Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2001:AA9650

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
40163/HAZA 00-580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 25 januari 2001.

V O N N I S

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

eiseres:

[bewindvoerster]

[woonplaats]

procureur mr. G.H. Beusker;

tegen:

gedaagde:

De besloten vennootschap

SPECIAALWERK ADVIESGROEP B.V.,

[vestigingsplaats]

procureur mr. P.A.M. van Hoef.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

- de dagvaarding van 20 juli 2000;

- de conclusie van eis met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis met producties;

- de conclusie van dupliek.

De inhoud van deze stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten

Tussen partijen dient als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel niet voldoende weersproken en/of op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde producties, het navolgende als vaststaand te worden beschouwd.

1. Eiseres (hierna: de bewindvoerster) is bewindvoerster in de schuldsaneringsregeling van C.F. [saniet], h.o.d.n. Autobedrijf Cor [saniet] (hierna: [saniet]). [saniet] oefende zijn bedrijf uit op een perceel aan de [adres]. Op dit perceel was zijn bedrijfspand gebouwd.

2. Het perceel van gedaagde (hierna: Speciaalwerk), grenst aan genoemd perceel met bedrijfspand (hierna: het perceel) van [saniet].

3. Het grondwater van het perceel van [saniet] is verontreinigd.

4. Op 15 november 1996 is de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, van het perceel van [saniet] door een makelaar getaxeerd op

fl. 510.000,--. Bij deze taxatie is rekening gehouden met een lichte bodemverontreiniging door nikkel.

5. Het perceel is in 1999 executoriaal door de tweede hypotheekhouder ABN AMRO verkocht voor fl. 165.000,--.

3. De vordering(en) en de stellingen van eiseres

De bewindvoerster heeft na wijziging van haar eis gevorderd bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad ook ten aanzien van de proceskosten - gedaagde hoofdelijk met Rena B.V. te veroordelen ten titel van schadevergoeding tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de bewindvoerster fl. 220.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van gedaagde en Rena B.V. in de kosten van het geding.

De bewindvoerster heeft daartoe gesteld met een beroep op artikel 6:175 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat [saniet] schade heeft geleden als gevolg van de verontreiniging van het grondwater van zijn perceel. Deze schade bestaat daaruit dat het perceel bij verkoop als gevolg van de grondwaterverontreiniging maar

fl. 165.000,-- opbracht, terwijl het in 1996 getaxeerd werd op fl. 510.000,--. De precieze schade bestaat uit het verschil tussen 75 % van de taxatiewaarde - nu het perceel executoriaal verkocht is, dient een marge van 25 % te worden gehanteerd - en de daadwerkelijke verkoopprijs van fl. 165.000,--, derhalve fl. 220.000,-.

De bewindvoerster heeft voorts gesteld dat uit de twee milieurapporten die door haar zijn ingebracht, blijkt dat de grondwaterverontreiniging afkomstig is van zowel het perceel dat destijds door Speciaalwerk werd gebruikt, als het perceel van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rena B.V. (hierna: Rena). Omdat er echter geen sprake is van twee schadeveroorzakende oorzaken die afgebakend kunnen worden en zo ieder voor zich tot een gedeelte van de schade hebben geleid, kan niet worden vastgesteld in welke mate de schade afkomstig is van Rena of Speciaalwerk. Hieruit volgt dat beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:99 BW voor de door [saniet] geleden schade. Nu Rena en Speciaalwerk de grondwaterverontreiniging hebben veroorzaakt, zijn zij aansprakelijk voor het gehele verschil in waarde tussen (75% van) de taxatieprijs en de verkoopprijs.

Voor de verdere stellingen en de nadere onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de processtukken.

4. Het verweer van gedaagde

Speciaalwerk heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de bewindvoerster, met veroordeling van de bewindvoerster in de kosten van het geding.

Speciaalwerk heeft daartoe primair gesteld dat de aanwezige grondwaterveront-reiniging geen (vermogens)schade heeft veroorzaakt.

Subsidair heeft Speciaalwerk aangevoerd dat voor zover er al schade door grondwaterverontreiniging zou zijn, er geen bewijs is dat Speciaalwerk die veroorzaakt heeft. Speciaalwerk is slechts aansprakelijk voor de door haar veroorzaakte verontreiniging, welke aansprakelijkheid naar verhouding van de tijd moet worden vastgesteld omdat op het perceel van Speciaalwerk sinds circa 25 jaar al galvano-technische activiteiten plaatsvinden, en Speciaalwerk slechts van

1 januari 1995 tot 15 juli 1997 op het perceel bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid.

Meer subsidiair stelt Speciaalwerk, in tegenstelling tot wat de bewindvoerster stelt, dat haar eventuele aandeel in de schade kan wel worden vastgesteld, omdat het feit dat niet exact kan worden vastgesteld in welke mate de schade afkomstig is van Rena of Speciaalwerk slechts wordt veroorzaakt door ontoereikend onderzoek. Het beroep van de bewindvoerster op de alternatieve causaliteit, zoals verwoord in artikel 6:99 BW, gaat derhalve niet op.

Speciaalwerk heeft daarnaast gesteld dat de grondslag voor de schadeberekening de kosten van een functiegerichte sanering dient te zijn, nu de bestemming van het perceel in belangrijke mate bepaalt of als gevolg van een verontreiniging (vermogens)schade wordt geleden.

Ook hier verwijst de rechtbank voor de verdere stellingen en de nadere onderbouwing daarvan naar de processtukken.

5. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de stelling van Speciaalwerk dat [saniet] door de grondwaterverontreiniging geen (vermogens)schade heeft geleden, geen hout snijdt. Immers, verontreiniging van grondwater is op zichzelf een gegeven dat schade oplevert. Het causaal verband dat vereist is voor de vestiging van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is daarmee aangetoond. Een andere vraag is tot vergoeding van welke schade de veroorzaker is gehouden. Deze vraag komt echter pas aan de orde bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoedingsverbintenis.

Voor de vestiging van aansprakelijkheid is voorts het volgende van belang.

Door de bewindvoerster is Speciaalwerk aansprakelijk gesteld voor de door [saniet] geleden schade als gevolg van verontreiniging van het grondwater van zijn perceel. De bewindvoerster heeft haar vordering gebaseerd op artikel 6:175 BW. Ter ondersteuning van haar stelling dat Speciaalwerk aansprakelijk is voor de schade, heeft de bewindvoerster 2 milieurapporten ingebracht waaruit volgens haar blijkt dat de verontreiniging afkomstig is van de aangrenzende percelen. Door Speciaalwerk is aangevoerd dat uit het rapport van het Milieuburo niet blijkt wie de veroorzaker van de verontreiniging is. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat Speciaalwerk betwist dat de verontreiniging afkomstig is van de aan het perceel van [saniet] grenzende percelen, maar gelet op het argument dat Speciaalwerk daarvoor aanvoert - zijnde dat al ongeveer 25 jaar lang galvano-technische activiteiten op het perceel worden ondernomen en dat Speciaalwerk daar slechts twee en een half jaar actief is geweest - in samenhang gelezen met de verdere stelling van Speciaalwerk dat de specifieke aansprakelijkheid van haar niet aannemelijk wordt gemaakt, leest de rechtbank de stellingen van Speciaalwerk zo, dat Speciaalwerk het causaal verband betwist tussen haar activiteiten op het aangrenzende perceel en de schade die [saniet] heeft geleden als gevolg van de verontreiniging van het grondwater van zijn perceel. Door de bewindvoerster is bij gebrek aan wetenschap betwist dat op het perceel waarop Speciaalwerk van 1 januari 1995 tot 15 juli 1997 haar bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid, al bijna 25 jaar lang dergelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt dat uit de stellingen van Speciaalwerk moet worden afgeleid dat zij een beroep doet op alternatieve causaliteit. Immers, volgens Speciaalwerk is er sprake van verschillende verontreinigers door de tijd heen, terwijl ieder van hen de schade met betrekking tot het perceel van [saniet] kan hebben veroorzaakt en ieder van hen daarvoor aansprakelijk kan zijn, zodat niet vaststaat dat Speciaalwerk aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit de verontreiniging van het grondwater van het perceel van [saniet]. De alternatieve causaliteit is geregeld in artikel 6:99 BW. De rechtbank overweegt dat, gelet op de bepaling van dit artikel, degene die een beroep doet op alternatieve causaliteit, dient te bewijzen dat de schade niet een gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is. In de onderhavige zaak is het dan ook aan Speciaalwerk te bewijzen dat de schade van [saniet] niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor zij zelf aansprakelijk is. Nu Speciaalwerk hiertoe een bewijsaanbod heeft gedaan, zal de rechtbank haar toelaten tot het bewijs hiervan.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan en zal, om proces-economische redenen, het instellen van hoger beroep van dit vonnis anders dan tegelijk met hoger beroep van het in deze zaak te wijzen bij eindvonnis uitsluiten.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

laat Speciaalwerk toe te bewijzen dat de schade die [saniet] heeft geleden als gevolg van de verontreiniging van het grondwater van zijn perceel niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor Speciaalwerk aansprakelijk is;

bepaalt dat, indien Speciaalwerk dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden voor mr. R.M.L.M. Magnée, op een nader te bepalen tijdstip in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II-singel 67;

bepaalt dat getuigenopgave door Speciaalwerk dient te geschieden ter rolle van

1 februari 2001 en dat partijen alsdan tevens hun verhinderdata opgeven;

bepaalt dat hoger beroep van dit vonnis niet anders dan tegelijk met hoger beroep van het in deze zaak te wijzen eindvonnis zal kunnen worden ingesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.L.M. Magnée en ter openbare civiele terechtzitting van 25 januari 2001 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: IT.

Coll.: