken als transportmiddelen in de zin van de huurovereenkomst. Ten aanzien van het permanent gebruik door de andere huurders heeft De Gemeente gesteld dat uit een ingesteld onderzoek het erop lijkt dat meerdere personen een langere periode dan is toegestaan op de standplaatsen wonen en dat zij de overige huurders zal wijzen op hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Uit deze stellingname van De door [appellanten] gestelde permanente bewoning door andere huurders moet dan ook bij gebreke van betwisting als vaststaand worden aangemerkt.

Een overheidslichaam behoort bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden, die voortvloeien uit een privaatrechtelijke overeenkomst, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - en dus ook het gelijkheidsbeginsel als een van die beginselen - in acht te nemen. In dit geval is het De Gemeente in beginsel niet verboden om [appellanten] anders te behandelen dan de andere huurders ter plaatse, maar dan moeten er aan een ongelijke behandeling gerechtvaardigde keuzen en motieven ten grondslag liggen of met andere woorden: voor een onderscheid moet een redelijke en objectieve rechtvaardiging voorhanden zijn.

In het onderhavige geval verkeren de huurders aan de [adres] te [woonplaats] alle in dezelfde positie: op hen rusten op grond van de door ieder van hen met De Gemeente gesloten huurovereenkomst dezelfde rechten en plichten. Wat dat betreft kan gezegd worden dat hier sprake is van gelijke gevallen, die dan ook gelijk behandeld moeten worden. Vaststaat dat [appellanten] door De Gemeente in rechte wordt aangesproken tot betaling van achterstallige huurtermijnen, terwijl De Gemeente met de andere huurders een betalingsregeling treft of voorbereidt en dat andere huurders - zonder dat De Gemeente daartegen is opgetreden - een deel van het opslagterrein gebruiken voor de opslag van andere zaken dan waartoe zij op grond van de met hen gesloten huurovereenkomst gerechtigd zijn en dat er ten aanzien van die huurders sprake is van permanente bewoning gedurende het gehele jaar.

Voor het feit dat De Gemeente wel optreedt tegen [appellanten] maar de overige huurders aan de [adres] te [woonplaats] ongemoeid heeft gelaten, heeft De Gemeente geen (behoorlijke) rechtvaardiging gegeven terwijl de rechtbank anderszins van een redelijke en objectieve rechtvaardiging ook niet is gebleken. De conclusie moet dan ook zijn dat de handelwijze van De Gemeente ten aanzien van [appellanten] in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De ontbinding van de huurovereenkomst op de gronden, zoals deze door De Gemeente zijn gesteld en door de kantonrechter zijn overgenomen, kan dan ook niet in stand blijven. Ditzelfde geldt voor de door de kantonrechter bevolen ontruiming en ter beschikkingstelling van het gehuurde aan De Gemeente.

Het aangevallen vonnis van de kantonrechter dient - met uitzondering van de proceskostenveroordeling - te worden vernietigd en het door De Gemeente gevorderde dient alsnog te worden afgewezen. In het licht van de destijds geldende omstandigheden, kon de kantonrechter terecht tot zijn beslissing komen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dienen te proceskosten in eerste aanleg dan ook voor rekening van [appellanten] te blijven. De door [appellanten] in hoger beroep primair gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar, omdat niet is voldaan aan voor het inroepen van een opschortingsrecht gestelde vereisten: in dit geval kan er ten aanzien van de door [appellanten] gestelde (publiekrechtelijke) toezegging van De Gemeente over een definitieve standplaats en de betaling van huurpenningen enerzijds geen sprake zijn van een wederkerige overeenkomst en anderzijds levert die toezegging en die betaling geen, laat staan voldoende samenhang op tussen vordering en verbintenis in de zin van artikel 6:52 BW. De subsidiaire vordering van [appellanten] in hoger beroep is evenmin toewijsbaar. Een terme de grâce is alleen toewijsbaar in het geval van opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst en daarvan is in dit geval geen sprake.

In hoger beroep is De Gemeente de in het ongelijk gestelde partij en daarom dient zij de kosten van de procedure in hoger beroep te dragen.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

vernietigt het tussen partijen onder zaaknummer 59921/CV/98-1989 gewezen vonnis van de kantonrechter te Roermond van 11 april 2000, maar met uitzondering van de daarin opgenomen proceskostenveroordeling, en doet opnieuw recht;

wijst alsnog af het door De Gemeente gevorderde;

wijst af het door [appellanten] in hoger beroep gevorderde;

veroordeelt De Gemeente in de proceskosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op ¦ 450,15 (EUR 204,27) aan verschotten en op ¦ 1.095,-- (EUR 496,89) aan salaris procu-reur;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. O.M. de Lange, F. Oelmeijer en R.H. Smits en ter open-bare civiele terechtzit-ting van 14 juni 2001 uitgesproken in tegen-woordigheid van de griffier.

C: lghc