Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA9229

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
00/473 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de berekening van het eigen risico dient te worden uitgegaan van de jaarproductie van een gewascategorie.

In artikel 5, tweede lid, van de Regeling wordt aangegeven dat het eigen risico wordt bepaald op 30% van de som van de geprognosticeerde opbrengst van de tot de gewascategorie behorende gewassen, berekend aan de hand van de normbedragen van bijlage 1 en de gegevens van de landbouwtelling 1998 dan wel de boekhouding gewassen of de opgave, bedoeld in artikel 6, tweede lid. In artikel 6, tweede lid, van de Regeling is aangegeven dat de gedupeerde een opgave moet doen van het gerealiseerde teeltplan 1998. Gelet op deze verwijzing en mede gezien de brief van 16 november 1998 aan de Tweede Kamer en de correspondentie met de Europese Commissie is de rechtbank van oordeel dat bij de bepaling van het eigen risico uitgegaan moet worden van de jaarproductie van een gewascategorie.

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder

Mr. L.A. Gruiters

Wetsverwijzingen
Regeling oogstschade 1998 1
Regeling oogstschade 1998 2
Regeling oogstschade 1998 5
Regeling oogstschade 1998 6
Regeling oogstschade 1998 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 00/473 WET K1

Inzake : A BV te B, eiseres,

tegen : de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voor deze: de regiomanager van LASER, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 28 april 2000,

kenmerk: 99.2.2367.

Datum van behandeling ter zitting: 25 oktober 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit 28 april 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 22 oktober 1999 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 28 april 2000 is namens eiseres door mr. H.J.M. Offermans bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

De gedingstukken uit de zaak met registratienummer 99/1079 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd. Aan partijen is daarvan op 19 juli 2000 kennisgegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 25 oktober 2000, waar namens eiseres is verschenen haar directeur A, bijgestaan door mr. H.J.M. Offermans, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. mr. E.A. Vossen. Van de zijde van eiseres is als getuige meegebracht -en door de rechtbank gehoord- ing. X.

II. OVERWEGINGEN.

Eiseres exploiteert een vollegronds tuinbouwbedrijf. Tengevolge van wateroverlast is in 1998 schade ontstaan aan percelen ijsbergsla en schorseneren.

Op 16 december 1998 werd door verweerder een regeling getroffen voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de oogstschade als gevolg van de extreme weersomstandigheden in het najaar van 1998; de "Regeling oogstschade 1998", gepubliceerd in de Staatscourant 1998, nr. 244 van 21 december 1998. Op grond van die regeling konden gedupeerde land- en tuinbouwers onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een schadevergoeding. Daarvoor diende op een daartoe vastgesteld formulier de oogstschade te worden gemeld.

Eiseres heeft op het meldingsformulier van 21 januari 1999 aangegeven schade te hebben geleden aan het gewas ijsbergsla.

Bij besluit van 22 oktober 1999 is de aanvraag van eiseres afgewezen aangezien de aanspraak op tegemoetkoming niet meer zou bedragen dan het minimumbedrag ad ¦ 2000,-. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt en dat bezwaar is bij het besluit van 28 april 2000 ongegrond verklaard.

Daaraan voorafgaand was op 23 november 1999 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van de president van deze rechtbank van 31 december 1999 is dat verzoek afgewezen.

In beroep wordt -evenals in het bezwaarschrift- aangevoerd -kort samengevat- dat verweerder bij de berekening van de schade aan het gewas ijsbergsla ten onrechte de opbrengst van de voorjaars- en zomerteelt in aanmerking heeft genomen en de schade niet uitsluitend heeft gebaseerd op de schade aan de najaarsteelt. Voorts stelt eiseres dat zij in aanmerking dient te komen voor vergoeding van de schade aan het gewas schorseneren.

Verweerder geeft -kort samengevat- aan dat met de Regeling Oogstschade 1998 beoogd is een tegemoetkoming in de schade te verlenen als die schade meer bedraagt dan het eigen risico van 30% van het in 1998 geteelde areaal van een gewascategorie. Ten aanzien van de schade aan het gewas schorseneren wordt overwogen dat eiseres die schade niet voor het einde van de meldingstermijn op

25 januari 1999 heeft gemeld, zodat op basis van de regeling geen vergoeding verleend kan worden.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Alvorens in te gaan op het partijen inhoudelijk verdeeld houdende geschilpunt heeft de rechtbank stilgestaan bij de vraag of verweerder -impliciet- terecht heeft aangenomen dat het primaire besluit een besluit is waartegen ingevolge de Awb bezwaar en beroep openstaat.

