Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AA9875

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
37310/HAZA 00-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 8 februari 2001.

V O N N I S

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

eiseres:

[eiseres]

[woonplaats]

procureur mr. F.A. Dronkers;

tegen:

gedaagde:

Stichting STICHTING RECHTSBIJSTAND,

gevestigd althans kantoorhoudende te 6041 EA Roermond, Steegstraat 5,

procureur mr. G.R.A.G. Goorts.

1. Het verloop van de procedure:

Dit blijkt uit de navolgende door eiseres en gedaagde (hierna respectievelijk aan te duiden als [eiseres] en de Stichting) ter vonniswijzing overgelegde stukken:

Conclusie van eis d.d. 10 februari 2000, met daaraan gehecht de dagvaarding van 21 januari 2000;

Conclusie van antwoord van 4 mei 2000, met twee producties;

Conclusie van repliek van 20 juli 2000, met zes producties;

Conclusie van repliek van 26 oktober 2000, met twee producties.

2. De vaststaande feiten:

Op grond van hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd en onweersproken is gebleven en hetgeen in de overgelegde producties is vermeld, staat in dit geding het navolgende vast.

- [eiseres] is op 18 december 1989 als mede-inzittende in een personenauto, bestuurd door haar echtgenoot, betrokken geweest bij een verkeersongeval. Zij liep daarbij letsel op.

- Met behulp van een aanrijdingformulier gedateerd 18 december 1989 is dit voorval gemeld bij N.V. Interpolis Schade, de verzekeraar van de echtgenoot in het kader van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Op dit formulier is vermeld dat [eiseres] letsel had opgelopen, bestaande uit een lichte hersenschudding, een hoofdwond en schaafwonden, waarvan poliklinische behandeling heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan is in verband met de door de echtgenoot eveneens bij N.V. Interpolis Schade afgesloten gezinsrechtsbijstandverzekering de Stichting geïnformeerd.

- Bij brief van 28 december 1989 heeft de Stichting de ontvangst van de schademelding bevestigd en daarbij, naast de vraag om een inlichtingenformulier te retourneren, tevens aangegeven dat de tegenpartij aansprakelijk was gesteld voor de geleden schade en aan een deskundige opdracht was verstrekt tot een nader onderzoek naar de schuldvraag.

- Naar aanleiding van de verstrekte inlichtingen over de letselklachten is een controlerend geneesheer ingeschakeld, die op 14 februari 1990 heeft gerapporteerd dat het letsel gering was.

- Bij brief van 21 maart 1990 (prod. 1 CvA) heeft de Stichting aan de echtgenoot meegedeeld dat onvoldoende bewijs geleverd is van verwijtbaar gedrag van de andere automobilist en diens verzekeraar Aegon geen enkele reden zag om enige medeschuld van hun verzekerde te erkennen

- Op 19 augustus 1996 is zijdens [eiseres] bij de Stichting geïnformeerd naar de stand van zaken van de letselschadeafhandeling in het kader van de WAM-aansprakelijkheid van NV Interpolis Schade, waarop door de Stichting is gereageerd met de mededeling de brief te hebben doorgeleid naar “onze” verkeersafdeling die indertijd de belangen van [eiseres] in de WAM-schadezaak had behartigd.

- Bij brief van 11 augustus 1997 heeft [eiseres] vervolgens de Stichting aansprakelijk gesteld voor de schade die zou zijn voortgevloeid uit fouten in de behartiging van haar belangen, welke aansprakelijkheid op 30 september 1997 door de Stichting van de hand is gewezen.

- Op 21 januari 2000 heeft [eiseres] doen dagvaarden.

3. De vordering, grondslag en het verweer:

[eiseres] vordert voor recht te verklaren dat de Stichting jegens [eiseres] aansprakelijk is wegens tekortkomingen in de behandeling van haar WAM-schadezaak, terugvoerend op het verkeersongeval van 18 december 1989, een en ander voor de dientengevolge door [eiseres] geleden schade, alsmede de Stichting te veroordelen tot voldoening van die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 1989, een en ander op te maken bij staat.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de Stichting verzuimd heeft de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsvordering richting de aansprakelijke WAM-assuradeur Interpolis veilig te stellen, zonder haar daarover te informeren, waardoor zij de door haar ten gevolge van het ongeval geleden schade niet meer kan verhalen.

