Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA9376

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/773 en 2000/56 AW K1
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 99/773 en 2000/56 AW K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente], verweerder.

Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:

de brieven d.d. 13 juli 1999 en 8 december 1999,

kenmerk: 16223.

Datum van behandeling ter zitting: 13 september 2000.

I. Onstaan en loop van de gedingen.

Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen de beslissing van 27 januari 1999 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door mr. M.L.M. van de Laar namens eiser beroep ingesteld. Deze zaak dient onder rolnummer 99/773.

Bij besluit van 7 december 1999 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 juli 1999, welk besluit hetzelfde is als het hierboven reeds genoemde besluit van 13 juli gegrond verklaard. Tegen dit besluit is eveneens door mr. M.L.M. van de Laar namens eisers beroep ingesteld. Deze zaak dient onder rolnummer 2000/56.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser toegezonden.

Van alle aan het dossier toegevoegde stukken is door de zorg van de griffier een afschrift aan partijen gezonden.

De beroepen zijn behandeld ter openbare terechtzitting van 13 september 2000. Aldaar zijn verschenen eiser bijgestaan door mr. M.L.M. van de Laar en namens verweerder in de zaak onder rolnummer 99/773 de gemachtigde dhr. P. Vaessen en in de zaak onder rolnummer 2000/56 de gemachtigde mr. M.J.M. Schoonhoven.

II. Overwegingen

De voorgeschiedenis in beide zaken.

Eiser was sinds september 1993 bij verweerder werkzaam als [oude functie] . Bij verweerder heeft in 1998 een reorganisatie plaatsgevonden, waarbij de afdelingen stadsontwikkeling en openbare werken zijn samengevoegd in een nieuwe sector [sector]. De functie van eiser is daarbij komen te vervallen.

Eiser heeft vervolgens gesolliciteerd naar de functie van [gewenste functie] van de nieuwe sector [sector] doch verweerder heeft daarop bij besluit van 28 juli 1998 aan eiser meegedeeld hem niet te herplaatsen in die functie. Daarnaast is in het besluit van 28 juli 1998 de vacante functie van [aangeboden functie] als passend voor eiser aangemerkt en verweerder heeft hem medegedeeld voornemens te zijn hem laatstgenoemde betrekking op te dragen overeenkomstig de rechtspositieleidraad bij organisatieveranderingen (verder: rechtspositieleidraad).

Eiser heeft daarop bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder eiser af te wijzen voor de functie van [gewenste functie] van de sector [sector] en (voor zover nodig) tegen de daaraan ten grondslag liggende besluiten. Eiser heeft verweerder daarnaast verzocht hem toe te staan een definitieve reactie op het voornemen hem de functie van [aangeboden functie] op te dragen eerst te formuleren na een reeds gepland gesprek met de wethouder en de gemeentesecretaris. Bij schrijven van 16 september 1998 heeft eiser verweerder te kennen gegeven vooralsnog van mening te zijn dat die functie niet passend is en dat hij onder protest en onder voorbehoud de hem opgedragen functie loyaal zal uitoefenen.

Na ongegrondverklaring van voormeld bezwaar heeft eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank, welke beroepszaak bekend is onder nummer 98/1145. Bij uitspraak van 20 oktober 1999 is het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

De oorsprong van de beroepschriften, die thans ter beoordeling voorliggen, is gelegen in de beslissing van verweerder van 27 januari 1999, in welke beslissing verweerder het voornemen heeft uitgesproken om eiser binnen de kaders van de rechtspositieleidraad te belasten met de naar verweerders inzicht passende functie van [aangeboden functie].

In het schrijven van die datum is onder meer het navolgende aangegeven:

"Op basis van een inhoudelijke vergelijking tussen uw voormalige functie van [oude functie] en de nieuwe functie van [aangeboden functie] binnen de sector [sector] komen wij tot de conclusie dat er sprake is van een passende functie als bedoeld in de Rechtspositieleidraad bij Organisatiewijziging.