De "Regeling oogstschade 1998" (verder ook: de Regeling) is een schaderegeling die is gepubliceerd in het kader van een beleid waarvoor geen specifieke basis is gegeven in een wet maar welk beleid zijn grondslag vindt in de vrije bevoegdheid van de rijksoverheid om binnen de grenzen van de wet middelen ter beschikking te stellen ter behartiging van het algemeen belang. Een beslissing van of namens verweerder over het al dan niet toekennen van een bijdrage op grond van die Regeling heeft daarmee het karakter van een publiekrechtelijke rechtshandeling en is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Aangezien zich verder geen van de uitzonderingen van de artikelen 8:2 tot en met 8:5 van die wet voordoet is zodanig besluit vatbaar voor bezwaar en het besluit op bezwaar vatbaar voor beroep.

De zojuist genoemde vrije bevoegdheid van de rijksoverheid maakt tevens dat de minister in beginsel een grote mate van vrijheid toekomt en dat de rechter zijn beperkingen heeft in de toetsing van het gebruik van die bevoegdheid. Daarbij heeft de rechter wel te beoordelen in hoeverre de minister in zijn besluitvorming zich heeft gehouden aan ruimte en beperkingen die hem in de Regeling zijn gegeven. Voor de wijze waarop verweerder zijn bevoegdheid in dezen heeft te gebruiken geeft de Regeling aan welke schade te vergoeden is en hoe deze schade wordt vastgesteld.

Artikel 1 van de Regeling definieert in dat verband schade als: het door de extreme weersomstandigheden in het najaar van 1988 veroorzaakte financiële verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende de schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van schadegewassen in het schadegebied, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan. Schadegewassen worden gedefinieerd als: gewassen waarvoor ingevolge bijlage 1 een tegemoetkoming bij schade kan worden gegeven en die op de peildatum te velde stonden, terwijl gewascategorie gedefinieerd wordt als: de volgens bijlage 1 als gewascategorie te beschouwen gewassen of groepen van gewassen. Als schadetermijn wordt gedefinieerd de op de peildatum in gang zijnde teeltcyclus, doch uiterlijk eindigend op 1 september 1999 terwijl als peildatum 7 december 1998 vermeld wordt.

In het onderhavige geding is in geschil of verweerder op goede gronden kon weigeren de schade aan het gewas schorseneren te vergoeden en of verweerder bij de schade aan het gewas ijsbergsla op juiste wijze het in acht te nemen eigen risico van eiseres heeft vastgesteld.

Met betrekking tot de weigering van vergoeding van de schade aan het gewas schorseneren wordt overwogen dat in artikel 2 van de Regeling is aangegeven dat de minister een gedupeerde op aanvraag een bijdrage kan verlenen als tegemoetkoming voor de in de schadetermijn opgetreden schade aan schadegewassen. In artikel 6, eerste lid, van de Regeling is aangegeven dat de gedupeerde die aanspraak wenst te maken op een tegemoetkoming op basis van deze regeling, dit uiterlijk 25 januari 1999 meldt door middel van een schademeldingsformulier. In het door eiseres op 21 januari 1999 ingevulde formulier "Melding Oogstschade 1998" is bij het gewas met nummer 46, zijnde schorseneren, alleen in de rubriek "gerealiseerd teeltplan in 1998 (ha)" het getal 2.85 ingevuld. De kolom "oppervlakte schade aan gewassen te velde (in ha)" is voor dit gewas niet ingevuld. Ook bij de zogenaamde "quick scan" op 21 december 1998 is niet over schade aan schorseneren gesproken en eerst op 9 april 1999, bij de definitieve taxatie, is aangegeven dat 1,85 ha schorseneren verloren is gegaan. Vastgesteld moet derhalve worden dat niet uiterlijk op 25 januari 1999 melding is gemaakt van schade aan het gewas schorseneren. Dat eiseres in december 1998 nog niet zeker wist of er schade aan het gewas schorseneren zou optreden kan aan het vorenstaande niet afdoen. Zoals verweerder aangeeft had van eiseres mogen verwacht worden dat zij voor het einde van de meldingstermijn een inschatting kon maken van de eventueel te verwachten schade. In dat verband wordt in de toelichting bij artikel 7 van de Regeling ook aangegeven dat het van belang is bij de melding ook alle mogelijkerwijs opgetreden schade mee te nemen, ook als die zich nog niet heeft gemanifesteerd. Voorts is in de toelichting bij genoemd artikel ook aangegeven dat schade die niet wordt gemeld later niet alsnog kan worden gemeld omdat dan een accurate vaststelling van de schade fictief zou zijn.

