Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA8992

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
13-12-2000
Zaaknummer
04/050345-00
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3052
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

Parketnummers :04/050345-00

04/051063-00 (ttzgev)

uitspraak d.d. : 13 december 2000

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : verdachte

voornamen : -

geboren op : geboortedatum en plaats

adres : adres

thans gedetineerd in detentie-adres.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 september en 29 en 30 november 2000.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat, na toelating van de vordering als bedoeld in artikel 314a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter terechtzitting van 15 september 2000, terecht ter zake dat:

in de zaak met parketnummer 04/050345-00

1.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Geldrop, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met mededader, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade slachtoffer 1 van het leven te beroven, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel op die - zich in een (rijdende) (personen)auto bevindende - slachtoffer 1, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Art. 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Geldrop, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van zijn voornemen om, tezamen en in vereniging met mededader, althans alleen, opzettelijk slachtoffer 1 van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen een kogel op die - zich in een rijdende (personen)auto bevindende - slachtoffer 1, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Art. 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met mededader, althans alleen, in een aan de straatnaam gelegen woning, opzettelijk één of meer perso(o)n(en), genaamd gegijzelde 1 en/of gegijzelde 2 en/of gegijzelde 3 en/of gegijzelde 4 en/of gegijzelde 5 en/of gegijzelde 6, wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door voornoemde perso(o)n(en) met een vuurwapen te bedreigen en die dreiging kracht bij zetten door (achtereenvolgens) een of meer schot(en) met dat vuurwapen te lossen en door te dreigen hen/hem/haar te zullen doden indien zij/hij niet zou(den) gehoorzamen, alsmede door die gegijzelde 1 en/of die gegijzelde 2 en/of die gegijzelde 3 te bevelen en/of te dwingen in een ruimte van die woning te verblijven en/of die gegijzelde 2 en/of die gegijzelde 3 de handen achter het lichaam te binden, zulks met het oogmerk (een) ander(en), te dwingen een hoeveelheid geld en een (vlucht)auto aan hem, verdachte en/of zijn mededader te geven of ter beschikking te stellen;

Art. 282A van het Wetboek van Strafrecht.

3.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) gegijzelde 4 heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die gegijzelde 4, immers heeft verdachte zijn tong in de mond van die gegijzelde 4 gestoken, in elk geval gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het met een vuurwapen bedreigen van die gegijzelde 4 en/of gegijzelde 5 en/of gegijzelde 1 en/of gegijzelde 2 en/of gegijzelde 3 en/of gegijzelde 6 en die dreiging kracht bij te zetten door herhaaldelijk schoten met dat vuurwapen te lossen en door te dreigen haar/hen te zullen doden indien zij niet zou(den) gehoorzamen, alsmede door die gegijzelde 1 en/of die gegijzelde 2 en/of die gegijzelde 3 te bevelen en/of te dwingen in een ruimte van die woning te verblijven en/of die gegijzelde 2 en/of die gegijzelde 3 de handen achter het lichaam te binden en/of (vervolgens) die gegijzelde 4 te dwingen naast hem, verdachte, op een bed te gaan liggen en/of te dwingen hem, verdachte, te knuffelen, in elk geval aan te raken;

Art. 242 van het Wetboek van Strafrecht.

4.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) gegijzelde 6 heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die gegijzelde 6, immers heeft verdachte zijn tong in de mond van die gegijzelde 6 gestoken, in elk geval gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het met een vuurwapen bedreigen van die gegijzelde 6 en/of gegijzelde 5 en/of gegijzelde 1 en/of gegijzelde 2 en/of gegijzelde 3 en/of gegijzelde 4 en die dreiging kracht bij te zetten door (achtereenvolgens) een of meer schot(en) met dat vuurwapen te lossen en door te dreigen haar/hen te zullen doden indien zij niet zou(den) gehoorzamen, alsmede door die gegijzelde 1 en/of die gegijzelde 2 en/of die gegijzelde 3 te bevelen en/of te dwingen in een ruimte van die woning te verblijven en/of die gegijzelde 2 en/of die gegijzelde 3 de handen achter het lichaam te binden en/of (vervolgens) op een dreigende manier aankijken van die gegijzelde 6 en/of het vastpakken en/of vasthouden van die gegijzelde 6;

Art. 242 van het Wetboek van Strafrecht.

en in de zaak met parketnummer 04/051063-00:

1.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk HS) en/of munitie van categorie III, te weten 7, in elk geval een aantal, patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlasteleggingen kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlasteleggingen door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaardingen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 04/051063-00 tenlastegelegde, het aanwezig hebben van een vuurwapen en munitie, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman voert daartoe aan dat verdachte niet, zoals artikel 244 van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft, binnen twee maanden na beëindiging van het gerechtelijk vooronderzoek op 13 juni 2000 is gedagvaard voor dit vuurwapenbezit, maar pas tegen de zitting van 29 november 2000. De verdachte mocht er dan ook op vertrouwen dat de officier van justitie hem niet meer hiervoor zou vervolgen.

De rechtbank overweegt dat artikel 244 van het Wetboek van Strafvordering ertoe strekt dat een verdachte zo spoedig mogelijk zekerheid krijgt voor welke feiten de officier van justitie hem zal vervolgen.

Op 20 maart 2000 is tegen verdachte een gerechtelijk vooronderzoek geopend, aangezien hij wordt verdacht van -onder andere- een gijzeling, waarbij gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Op 21 juni 2000 is de onderhavige zaak - waar het betrof de feiten met parketnummer 04/050345-00 - pro forma en in een andere samenstelling begonnen. (Hetgeen ter zitting aan de orde is geweest ligt overigens niet aan onderhavig vonnis ten grondslag vanwege de toen andere samenstelling van de rechtbank).

Eerst ter terechtzitting van 15 september 2000 - de eerste zitting in onderhavige samenstelling - is het onder parketnummer 04/050345-00 tenlastegelegde nader omschreven. Voorts heeft de officier van justitie op die zitting aangekondigd dat hij verdachte nog afzonderlijk zou vervolgen voor het verboden wapenfeit en hem daarvoor nog zou dagvaarden tegen dezelfde datum als waarop het onderzoek in de zaak met parketnummer 04/050345-00 (volgens planning) zou worden voortgezet. Dit is ook gebeurd.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de hierboven geschetste gang van zaken het belang dat artikel 244 van het Wetboek van Strafvordering beschermt niet geschonden. De officier van justitie kan dus op ten aanzien van dit punt in zijn vordering worden ontvangen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voorts geen andere omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vordering worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 04/050345-00 onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 04/050345-00:

2.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden, tezamen en in vereniging met mededader in een aan de straatnaam gelegen woning, opzettelijk personen, genaamd gegijzelde 1 en gegijzelde 2 en gegijzelde 3 en gegijzelde 4 en gegijzelde 5 en gegijzelde 6, wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door voornoemde personen met een vuurwapen te bedreigen en die dreiging kracht bij zetten door schoten met dat vuurwapen te lossen en door te dreigen hen te zullen doden indien zij niet zouden gehoorzamen, alsmede door die gegijzelde 1 en die gegijzelde 2 en die gegijzelde 3 te bevelen en te dwingen in een ruimte van die woning te verblijven en die gegijzelde 2 en die gegijzelde 3 de handen achter het lichaam te binden, zulks met het oogmerk anderen, te dwingen een hoeveelheid geld en een vluchtauto aan hem, verdachte en zijn mededader te geven of ter beschikking te stellen;

3.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden gegijzelde 4 heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die gegijzelde 4, immers heeft verdachte zijn tong in de mond van die gegijzelde 4 gestoken, en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden uit het met een vuurwapen bedreigen van die gegijzelde 4 en gegijzelde 5 en gegijzelde 1 en gegijzelde 2 en gegijzelde 3 en gegijzelde 6 en die dreiging kracht bij te zetten door schoten met dat vuurwapen te lossen en door te dreigen hen te zullen doden indien zij niet zouden gehoorzamen, alsmede door die gegijzelde 1 en die gegijzelde 2 en die gegijzelde 3 te bevelen en te dwingen in een ruimte van die woning te verblijven en die gegijzelde 2 en die gegijzelde 3 de handen achter het lichaam te binden en vervolgens die gegijzelde 4 te dwingen naast hem, verdachte, op een bed te gaan liggen en te dwingen hem, verdachte, aan te raken;

4.

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden gegijzelde 6 heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die gegijzelde 6, immers heeft verdachte zijn tong in de mond van die gegijzelde 6 gestoken, en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden uit het met een vuurwapen bedreigen van die gegijzelde 6 en gegijzelde 5 en gegijzelde 1 en gegijzelde 2 en gegijzelde 3 en gegijzelde 4 en die dreiging kracht bij te zetten door schoten met dat vuurwapen te lossen en door te dreigen hen te zullen doden indien zij niet zouden gehoorzamen, alsmede door die gegijzelde 1 en die gegijzelde 2 en die gegijzelde 3 te bevelen en te dwingen in een ruimte van die woning te verblijven en die gegijzelde 2 en die gegijzelde 3 de handen achter het lichaam te binden en vervolgens op een dreigende manier aankijken van die gegijzelde 6 en het vastpakken en vasthouden van die gegijzelde 6;

en in de zaak met parketnummer 04/051063-00:

hij op 17 maart 2000 in de gemeente Helden tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk HS) en munitie van categorie III, te weten 7 patronen, voorhanden heeft gehad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Het bewijs

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aan dit vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering.

9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

in de zaak met parketnummer 04/050345-00

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

verkrachting

Ten aanzien van feit 4:

verkrachting

in de zaak met parketnummer 04/051063-00:

medeplegen van overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

- Het misdrijf onder 2 is strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht;

- de misdrijven onder 3 en 4 zijn strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht;

- het misdrijf in de zaak met parketnummer 04/051063-00 is strafbaar gesteld bij artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen

11.1 De algemene overwegingen

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf en maatregel behoort te worden opgelegd.