De nieuwe functie van [aangeboden functie] is, mede ook vanwege een gewijzigde hiërarchische inbedding -indicatief- gewaardeerd op niveau 13, terwijl uw voormalige functie gewaardeerd was op schaalniveau 14. Gelet echter op voornoemde Rechtspositieleidraad, alsook overigens de vaste jurisprudentie terzake, kan het aanbod ook vanuit dit perspectief als passend beschouwd worden.

Eens te meer nu uw huidige salarisniveau, in de uitloop van schaal 14, inclusief het bestaande vooruitzicht gegarandeerd wordt. Zie terzake het bepaalde in artikel 18 van de Rechtspositieleidraad.

Wij willen u dan ook verzoeken om ons uiterlijk 2 weken na aanbieding van deze brief te berichten of u kunt instemmen met bovenvermeld voornemen. Dit kunt u doen door invulling van de bijgevoegde verklaring. Indien u zulks doet kunt u deze brief als definitieve benoeming beschouwen.

In geval u niet kunt instemmen met het voornemen zullen wij conform het bepaalde in artikel 26 e.v. van de Rechtspositieleidraad en op basis van het door u -binnen de bovengenoemde termijn van 2 weken- in te dienen bezwaarschrift dit bezwaar in behandeling nemen.".

De artikelen 26 e.v. van de rechtspositieleidraad houden -voor zover van belang- het navolgende in.

Artikel 26: de ambtenaar heeft recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Artikel 27:

1. Een medewerk(st)er aan wie krachtens deze rechtspositieleidraad een schriftelijke aanbieding wordt gedaan, heeft het recht zich hieromtrent gedurende een termijn van twee weken te beraden. Binnen deze termijn bevestigt de medewerk(st)er burgemeester en wethouders -door ondertekening van de aanbieding- of hij/zij dit aanbod aanvaardt.

2. Indien de medewerk(st)er het aanbod niet aanvaardt, kan hij/zij bij burgemeester en wethouders daartegen bezwaar aantekenen, binnen een termijn van twee weken na ontvangst van de aanbieding. Over deze bepaling wordt de medewerk(st)er bij de aanbieding geïnformeerd.

3. Burgemeester en wethouders beslissen niet eerder inzake de voorgelegde bezwaren dan nadat de bezwarencommissie schriftelijk advies heeft uitgebracht.

Artikel 31:

1. Burgemeester en wethouders nemen binnen vier weken na ontvangst van het advies een beslissing over het ingediende bezwaar.

2. …….

3. Indien het bezwaar niet wordt erkend, dan volgt herplaatsing met toepassing van artikel F11 van het A.A.R.

Voormelde commissie heeft op 1 juli 1999 een advies uitgebracht en is daarbij tot het oordeel gekomen dat er in het voorliggende aanbod van hoofd van de afdeling stedelijke ontwikkeling aan eiser sprake is van een aanbod waarin een zekere teruggang in de aard en de inhoud van opgedragen werkzaamheden te constateren is, maar dat deze teruggang zeker niet van dien aard is dat gesproken zou moeten worden van een grensoverschrijdende achteruitgang die het voorliggende aanbod niet passend doet zijn. Tevens heeft de commissie vastgesteld dat er van een verwijtbare, ziekmakende vertraging geen sprake is zodat het door de raadsman in de zin van persoonlijke omstandigheden terzake ingebrachte geen doel kan treffen. Evenmin is de commissie gebleken dat de rechtspositieleidraad anderszins niet correct is toegepast. Gelet op een en ander adviseert zij het college van Burgemeester en Wethouders dan ook de bezwaren van eiser niet te honoreren.

Verweerder heeft dit advies overgenomen en de inhoud en motivering daarvan tot de zijne gemaakt daar hij met het gestelde in het advies ongeclausuleerd kan instemmen. Deze beslissing van 13 juli 1999 is aldus bij brief van 14 juli 1999 aan eiser kenbaar gemaakt. Tevens heeft verweerder daarbij aan eiser hernieuwd het aanbod gedaan van de functie [aangeboden functie].

Eiser is daarbij ervan in kennis gesteld dat hij tegen het besluit binnen zes weken na datum van verzending een bezwaarschrift bij verweerder kan indienen.

Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 juli 1999 bij bezwaarschrift van 9/13 augustus 1999. Dit bezwaarschrift is gegrond verklaard bij besluit van 7 december 1999 en de beroepsprocedure die daaruit is voortgevloeid is bij de rechtbank bekend onder nummer 2000/56.

Eiser heeft bij schrijven van 18 augustus 1999 tegen het besluit van 13 juli l999 eveneens beroep ingesteld. De gronden van het beroep komen, aldus eiser, exact overeen met de gronden van het bezwaarschrift. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder nummer 99/773.

Het komt er derhalve op neer dat eiser tegen het besluit van 13 juli 1999 zowel bezwaar heeft gemaakt als beroep heeft ingesteld.

De beoordeling door de rechtbank.

De zaak onder nummer 99/773.

Verweerder heeft in deze zaak aangevoerd dat het beroep prematuur is aangetekend omdat de brief van 27 januari 1999 geen besluit easl bedoeld in artikel 1:3 van de Abw was en het besluit van 13 juli 1999 dus geen besluit op bezwaar maar een primair besluit was waartegen eerst bezwaar moest worden ingesteld. Eiser dient aldus verweerder niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De rechtbank zal dit verweer allereerst onderzoeken. Daarbij zal de vraag beantwoord moeten worden of het schrijven van 27 januari 1999 een besluit inhoudt in de zin van de Awb omdat alsdan de bezwaar- en beroepsmogelijkheid daartegen openstaan. Het enkele feit dat in dat schrijven staat opgenomen dat tegen de schriftelijke aanbieding (binnen zes weken, en derhalve in afwijking van hetgeen in de rechtspositieleidraad is bepaald) bezwaar aangetekend kan worden brengt, ook al zou eiser door het gebruik van het begrip bezwaar en de genoemde termijn wellicht het idee kunnen krijgen dat hiermee de bezwaarprocedure ingevolge de Awb zou kunnen zijn bedoeld, niet mee dat zulks het geval is.

De rechtbank is van oordeel dat in casu nog niet gesproken kan worden van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Gezien de inhoud van het schrijven van 27 januari 1999 heeft verweerder gehandeld overeenkomstig de rechtspositieleidraad. Er wordt ook in de brief expliciet gewezen op het feit dat een bezwaar conform de rechtspositieleidraad in behandeling zal worden genomen. Uit de samenhang van de artikelen van de rechtpositieleidraad blijkt dat verweerder aan de medewerker die het betreft een schriftelijke aanbieding moet doen met betrekking tot de herplaatsing waartegen de medewerker bezwaar kan maken. Eerst na behandeling van dat bezwaar kan de definitieve beslissing omtrent de herplaatsing volgen. Daaruit blijkt genoegzaam dat door verweerder nog geen definitief besluit is genomen en dat alleen maar het voornemen kenbaar is gemaakt om een dergelijk besluit te nemen. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar hetgeen is bepaald in artikel 4:8 van de Awb. Het schrijven van 27 januari 1999 brengt dan ook nog geen verandering in het geheel van rechten en verplichtingen welke op eiser op dat moment van toepassing zijn en er ontstaat geen verandering in vergelijking tot de situatie van vóór 27 januari 1999.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het schrijven van 27 januari (nog) geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Eerst de beslissing van 13 juli 1999 is als zodanig te beschouwen. Tegen die beslissing had eiser alvorens beroep daartegen in te stellen een bezwaarschrift bij verweerder in moeten dienen. Nu dit niet is gebeurd, althans niet in de zaak die bij de rechtbank is geregistreerd onder nummer 99/773, dient dat beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

In de zaak onder nummer 2000/56.

Eiser heeft in deze zaak tegen meergenoemde beslissing van 13 juli 1999 eveneens bezwaar gemaakt overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule die in die beslissing stond opgenomen. Dit bezwaar is gegrond verklaard bij besluit van 7 december 1999. Er zijn geen beletselen om het tegen deze beslissing ingestelde beroep ontvankelijk te achten.

Door verweerder is in zijn brief verwezen naar het besluit van 7 december 1999. Een besluit van die datum bevindt zich evenwel niet bij de stukken. Wel bevindt zich bij de stukken een beslissing op bezwaarschrift van 30 november 1999. Gelet op de inhoud van die beslissing moet het ervoor gehouden worden dat met het besluit van 7 december de beslissing van 30 november 1999 wordt bedoeld.

In die beslissing staat -kort en zakelijk weergegeven en voor zover van belang-:

"Bij brief van 4 november 1999 heeft de heer [bedrijfsarts], bedrijfsarts van de gemeente [gemeente], ons in kennis gesteld van het feit dat naar zijn medisch inzicht niet langer arbeidsongeschiktheid de titel van afwezigheid was van de heer [eiser], maar veel meer de verstoorde arbeidsverhouding. Daarnaast gaf de heer [bedrijfsarts] aan dat, gelet op het risico van hernieuwde uitval bij werkhervatting binnen de gemeente [gemeente], een eventuele werkhervatting buiten de gemeente [gemeente] veel meer in de rede zou liggen.".

Verweerder heeft dit opgevat als een nieuw feit ex artikel 7:9 van de Awb en overeenkomstig het in dat artikel bepaalde gehandeld. De afhandeling van het bezwaar is aangehouden; eiser is van dit feit op de hoogte gesteld en heeft zijn opvattingen bekend gemaakt. Door eiser zijn geen bedenkingen kenbaar gemaakt tegen de opvattingen van de bedrijfsarts ex artikel 7:14:9 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden Gemeente [gemeente].

Verweerder heeft vervolgens het bezwaar van eiser gegrond verklaard en daarbij overwogen:

" Nu een werkhervatting in de eigen functie uitgesloten moet worden geacht betekent dit concreet dat de inspanningen erop gericht moeten zijn om voor bezwaarde elders een passende en/of geschikte betrekking te vinden. In dat licht is het, anders dan bezwaarde opmerkt, op geen enkele wijze onzorgvuldig te achten dat wij onze inspanningen er op richten om bij gelieerde instellingen te onderzoeken of er mogelijkheden bestaan om hem een aanbod voor plaatsing elders te doen. Dat bezwaarde, zoals hij stelt, zichzelf uitstekend in staat acht een andere werkkring te zoeken is in dit kader volstrekt irrelevant.

In het licht van het bovenstaande willen wij bezwaarde wijzen op het bepaalde in artikel 7:2 respectievelijk artikel 7:3 RAGR waarin is geregeld dat aan ons de bevoegdheid toekomt om hem -overigens ook buiten zijn wil- in passende of gangbare arbeid buiten de organisatie te plaatsen.

In zijn brief haalt bezwaarde wederom aan dat de kosten die hij zijns inziens noodgedwongen heeft moeten maken in de verschillende procedures door ons aan hem vergoed zouden moeten worden.

Terzake merken wij op dat de arrondissementsrechtbank een uitspraak heeft gedaan omtrent de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het geding over de sollicitatieprocedure. Voor vergoeding daarvan zag de rechtbank geen reden. Daarenbuiten is door ons bij herhaling en bij voortduring getracht om in overleg met bezwaarde te komen tot een passende oplossing die voor alle partijen aanvaardbaar zou kunnen zijn, zodat ook tegen die achtergrond geen aanspraak op vergoeding van schade aan de orde kan zijn. Oplossingsrichtingen werden door ons, in overleg, o.m. aangedragen door:

het nader duiden van de functie van [aangeboden functie] (in relatie tot de bepaling van de passendheid);

het aanbod van outplacement;

het aanbieden van een non-activiteitsregeling;

het aanbieden van bijzondere projecten op schaalniveau 14;

het detacheren in een passende betrekking.

In het licht hiervan ontgaat het ons dan ook ten enenmale op welke grond bezwaarde meent te kunnen stellen dat procedures van de zijde van de gemeente [gemeente] worden vertraagd of dat anderszins verondersteld zou kunnen worden dat er geen bereidheid zou bestaan om overleg te voeren over mogelijke oplossingen.".