Van verjaring van aanspraken van [eiseres] op de Stichting is naar het oordeel van [eiseres] geen sprake, nu de Stichting los van haar verwachtingen over de ernst en/of de blijvendheid van het door [eiseres] opgelopen ongevalletsel, de letselschadeaanspraken eenvoudig met een begin van onderhandelingen met Interpolis had kunnen en moeten veiligstellen. Dat zulks niet is gebeurd is haar eerst gebleken uit het antwoord van de Stichting d.d. 1 juli 1997.

Subsidiair wordt ingevolge de stellingen van [eiseres] dit verzuim eerst fataal op 19 december 1992, dan wel 19 december 1994, de termijn waarbinnen de onderhandelingen op grond van artikel 10, lid 3 van de WAM een aanvang dienden te nemen, en start alsdan de verjaringstermijn die bij brief van 11 augustus 1997 tijdig is gestuit.

Ook van rechtsverwerking is geen sprake nu [eiseres] evident heeft verwoord welk standpunt zij innam en zij dit standpunt nooit heeft verlaten of ingetrokken.

De Stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De beoordeling:

In dit geding, waarin [eiseres] beoogt middels beroepsaansprakelijkheid van de Stichting -alsnog- de door haar geleden letselschade vergoed te krijgen, zal de rechtbank zich eerst een oordeel moeten vormen over de vraag of er sprake is van toerekenbare tekortkoming zijdens de Stichting in haar contractuele verplichtingen ten opzichte van [eiseres]. Indien tot een bevestigend antwoord van die vraag gekomen wordt, ligt vervolgens ter beoordeling voor de (mate van) schadeplichtigheid van de WAM-verzekeraar, waarbij met name in geding zal zijn het door [eiseres] gestelde causaal verband tussen het ongeval en de door haar geleden en te lijden schade, alsmede de aard en hoogte van de opgevoerde schadeposten.

Ten aanzien van de beroepsaansprakelijkheid:

Alvorens aan een materiële beoordeling van de vordering te kunnen toekomen, dient de rechtbank, gelet op het verweer van de Stichting, te bezien of er sprake is van verjaring van de onderhavige vordering. Op grond van artikel 3:310, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de verjaringstermijn voor een rechtsvordering tot vergoeding van schade vijf jaren. Deze termijn neemt in beginsel een aanvang op het moment dat de schade als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis is ontstaan. Gezien de grondslag van de vordering dient ten deze als schadeveroorzakende gebeurtenis te worden aangemerkt, het moment waarop de Stichting ten laatste een claim ten behoeve van [eiseres] bij N.V. Interpolis Schade had kunnen indienen, dan wel onderhandelingen had kunnen starten. Ingevolge de eerste drie leden van artikel 10 WAM, stond hiertoe -in ieder geval- tot drie jaar na het ongeval de mogelijkheid open: derhalve tot 19 december 1992. Vanaf deze datum is de hiervoorvermelde verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen: derhalve tot 19 december 1997. Dit maakt dat de verjaring door het schrijven zijdens [eiseres] van 11 augustus 1997 tijdig is gestuit en een beroep op verjaring door de Stichting niet kan leiden tot het tenietgaan van de rechtsvordering.

De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

Vast staat dat de Stichting op grond van de door de echtgenoot van [eiseres] afgesloten zogenaamde "gezinspolis" tot belangenbehartiging van [eiseres] gehouden was.

Door de Stichting is erkend dat zij indertijd geen claim heeft ingediend bij de WAM-verzekeraar van de door de echtgenoot van [eiseres] bestuurde auto: N.V. Interpolis schade. Ook zijn door haar geen onderhandelingen gestart in de zin van artikel 10, lid 3 van de WAM, waardoor [eiseres] mogelijk op of omstreeks 1 juli 1997 alsnog een claim zou hebben kunnen indienen.