11.2 De bijzondere overwegingen

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 29 november 2000 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte en de raadsman hebben ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze buitenproportioneel hoog is in verhouding tot de feiten die de verdachte heeft gepleegd.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder rekening gehouden met het volgende:

Verdachte is met zijn mededader een willekeurige woning binnengedrongen en heeft de zes aldaar aanwezige bewoners gegijzeld. Het jongste slachtoffer, een vrouw van achttien jaar, is achttien uur lang gegijzeld gehouden. Verdachte en zijn mededader hebben onder andere twee miljoen gulden en een vluchtauto geëist.

Verdachte heeft een gegijzelde gefouilleerd terwijl deze door verdachtes mededader onder schot werd gehouden. Verdachte heeft gegijzelden bewaakt en hen gemaand zich rustig te houden. Verdachte heeft de twee mannelijke gegijzelden vastgebonden met hengsels van sporttassen en hen op eigen initiatief steviger vastgebonden. Verdachte heeft alarm geslagen toen drie gegijzelden via het platte dak van de woning ontsnapten. Verdachte heeft op enig moment tijdens de gijzeling de beschikking gehad over het pistool van zijn mededader.

Tijdens de gijzeling heeft verdachte twee jonge vrouwen, tegen hun wil een tongzoen gegeven. Beide slachtoffers werden in hun eigen woning gegijzeld en waren kort tevoren door verdachtes mededader bedreigd met een geladen pistool en verkracht. Als gevolg hiervan waren zij zo murw dat zij zich niet meer durfden te verzetten.

Aanleiding voor de gijzeling was dat verdachtes mededader op de vlucht was geslagen nadat hij op de snelweg zonder enige aanleiding een schot had afgevuurd op een naast hem rijdende auto. Tijdens de gijzeling heeft verdachtes mededader nog meerdere malen geschoten, waarvan eenmaal op buiten de woning aanwezige politie-agenten en eenmaal op gegijzelden toen deze de woning ontvluchtten.

Het optreden van verdachte en zijn mededader heeft het leven van de slachtoffers van de gijzeling volkomen verwoest. Zij zijn het slachtoffer geworden van verkrachting en een gijzeling in hun eigen woning, waarbij herhaaldelijk gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Gebleken is dat alle slachtoffers ernstig geschokt zijn door het gebeurde en nog lange tijde de psychische gevolgen met zich zullen meedragen. Daarnaast heeft het optreden van verdachte ook aanzienlijke materiële schade bij de slachtoffers veroorzaakt.

De rechtbank houdt tevens rekening met de mate waarin de Nederlandse samenleving in haar geheel, en meer in het bijzonder de Heldense samenleving, is geschokt door de strafbare feiten die zich geheel onverwacht in haar midden hebben afgespeeld.

Verdachte is niet degene geweest die het initiatief heeft genomen tot de gijzeling, en zijn rol hierin heeft hoofdzakelijk bestaan uit het loyaal uitvoeren van de opdrachten die zijn mededader hem gaf. Verdachte heeft ook veel minder geweld gepleegd dan zijn mededader.

Dit maakt verdachtes rol in de gijzeling echter niet minder belangrijk dan die van zijn mededader. Door de loyale medewerking van verdachte kon de gijzeling worden voortgezet. Verdachte heeft bovendien zijn deel van het losgeld proberen mee te nemen. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte voor en tijdens de gijzeling op verschillende momenten de kans heeft gehad zich aan de gijzeling te onttrekken, maar dit telkens heeft nagelaten. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van zijn mededader.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf dan ook enerzijds rekening gehouden met het uitzonderlijk ernstige en gewelddadige karakter van de feiten welke verdachte heeft gepleegd, en anderzijds met verdachtes overwegend ondersteunende en minder gewelddadige rol in het geheel.

De rechtbank heeft ten voordele van de verdachte nog rekening gehouden met het feit dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister nog niet eerder terzake geweldsdelicten is veroordeeld, en met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting en uit het dossier zijn gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hierboven geschetste omstandigheden niet kan worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke, na te noemen duur.

11.5 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat gegijzelde 6, wonende adres en woonplaats, als gevolg van de in de zaak met parketnummer 04/050345-00 onder 2 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten materiële schade en immateriële schade heeft geleden.

Gegijzelde 6 voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van ƒ 9.254,96 en de immateriële schade op een bedrag van ƒ 30.000,00 gesteld, wil die schades vergoed krijgen en heeft daartoe een vordering benadeelde partij ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van ƒ 39.254,96.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van ƒ 39.254,96 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 160 dagen; te betalen ten behoeve van gegijzelde 6, wonende te adres en woonplaats, zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank bepaalt uitdrukkelijk dat het schadebedrag van ƒ 39.254,96 een bedrag is dat tot op heden is begroot.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 1, 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 91, 242, 282a

Wet wapens en munitie art. 26, 55

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04/050345-00 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij gegijzelde 6, wonende adres en woonplaats, te betalen een bedrag van ƒ 39.254,96;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van ƒ 39.254,96 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd gegijzelde 6, wonende te adres en woonplaats, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 39.254,96 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen);

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mr. A.W. Ente, mr. drs. O.M. de Lange, en mr. dr. R. Kluin, van wie mr. A.W. Ente voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. H.M.E. Kurstjens als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 december 2000.