De gronden voor het beroep zijn de volgende.

Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder is niet inhoudelijk ingegaan op de door en namens eiser aangegeven gronden van bezwaar. Daardoor onttrekt verweerder zich aan een oordeel over de bezwaren en eiser heeft belang bij een dergelijk oordeel omdat indien het bezwaar op de aangegeven gronden gegrond zou worden verklaard daarmee in beginsel de onrechtmatigheid van het primaire besluit zou vaststaan. Nadien zich eventueel voordoende nieuwe feiten of omstandigheden ontnemen verweerder niet de plicht om te voldoen aan de motiveringseisen conform de artikelen 7:11 en 7:12 Awb.

Er is geen sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 7:9 Awb, zodat de motivering onjuist is. Eiser stelt in zijn bezwaar reeds meermalen aangegeven te hebben dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid. Eiser heeft geen bezwaar tegen het medisch oordeel.

Verweerder heeft ten onrechte -althans op onjuiste gronden- het reorganisatietraject verlaten. Het is niet gelukt om eiser in een passende functie te herplaatsen. Verweerder had derhalve de rechtspositieleidraad moeten volgen.

In beroep vordert eiser:

dit beroep gegrond te verklaren en voornoemd besluit van verweerder van 8 december (bedoeld wordt 7 december) 1999 gedeeltelijk, namelijk slechts voor zover het de (onjuiste en onvoldoende) motivering betreft te vernietigen (zodat de rechtsgevolgen in stand blijven), en voorts te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

en voorts verweerder met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt; in dit verband verzoekt eiser de rechtbank om met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te bepalen dat ter voorbereiding van een andere uitspraak over de omvang van de schadevergoeding het onderzoek heropend wordt;

het geven van enkel overwegingen -ten overvloede- omtrent de thans ontstane situatie;

verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Verweerder heeft het navolgende -zakelijk en verkort weergegeven en voor zover van belang- aangevoerd.

Primair is de vraag aan de orde of eiser nog enig (rechts)belang heeft bij een (rechterlijke) uitspraak in het onderwerpelijke beroep. Het bezwaar strekte ertoe om te bewerkstelligen dat eiser de naar zijn oordeel niet-passende functie van [aangeboden functie] niet langer zou worden opgedragen. Daaraan is tegemoet gekomen.

Gedurende de behandeling van het bezwaar ontving verweerder een verklaring van de bedrijfsarts met betrekking tot eisers arbeids(on)geschiktheid. Terugkeer van eiser binnen de gemeentelijke organisatie was gecontraïndiceerd. Naar het oordeel van verweerder was er daardoor sprake van een nieuw feit ex artikel 7:9 van de Awb. Waar een terugkeer van eiser naar alle waarschijnlijkheid uitsluitend direct tot hernieuwd ziekteverzuim zou leiden, stond de situatieve arbeidsongeschiktheid van eiser dan ook enige hervatting van werkzaamheden bij de gemeente [gemeente] -maar in het bijzonder dus een hervatting van diens eigen functie- definitief in de weg. Enkel daarin heeft verweerder (al) aanleiding gevonden om het door eiser bestreden besluit te heroverwegen en te beslissen dat de nieuwe functie van [aangeboden functie] niet langer aan eiser werd opgedragen. Zulks geschiedde onder gegrondverklaring van eisers bezwaarschrift, zonder nadere bespreking van de daarin door eiser aangevoerde bezwaren. Eisers grief miskent het karakter van de bezwarenprocedure.

Eisers persoonlijke visie aangaande zijn eigen arbeids(on)geschiktheid zonder bevestiging van de zijde van de bedrijfsarts kan bezwaarlijk hebben te gelden als een vaststaand feit.

Verweerder betwist aansprakelijk te zijn voor enige schade.

De eerste vraag die door de rechtbank beantwoord dient te worden is of eiser wel belang heeft bij dit beroep. Als eiser na bezwaar een voor hem gunstige beslissing heeft gekregen, bestaat immers de mogelijkheid dat er geen belang meer is om het oorspronkelijke besluit door de rechter te laten toetsen; een dergelijke toetsing is in beginsel ook niet op enig rechtsgevolg gericht.

Onder omstandigheden kan echter wel belang bij toetsing van het oorspronkelijke besluit door de rechter bestaan en wel indien die toetsing in verband zou staan met mogelijk door dat besluit veroorzaakte schade. Nu eiser in beroep om een vergoeding van schade heeft verzocht acht de rechtbank dat procesbelang voldoende aannemelijk.

In het onderhavige geval heeft verweerder een voor eiser gunstige beslissing genomen, nadat het standpunt van de bedrijfsarts bekend was geworden, welk standpunt niet in een eerder stadium bekend was.

De rechtbank deelt de mening van eiser, dat het standpunt van de bedrijfsarts niet als een nieuw feit te beschouwen is, niet. Het enkele feit dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij situatief arbeidsongeschikt zou zijn maakt dit niet anders. Verweerder stond het vrij om niet het standpunt van eiser doch het standpunt van de bedrijfsarts als bepalend aan te nemen.

Indien op basis van een dergelijk nieuw feit een begunstigende beslissing wordt genomen op bezwaar, bestaat voor het bestuursorgaan niet de verplichting om ook op de overige bezwaren nader in te gaan. Zulks tenzij de partij op een duidelijke en niet mis te verstane wijze heeft aangevoerd en onderbouwd dat hij schade vergoed wenst te zien, en welke schade geleden zou zijn door het in zijn ogen beweerdelijk onjuiste oorspronkelijke besluit. In het bezwaarschrift van 13 augustus 1999 wordt niet gesproken over enige aansprakelijkheid van verweerder noch over een (mogelijke) schadeactie. In het onderhavige geval heeft eiser eerst nadat het voormelde nieuwe feit bekend is geworden, en wel bij brief van 15 november 1999 aangegeven dat hij persisteert bij het standpunt dat hij de kosten die hij noodgedwongen moet maken in de verschillende procedures tussen partijen, vergoed wil krijgen. Tevens heeft hij in die brief aangegeven dat hij de gemeente voor alle andere schade aansprakelijk houdt.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft eiser hiermee slechts zeer summier te kennen dat hij verweerder aansprakelijk houdt voor schade en dat hij gemaakte kosten vergoed wenst te zien.

Van eiser mag evenwel verwacht worden dat hij dit niet in dergelijke vage en algemene bewoordingen doet doch dat hij op duidelijke wijze kenbaar maakt welke schade hij vordert en op grond waarvan dat gebeurt. Eerst tijdens de mondelinge behandeling is zijdens eiser dit aspect, nadat ernaar was gevraagd, toegelicht. Nu eiser nagelaten heeft tijdens de bezwarenbehandeling die duidelijkheid te verschaffen, bestaat voor het bestuursorgaan niet de verplichting om hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht inhoudelijk te beoordelen met het oog op een eventuele schadevergoeding.

Het moet immers voor het bestuursorgaan duidelijk zijn dat, in het geval van een begunstigende beslissing, er voor de wederpartij een belang bestaat dat in de heroverweging ook andere aangevoerde bezwaren inhoudelijk beoordeeld moeten worden. De door eiser aangevoerde grieven terzake zijn ongegrond.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte -althans op onjuiste gronden- het reorganisatietraject heeft verlaten. De rechtbank acht deze grondslag buiten de orde van deze beroepszaak en zal deze grondslag niet in haar beoordeling van dit beroep betrekken.

De rechtbank gaat niet in op het verzoek van eiser om een overweging ten overvloede te geven over de thans ontstane situatie. Voor een dergelijke overweging ziet de rechtbank geen plaats.

Beslist dient te worden als onder III. staat aangegeven.

III. Beslissing.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep in de zaak onder nummer 99/773 niet-ontvankelijk en het beroep in de zaak onder nummer 2000/56 ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. F.J.C. Huijbers, L.A. Gruiters (voorzitter) en R.H. Smits in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken

op 24 oktober 2000.

Voor eensluidend afschrift:

De wnd-griffier:

verzonden op: 27 oktober 2000

Voor de belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.