De Stichting heeft zich bij de belangenbehartiging daarentegen beperkt tot het indienen van een claim bij Aegon, de verzekeraar van de wederpartij van [eiseres]' echtgenoot, en heeft vervolgens het ongevallendossier van [eiseres] gesloten.

De rechtbank is van oordeel dat niet alleen is nagelaten de claim in te dienen, doch dat eveneens is nagelaten om [eiseres] -op zijn minst- uitdrukkelijk en in klare taal op de mogelijkheid tot aansprakelijkstelling van haar echtgenoot en daarbij van zijn verzekeraar te hebben gewezen. Dit klemt te meer, nu blijkens de brief van 21 maart 1990 de claim bij Aegon niet tot resultaat heeft geleid, omdat onvoldoende bewijs geleverd kon worden van verwijtbaar gedrag van de kant van de wederpartij. Op grond van deze uitkomst van de onderhandelingen met Aegon had de Stichting moeten begrijpen dat derhalve -juridisch gezien- de schuld van het ongeval en bijgevolg de aansprakelijkheid voor (de schade voortvloeiend uit) het ongeval kon en diende gelegd te worden bij de echtgenoot. Dat [eiseres] zich dit niet heeft gerealiseerd en naar aanleiding van voormeld schrijven geen nadere actie naar de Stichting toe heeft ondernomen, kan haar niet worden tegengeworpen, nu het immers juist tot de contractuele kerntaken van de Stichting gerekend moet worden om haar omtrent (de veiligstelling van) haar aanspraken van advies te dienen. Voor zover [eiseres] op 21 maart 1990 al had moeten begrijpen dat aansprakelijkstelling van N.V. Interpolis Schade (nog) tot de mogelijkheden behoorde, moet daarenboven geconstateerd worden dat uit geen enkel schrijven van de Stichting aan [eiseres], dan wel aan de echtgenoot blijkt van (een beëindiging van) een inhoudelijke beoordeling van haar claim betrekking hebbend op de door haar tengevolge van het ongeval geleden schade. Met name blijkt zulks ook niet uit de brieven d.dis 28 februari en 21 maart 1990. Indien en voor zover [eiseres] al verweten zou kunnen worden dat zij te lang heeft gewacht met aan de bel te trekken, leidt dit niet tot een ander oordeel. Er kan immers van uitgegaan worden dat de verjaringstermijn ex artikel 10, derde lid van WAM nog niet verstreken zou zijn, indien de Stichting gehandeld zou hebben, zoals van haar verwacht mocht worden. Daar komt nog bij dat het stilzitten van [eiseres], zoals hierboven reeds is overwogen, eveneens te wijten is aan een tekortschieten van de Stichting zelf.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat de Stichting de belangen van [eiseres] niet heeft behartigd op een wijze zoals dat van een professioneel rechtshulpverlener verwacht mag worden en daardoor toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen ten opzichte van [eiseres].

In geschil is voorts of er sprake is van een volledig door de polis gedekt geval. De Stichting heeft betoogd dat de gezinspolis uitsluitend aanspraak geeft op rechtsbijstand voor particuliere kwesties en dat de polis voor het verhalen van schade die [eiseres] leed als zelfstandige (beroepsuitoefenaar) geen dekking bood.

De rechtbank kan de Stichting niet volgen in dit standpunt. Van enig geschil de beroeps- of bedrijfsuitoefening betreffende is naar dezerzijds oordeel geen sprake. Het geschil waarvoor rechtsbijstand verleend diende te worden, betrof immers de schade die de verzekerde leed tengevolge van een auto-ongeval. Dat de dientengevolge geclaimde schade tevens verlies aan arbeidsvermogen als zelfstandige behelst, maakt het geschil daarmee nog niet tot een -niet gedekt- geschil de zelfstandige beroeps- of bedrijfsuitoefening betreffende.