Op basis van de Regeling komt eiseres derhalve geen vergoeding voor de schade aan het gewas schorseneren toe zodat verweerder de schade aan dat gewas terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

Ten aanzien van de vraag of verweerder het bij de schade aan de ijsbergsla in acht te nemen eigen risico op juiste wijze heeft vastgesteld wordt overwogen dat in artikel 5 van de Regeling is aangeven op welke wijze de tegemoetkoming in de geleden schade moet worden berekend.

Zoals in de uitspraak van de president van de rechtbank van 31 december 1999 in de voorlopige voorziening is aangeven staat vast dat de hoogte van de door eiseres geleden schade geen geschilpunt vormt doch dat partijen van mening verschillen over de wijze van berekening van het eigen risico dat voor eiseres geldt bij de vaststelling van een mogelijke tegemoetkoming in de schade. Verweerder is bij de vaststelling van dat eigen risico uitgegaan van een oppervlakte van 119,60 ha., zijnde het totale areaal aan ijsbergslateelt waarover eiseres de beschikking had voor het jaar 1998. Eiseres stelt zich evenwel op het standpunt dat dient te worden uitgegaan van een totaalareaal van 42 ha. zijnde de oppervlakte waarop eiseres in de herfst van 1998 een schade heeft geleden van 27.97 ha. en dat derhalve de oppervlakte die betrekking heeft op de voorjaars- en zomerteelt van de ijsbergsla, zijnde een areaal van 77,60 ha., buiten beschouwing dient te blijven. Indien op die wijze het eigen risico wordt berekend komt eiseres naar haar mening in aanmerking voor een tegemoetkoming in de schade van ¦ 364.749,00.

Zoals ook al in genoemde uitspraak van de president is aangegeven is uit de Regeling en de daarbij gegeven toelichting niet volstrekt duidelijk op te maken of voor de berekening van het eigen risico uitgegaan moet worden van het gehele in 1998 geteelde areaal of slechts het areaal aan in casu ijsbergsla waaraan in de herfst van 1998 schade is geleden. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting moet de rechtbank het er toch voor houden dat het standpunt van verweerder juist is. In artikel 5, tweede lid, van de Regeling wordt aangegeven dat het eigen risico wordt bepaald op 30% van de som van de geprognosticeerde opbrengst van de tot de gewascategorie behorende gewassen, berekend aan de hand van de normbedragen van bijlage 1 en de gegevens van de landbouwtelling 1998 dan wel de boekhouding gewassen of de opgave, bedoeld in artikel 6, tweede lid. In artikel 6, tweede lid, van de Regeling is aangegeven dat de gedupeerde een opgave moet doen van het gerealiseerde teeltplan 1998. Gelet op deze verwijzing en mede gezien de brief van 16 november 1998 aan de Tweede Kamer en de correspondentie met de Europese Commissie is de rechtbank van oordeel dat bij de bepaling van het eigen risico uitgegaan moet worden van de jaarproductie van een gewascategorie. Ook uit de formulieren "Melding Oogstschade 1998" moet dat worden afgeleid. Op dit formulier is vermeld de rubriek "gerealiseerd teeltplan in 1998 (ha)" en daarbij moet ook bijgevoegd worden een door een accountant opgesteld rapport van bevindingen over het gerealiseerde teeltplan 1998. Dat betekent dat bij eiseres terecht de opbrengst van de voorjaars- en zomerteelt in aanmerking is genomen voor de berekening van de hoogte van het eigen risico aan de gewascategorie sla.

Voorzover namens eiseres nog een beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel moet worden geoordeeld dat dat beroep niet kan slagen. Niet is aangetoond dat verweerder gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. Uit het ter terechtzitting aangevoerde voorbeeld blijkt immers nu net dat verweerder in een vergelijkbaar geval -zij het pas in tweede instantie- dezelfde berekeningswijze heeft gehanteerd als bij eiseres. Ook is de rechtbank niet gebleken van rechtens te honoreren toezeggingen of gewekte verwachtingen dat voor de berekening van het eigen risico slechts zou worden uitgegaan van de herfstteelt. Uit de verklaringen van de getuige X is dat naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan.

Het vorenstaande voert tot het oordeel dat het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep voor ongegrond moet worden gehouden, zodat beslist wordt als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A. Gruiters, in tegenwoordigheid van A.R.O. Kuipers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2000.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 21 november 2000

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.