Ten aanzien van het causaal verband tussen het ongeval en de invaliditeit van [eiseres]:

Voor de vraag of er een causaal verband bestaat tussen het tekortschieten door de Stichting en de door [eiseres] gestelde schade, dient de rechtbank te treden in de beoordeling van de aansprakelijkheid van de echtgenoot, c.q. diens WAM-assuradeur N.V. Interpolis Schade en de op grond daarvan aan deze toe te rekenen schade.

Door [eiseres] zijn medische rapportages in het geding gebracht van -onder meer- de in het kader van de AAW-beroepsprocedure gedane onderzoeken. Blijkens de rapportage d.d. 7 oktober 1994 concludeert de door de Raad van Beroep benoemde -en derhalve als onafhankelijk aan te merkendeskundige neuroloog dr. Sanders dat er sprake moet zijn geweest van een trauma van de cervicale wervelkolom op 18 december 1989, en dat dit trauma zodanige klachten heeft veroorzaakt dat [eiseres] daardoor niet meer in staat is om huishoudelijke taken te verrichten en evenmin in staat is om de taken te verrichten die samenhangen met de functie die behoren bij een vee- en varkensmesterij. Hij verbindt hieraan volgens louter neurologische richtlijnen een invaliditeit van 11%. Eerder had neuroloog-psychiater dr. Herngreen op verzoek van [eiseres] bij rapport van 28 september 1993 geconcludeerd tot 23% invaliditeit, gebaseerd op door onderzoek aangetoonde stoornissen in het evenwichtscircuit en cognitieve stoornissen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze rapportages geconcludeerd kan worden dat de geconstateerde invaliditeit gerelateerd is aan het ongeval. Dat de onderzoeken niet zijn uitgevoerd met het oog op het vaststellen van de causaliteit, doch er slechts op gericht waren om de mate van invaliditeit vast te stellen teneinde het verlies aan verdiencapaciteit te bepalen, acht de rechtbank gezien de inhoud en conclusies van de rapportages, waaruit eenduidig valt op te maken dat de artsen de situatie van vóór het ongeval hebben vergeleken met de situatie erna, niet zodanig van belang dat zij hierin termen aanwezig acht om ter zake die causaliteit tussen ongeval en invaliditeit(s percentage) alsnog een deskundigenbericht te bevelen van een andere onafhankelijke deskundige. Voor zover verdergaande causaliteit niet bewezen zou kunnen worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat zulks voor rekening en risico van de aansprakelijke dient te komen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen van [eiseres] voor toewijzing vatbaar zijn. De rechtbank zal de Stichting als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] gevallen.

Ten aanzien van de (hoogte van de) schade zij nog overwogen dat de vordering tot vergoeding van gederfde moratoire rente, gelet op hetgeen hierboven is overwogen ter zake de verjaring, voor zover deze gevorderd wordt over de periode voorafgaand aan 18 december 1992, mitsdien niet voor toewijzing in aanmerking zal kunnen komen, nu eerst vanaf die datum sprake is van een schadeveroorzakend nalaten. Ook voor veroordeling tot de kosten van rechtsbijstand anders dan verwijzing in de proceskosten op grond van artikel 56 Rv, acht de rechtbank gezien de grondslag van de vorderingen geen termen aanwezig.

B E S L I S S I N G:

De rechtbank:

verklaart voor recht dat gedaagde jegens eiseres aansprakelijk is wegens tekortkomingen in de behandeling van eiseresses WAM-schadezaak, terugvoerend op het verkeersongeval van 18 december 1989 en voor de dientengevolge door eiseres geleden en/of te lijden schade;

veroordeelt gedaagde aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, vermeerderd met de wettelijke interest vanaf de dag van het lijden van de desbetreffende schadepost;

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op F 479,30 aan verschotten en op F 1720, -- salaris procureur;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.J.A. Dassen en ter civiele terechtzitting van 8 februari 2001 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: LD

Coll: